is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 3, 12-10-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET KLINKENDE EILAND

De grote en de kleine bestialiteit

Toen ik het in vieren gevouwen, tamelijk grote,' blad carton van de tafel had genomen, het had opengevouwen en een blik geslagen op de in alle opzichten voortreffelijk uitgevoerde plaat, die het bevatte toen dacht ik aanvankelijk dat ik gek was geworden...

Men moet dat laatste vooral heel kinderlijk en heel letterlijk opvatten. En dus niet In die loslippige zin waarin mensen wel eens, al te lichtvaardig en te melodramatisch plegen uit te roepen dat ze ergens gek van worden. Neen, zo was het niet. Ik keek naar het bonte, In onderling zeer goed afgestemde, kleuren gecomponeerde tafreel, en dacht: nu Is het zover; je staat er naast; dit kun je niet meer bijbenen; wel, dit Is het einde... Dat Ik enige bijzondere gemoedsbeweging onderging opwinding, droefheid, boosheid of lets van die aard kan Ik niet zeggen, neen, het was veel simpeler en zakelijker, zoals het ware en vreselijke gek-zljn Immers moet zijn, er Is een kleinigheid verschoven ergens, en die kleinigheid maakt dat je er voortaan naast staat, voorgoed...

Ik vroeg mijn vrouw: „Hoe komt dat ding hier?” Ze zei: „Het lag In die aflevering van Protestantse Kerkbouw die net Is gekomen...” Ze lachte even zachtjes. Toen voelde Ik dat Ik boos begon te worden dit was mijn redding! —; boos op haar, omdat ze me wel even had kunnen voorbereiden op die schok, door enkele prellmlnerende hatelljkheldjes, zoals alleen een vrouw dat kan, oerwijs en genezend reeds voor de slag valt. Maar ze had het niet gedaan. En dus maakte Ik eerst eens flink ruzie met haar. En... zij ging erop In, lenig en flitsend als goed buigzaam staal. Ach, de wijsheid van een vrouw Is, als het gaat om de bedreigingen voor haar man af te wenden, altijd nog veel dieper dan wij ooit zullen kunnen bevroeden. Na twee minuten bleek het ons dat we niet tegen elkaar, maar samen tegen dat andere stonden te tieren. Ze lachte weer. Blijkbaar had ze al die tijd geweten waar ze heen wou. Ze zei: „De blocnote ligt klaar voor je, en de Inkt staat er naast”. Ik zei: „Ditmaal wenste Ik mij liever een weinig vitriool...”

Om misverstand te voorkomen: het blad met de plaat heeft niets met mijn dagelijks werk, de Omroep, uit te staan helemaal niets. Ik weet ook heel zeker dat Ik daar nimmer gek van zal worden. Hoogstens nog wat hoekiger, kwaadaardiger en onbarmhartiger maar niet gek, nimmer. Het gedoe der oude omroepverenigingen, die hel van geldzucht en eerzucht eniger lieden die met ongehoorde brutaliteit ten eigen kleine bate een stuk doodgraverlj aan de Nederlandse geest plegen, kan voorwaar menigmaal enerverend heten, maar gek wordt men er niet van. Ik althans niet. Laat Ik dus even vertellen wat er wel Is te zien op deze plaat, die bij wijze van proef, prospectus, wordt rondgestuurd. Rechtsonder staat een bijschrift. Het luidt: „Daar Ik aan mijn ziekbed gekluisterd was, heb Ik de begrafenis niet kunnen bij wonen van een tiental goede kameraden, die zich schitterend onderscheiden hadden In de strijd

tegen een honderdmaal machtiger vijand, maar men heeft mij verteld hoe aangrijpend deze plechtigheid was. Hoe moe onze terugtrekkende troepen ook waren, hoezeer ze ook onder al hun verliezen geleden hadden, toch vergezelden ze in een lange indrukwekkende stoet deze dapperen naar hun laatste rustplaats”. Ziedaar, dat staat er. Er valt niets op te zeggen, nietwaar? Maar... wat valt er te zién?

