is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 1, 28-09-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Vervolg van gag. 4 De Indonesische kwestie).

dan in onze veel homogener samenleving. De Britten stonden voor een dergelijke kwestie: hoe te handelen ten aanzien van de Brits-Indiërs die onder leiding van Bose met de Japanners tegen de geallieerden gevochten hadden? Een aantal van deze officieren werd veroordeeld, maar hun straffen werden niet uitgevoerd en zij reisden maandenlang door India om overal als nationale helden gefêteerd te worden.

Zoveel was duidelijk: noch de Britse Labourregering, noch de Amerikaanse president kon of wilde in de Indonesische republiek een onwettig bestel en in Soekarno een collaborateur en verrader zien. Men zag de Japanse oorsprong van de republiek over het hoofd, overtuigd dat zij, gezuiverd van Japanse invloeden, zou blijken de wens van de meerderheid de Indonesiërs te zijn. Deze houding werd bemoeilijkt door het optreden van de pemoeda’s maar gesteund door het spoedig optreden van den geenszins met Japanse connecties belasten Sjahrir/ Men kan op de taktiek van Van Mook en Van der Plas veel aan te merken hebben, strategisch gezien hebben zij geen fout ge-

maakt. Een conservatiever houding zou ons in de gegeven omstandigheden (plotselinge capitulatie zonder aanwezigheid van een Nederlands leger) alle steun van buiten hebben doen ontberen. En dan: geen enkele invloed meer in Indië en een geheel onzeker lot der krijgsgevangenen en geïnterneerden.

In Januari is de Indonesische kwestie even in de Veiligheidsraad ter sprake geweest. De Oekraine klaagde dat de Engelse troepen in Indonesië herstel der oude koloniale verhoudingen nastreefden. De Britse en Nederlandse afgevaardigden hebben zulks uitdrukkelijk ontkend. En terecht. Daar gaat het niet om. Internationaal-politiek gezien is het nog slechts de vraag of Indonesië, hetzij zelfstandig hetzij in Nederlands rijksverband, een homogeen en welvarend land zal worden, dan wel een zichzelf verscheurde speelbal van de grote mogendheden der Pacific* Dit is thans aan de orde. Over verder verwijderde mogelijkheden, zoals de verhouding van Indonesië tot China en India alsmede de mogelijke bedreiging die Indonesië in de toekomst betekenen, spreken wij hier nu maar niet. 22 September 1946 A. E. CGHEI^.

Oe Protestantse kerk in Irydonestë

Gaarne voldoe ik aan het verzoek, om in een drietal korte artikelen voor „Tijd en Taak” iets mede te delen over de Protestantse Kerk in Ned.-Indië.

Deze kerk heeft n.l. de belangstelling van het Moederland dringend nodig, oriidat zij door de oorlog nog zwaarder getroffen werd, dan de Hollandse kerken.

Helaas was zij in het verleden te weinig bekend bij het Nederlandse kerkvólk. Een verklaring hiervoor kan wel in hoofdzaak gevonden worden in het feit, dat zij als gouvernements- of Staatskerk een volkomen zelfstandig bestaan leidde, geen filiaal van de Hervormde Kerk hier te lande was en alleen van het Moederland afhankelijk, voor zover zij voorgangers gevormd aan de Nederlandse Universiteiten of Zendingsscholen nodig had.

Voor deze had zij geen eigen opleiding. Alleen haar inheemse voorgangers, de inlandse leeraars, en de Goeroe dj oema’ts werden aan de eigen opleidingscentra gevormd, terwijlindelaatstej aren voor de oorlog, de nieuw opgerichte theologische school te Batavia, de z.g. „pandita hindia” of „indisch predikant”, begon af te leveren. Ook financieel was ze dank zij de Gouvernementssubsidie in staat zich zelf te redden. Dit mag een bevoorrechte positie hebben geschenen, maar in wezen is het echter een belemmering voor haar geestelijke groei geweest.

