is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 5, 26-10-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN NEUTRALE ZOEKT ZIJN WEG

Men kijkt wel eens met heimwee terug naar de tijd toen het zo gemakkelijk leek beslissingen omtrent de richting der buitenlandse politiek te nemen. Wat leek het, in theorie, niet eenvoudig de na-oorlogse staatkunde uit te stippelen: er zou een bond van alle verenigde naties komen, die voldoende geleerd hadden de oorlog te haten en in wier handen de vrede veilig zou zijn. Voor de volken die aan de zijde der overwinnaars aan de tweede wereldoorlog deelnamen, bestond er dan ook in principe geen twijfel aan de nieuwe koers. De ervaring van 1945 heeft dit beeld vrij sterk veranderd. Er bleken tegenstellingen te bestaan tussen de grote mogendheden, die weliswaar ook tijdens de oorlog nimmer afwezig waren geweest maar die toch niet zo waren verzacht en afgeslepen als men gemeend had te mogen verwachten.

Voor de kleine landen is het moeilijk in deze onzekerheid hun koers te vinden. Liefst zouden zij zich natuurlijk oriënteren op de gehoopte collectieve veiligheid die ons was voorgespiegeld, zeker wanneer die gepaard zou kunnen gaan aan een nauwe binding met een grote mogendheid, welker levensstijl niet te ver van de eigene afweek.

Een dergelijke politiek bleek uit de radiorede van minister Van Kleffens in het voorjaar van 1944, waarin hij als Nederland’s taak voorstelde samen met het overige West-Europa het eerste bolwerk van Amerika en Engeland tegen het verslagen maar allicht nog gevaarlijke Duits-

land te zijn. Het spreekt vanzelf dat deze nauwe binding aan de Angelsaksische landen meteen een bondgenootschap impliceren kon tegen een mogendheid die evenals Duitsland tegen Engeland en Amerika de wapens op zóu willen nemen.

Een bijzondere moeilijkheid om positie te kiezen, bestond uiteraard voor de landen die zich, meer door geluk dan door wijsheid, in de afgelopen oorlog neutraal hadden kunnen houden. Van deze tracht Zwitserland, steunend op de sterke onafhankelijkheidswlil van zijn bevolking en zijn goede verdedigingsmogelijkheden, de traditionele neutraliteitspolitiek van vroeger te blijven volgen. Zo heel lastig hoeft dat niet te zijn, daar reeds vaker gebleken is, dat in het algemeen de Zwitserse neutraliteit ook tijdens een oorlog niet slechts voordelig kan wezen voor de oorlogvoerenden, maar ook bepaalde steun aan belligerenten niet in de weg staat.

De positie van Zweden is anders dan die van Zwitserland. Vóór de oorlog maakte Zweden deel uit van het Noorse bondgenootschap, waaraan ook Noorwegen, Denemarken en Finland deel hadden. Deze unie bedoelde in het noorden van Europa de neutraliteit te handhaven tussen eventuële strijdende partijen. Het spreekt vanzelf dat dit loffelijk oogmerk slechts uitvoerbaar was door een krachtige en wel gecoördineerde defensie; en daaraan ontbrak juist zeer veel. Toen de Russen Finland aanvielen, kwamen de anderen met geen andere dan humanitaire hulp; toen

de Duitsers hun invallen in Denemarken en Noorwegen pleegden, konden de Zweden slechts langs slinkse wegen helpen. De grote meerderheid van het Zweedse volk liet er geen twijfel over bestaan, dat zijn sympathie aan de kant der Engelsen was, niet aan die der Duitsers, noch der Russen. Maar men verdroeg geduldig zekere Duitse vernederingen en zag daardoor kans tijdens de oorlog die anderen voerden, zelf een hoge levensstandaard te handhaven en de lijdende buurvolken in menig opzicht te hulp te komen. Wat er in Noorwegen vooral aan geprikkelde stemming jegens Zweden bestond, verdween juist doordat Zweden hielp wat het met handhaving van zijn militaire neutraliteit maar kon. En zo kwam men de oorlog door, onbeschadigd en verwend, maar niet zonder zorg voor de toekomst.