In een zeer knap getekend décor van een dorpsplein, dat getoond wordt in een geraffineerd vogelperspectief waar de moderne film peet bij heeft gestaan, uitstekend van kieurverhouding, marcheren... dieren. Allemaal dieren. Gezellige, sympathieke diertjes. Eekhoorns, bruinvellig geboekt en met blauwe uniformjasjes aangedaan. Het leger der eekhoorns, dat opmarcheert voor de laatste eer. Elk eekhoorntje draagt fier een geweer, pardon... een katapult je. Martiaal schouwen de oogjes der pientere en dappere diertjes. Op het pleintje staan de dorpelingen in stille bewondering en... droefenis. Bewondering wegens de verlossende macht der martiale eekhoorntjes, de overwinnaars, die met deze parade hun doden eren. Hun doden? Ja. Want op het dorpspleintje staat wit en eeuwig een standbeeld: het Grote Konijn dat in verre voortijd zich jegens dit konijnendorp heeft verdienstelijk gemaakt en deswege hier nu op een voetstuk troont, diep-ingekeerd, en uit marmer gehouwen door een Konijnen-Rodin het Opperkonijn zogezegd. En onder dit standbeeld der dankbare gedachtenis zijn zes doodkisten geplaatst, „onder bloemkransen bedolven” gelijk de konijnenreporter ongetwijfeld thans bezig is voor Het Konijnenblad te noteren. Het zijn maar eenvoudige kisten, maar wat wil men? Het is oorlog, nietwaar? Oorlog is een hard bedrijf, zelfs voor eekhoorns en konijnen. En dan moet alles wat sobertjes geschieden, zelfs de laatste eer. Vier spijkers door elk deksel heen. Het hout is er wat van gescheurd gezéllig gescheurd. Het is een gek woord, maar ik weet geen beter dat komt zeker omdat ik zoéven een moment heb gedacht zelf gek te zullen worden. Ja, „gezéllig” is hier het woord, dat zich van alle kanten opdringt. Gezellig moet het ook wezen om in zo’n gezellig kistje te liggen. Eekhoorns zijn ook gezellige diertjes. Die in de kistjes liggen zie je natuurlijk niet. Misschien zou dat niet zo’n gezellig gezicht wezen; neen, misschien niet. Maar niemand weet het trouwens en bij zulke gezellige beesten is alles mogelijk. Allicht valt het nog wat mee. Mogelijk zijn het slechts wit-ingesponnen larfj es, gezellig nog in him kleine wit-wollige d00d...

De bloemen zijn echter zo onbetwijfeibaar gezellig als men zich maar, zelfs in een kist liggende, kan wensen. Bloemen die alles goed maken. Zelfs de eekhoorntjes-dood. Zeg het met bloemen, eekhoorns! Laat bloemen uw tolk zijn, konijnen! En voortaan beloof ik u, gij trouwe en gevoelige beesten, als het wederom Kerstmis gaat worden en één uwer ligt gezellig te seuteren in de braadpan op ons

fornuis, dat wij er zulke kransen omheen zullen laten hangen door de kindertjes en als gij uw allerlaatste verblijfplaats zult hebben bereikt, onze maag, dan hangen wij die kransen om onze hals en de gezelligheid kent geen grenzen meer...

Maar zeker, de konijnen zijn bedroefd. De eekhoorns zijn dat ongetwijfeld ook, maar ze laten dat zo niet blijken. Soldatesk, nietwaar? De konijnen zijn dus civiel-bedroefd. Het zijn immers ook hun doden, die daar liggen. De konijnen hebben hun B.S. gehad en die is er ook niet helemaal zonder konijnenvelscheuren afgekomen. De nabestaanden hebben zich in het zwart gestoken en voorts ziet men ook de verderbestaanden de gemeenzame konijnendroefheid aan. Maar natuurlijk, voor die het treft is hèt altijd het beroerdste. Dat is onder de mensen zo, waarom zou het dan onder de dieren anders wezen? Er zijn een paar hoge hoeden en er is een konijnevrouw, die het gezicht helemaal heeft bedekt achter een rouwsluier. Waarom wordt mijn blik altijd maar weer naar dat onzichtbare gezicht achter die sluier getrokken? Waarom kom ik daar steeds weer uit? Waarom probeert mijn fantasie die toch maar armetierig is, vergeleken bij wat hier wordt geboden zich onophoudelijk voor te stellen hoe dat gezicht achter die sluier er toch mag uitzien? Waarom toch? Want er kan immers onmogelijk iets anders achter weg komen dan een doodgewoon konijnensnuit, zij het dan ook een bedróefd konijnensnuit? Waarom heb ik opeens lust om hardop en daverend te Vloeken? Is het omdat mijn fantasie te weinig „konijn” is en dus altijd weer uitkomt bij een vrouwengelaat dat ik goed ken?...

Eens heb ik een uur moeten doormaken waarin een man tegenover me stond, wiens besten vriend ze hadden vermoord. Hij stond tegenover me. 'We stonden pal tegenover elkaar. Hij keek recht in mijn ogen en ik wist wat hij daar zag. Dat andere namelijk. Ik keek recht in zijn ogen, en wist: dadelijk is het zover. Hij zei: „We moesten ze... we moeten...” Er liep een vreemde siddering opeens over zijn gezicht. Zijn gezicht? Wat was zijn gezicht en wat het mijne? En ik zei, hard als glas: „Ja? En wat moeten we ze...?” Het was alsof hij dadelijk zou gaan huilen. Hij? Ik? Toen was het ogenblik er, waarvan ik al wist dat het ophanden was. Er brak iets. Soms zijn er ogenblikken, dat men zeer helder en staalhard weet waarvoor men dominé is. Hij stak zijn handen uit als iemand die het opeens heeft gezien, alles, en nu het gevoel heeft blind te zijn geworden, wendde zich tastend af naar het raam... En ik trok een paar sigaretten uit de zak, gaf hem %r ook één en zei: „Ziezo, laten we nu over den nieuwen mens praten”. Want de schaduw van het Beest, waar dat schrikkelijke en heilzame boek dat Bijbel héét over spreekt, is over ons gevallen —• en na de grote bestialiteit te hebben beleefd is het nu de juiste tijd om in een nieuw en waarlijk verióst gesprek samen over een nieuwe humaniteit te spreken. Want hij die in