Als een kerk door al te sterke financiële koorden aan de Staat gebonden is en haar bestuur van regeringswege wordt benoeipd, ontstaat er een ambtenaarssfeer in haar leiding.

Deze kijkt dan in alles het Departement naar de ogen en de invloed hiervan is in het geheel merkbaar.

De meeste voorgangers uit het verleden voelden zich vaak dan ook te veel gouvernements-ambtenaar. Een goed administratie achtte men belangrijker dan een klare belijdenis.

Ook het richtingsvraagstuk bleef in hoofdzaak rusten, niet uit eensgezindheid, maar uit principeloosheid.

Men had zich nooit ernstig de vraag gesteld „wat is een kerk eigenlijk”? of wat behoort ze althans te zijn.

Daarbij wilde men de genoegelijke omgang in huis en kerkelijk samenzijn, niet verstoord zien door godsdienstige twistgesprekken.

Ook al heeft de Protestantse Kerk in Ned. Indië in het verleden haar tijden van bloei gekend, zo verried zij toch steeds haar afkomst als „Compagnie” en later „Staats”- kerk. Ja ze heeft niet altijd gevoeld, hoe deze staatszorg een belemmering was voor, haar innerlijke ontwikkeling, want toen het

gouvernement tot tweemaal toe zelfstandigheid aan de kerk aanbood, zodat zij zich beter had kunnen ontplooien, vrij van staatsbemoeienis, heeft de kerk dit geweigerd, omdat zij zich veiliger achtte onder het gouden dak van het gouvernement.

Weinig luisterrijk is deze periode geweest, met te weinig bezinning op haar wezen, ook al is er in die dagen geloof en ijver en trouw geweest bij vele harer leden. 1935 is in de geschiedenis der kerk in Ned. Indië een uiterst belangrijk jaar geworden, omdat toen de administratieve scheiding tussen kerk en staat plaats vond. Nu werd de kerk baas in eigen huis, kreeg ruimte voor organisatie, zocht en vond een nieuwe kerkorde en gevoelde de behoefte te worden „een belijdende kerk”. In 1936 werd op de eerste synode-vergadering in artikel twee van het algemeen reglement, een korte uitspraak geformuleerd. Het fundament der kerk is Jezus Christus” (1 Cor 3 : 11) en in 1939 op de tweede samenkomst der Synode werden de voorgangers bij hun prediking aan het apostolicum gebonden als richtlijn, niet ais belijdenis.

Dit alles was nog zeer vaag en een klare formulering van het geloofsbezit der kerk kon nog niet worden gegeven, maar er was toch een grote opleving merkbaar.

Jeugdwerk, Evangelisatie, sociale arbeid en Christelijk onderwijs, kwamen in het centrum der belangstelling te staan, terwijl liturgische vragen algemeen protestants Kerkblad, herziening van het kerkboek, nieuwe commissies ter bestudering van deze belangrijke onderdelen van het kerkelijk leven in deden stellen. De Synode in ’42 te houden, zou de vruchten van arbeid en overweging op de verschillende onderdelen en terreinen van de vernieuwde Kerk en haar denken, hebben geoogst, ware de oorlog niet gekomen om een plotseling „halt” toe te roepen.

Een geheel ander beeld vertoonde de kerk in de Japanse bezettingstijd, waarover wij u een volgende maal nader hopen in te lichten.. (wordt vervolgd)

E. F. WILDERVANCK. Pred. Prot. K. in N.I.

daar legeren de rijstvelden zich schoon om aan te zien, 'als breed gebouwde treden in ’t licht, of zij bestemd zijn voor de schreden van een ten hemel keerend godenzoon.

Gedienstig valt, over den lagen rand van eiken kronkeligen dijk, het water in ’t volgend vak, en vult met zijn geklater en met zijn glinstering het gansche land.

Uit: Hef Indische land, He Qids 1924 door Jan Prins