Want behalve door zijn deugdelijke defensie had Zweden zijn neutraliteit gehandhaafd doordat het juist daar gelegen was waar de machtuitstralingen der grote mogendheden elkaar raakten en neutraliseerden. Nu verdween Duitsland als machtsfactor. De Sowjetunie kreeg, met goedvinden van zijn bondgenoten, beslissende invloed in Finland en Polen, behield de vroeger onafhankelijke Baltische staten en bezette Duitslands noordkust tot bijna aan de Deense grens toe, ja, het bevrijdde de top van Noorwegen. Zo zette Rusland zich neer op tal van plaatsen die twee eeuwen geleden buitengebieden van het grote Zweedse rijk waren geweest en die na de vorige wereldoorlog tot de Engelse invloedssfeer gerekend moesten worden. Men maakte zich dus bezorgd dat de westelijke koers waartoe de bevolking zich vrijwel in zijn geheel aangetrokken gevoelt, niet gemakkelijk gevaren kon worden. Men moest met de Sowjetunie rekening houden. Hoe en in welke mate, dat dienden de diplomaten uit te vinden.

In militaire kringen in Zweden gingen op het eind van de oorlog stemmen op om de neutraliteit van vroeger voort te zetten. Het is allicht de reusachtige ontwikkeling der aanvalswapens die de animo hiervoor heeft doen dalen. De regering heeft tenminste niet geaarzeld de eerste de beste kans aan te grijpen om tot de Verenigde Naties toe te treden; de ballotagecommissie heeft geen bezwaren gemaakt. Maar het bleek noodzakelijk een verdere keus te doen, met andere woorden: de houding ten opzichte van de Sowjetunie te bepalen. Het bleek in de afgelopen maanden herhaaldelijk dat die verhouding gespannen was. ledereen heeft gehoord of gelezen van de geheimzinnige luchtraketten, die boven Zweden waargenomen zouden zijn en die toegeschreven werden aan Russen die aan de Baltische en Pommerse kusten experimenteerden met nieuwe wapens en meteen poogden de Zweden bang en murw te maken. Wat hiervan juist is, weet men niet; de Zweedse generale staf heeft onlangs één en ander gedementeerd.

Doch wat politiek moeilijk bleef, werd economisch opgelost. De Russen hebben voor hun nieuwe vijfjarenplan, dat mede het herstel van de verwoeste gebieden omvat, grote behoefte aan machinerieën en electrotechnische apparaten, zoals de intact gebleven Zweedse industrie leveren kan. Van de Amerikanen, die ook aanbieders zijn, nemen de Russen thans liever niets aan niet voor niets hebben de Amerikanen deze week nog op afrekening van de leen- en pachtschulden aangedrongen! Het is duidelijk dat Zweden met het grote handels- en credietverdrag, dat kort geleden met de Sowjetunie gesloten is, een goede beurt kan maken. Een poli-

(Vervolg van pag. 3)

de heren vooral niet bij hun onderzoek die achteruitgang daar in dat verste zijkapelletje? De heren kijken allemaal tegelijk in de waardig aangeduide richting, en snellen vervolgens spoorslags derwaarts. Pastoor terug in zijn biechtstoel. He, he, pff . . . Nodigt zijn gast uit om nu te biechten. Die zegt evenwel, nog steeds stotterend, dat hij er nu maar vandoor zal gaan. „Overigens machtig aardig van U, meneer de pastoor, en wel bedankt . . .” Maar neen, mijn zoon, zo gaat dat niet ze zouden je zo bij de kladden hebben. Tenslotte weet hij hem veilig en wel weg te loodsen, de kerk uit, naar zijn studeerkamer. Daar hangt een grote Christus tegen een donkergroene achtergrond van fluweel. De pastoor geeft zijn gast te eten en te roken, kijkt eens even naar den Christus en besluit bij zichzelf dat het niet fair zou zijn om van deze situatie misbruik te willen maken, met het oog op geestelijke winst zoals dat heet. De ander zit nog steeds in hulpeloze af weer: „leder heeft zo z’n opvattingen, meneer de pastoor . . .”

Dat zegt hij wel tien keer, en vaker. Maar wat pastoor machtig dwars zit is heel iets anders. Hij zoekt naar woorden ervoor, maar kan ze aanvankelijk niet vinden. Eindelijk moet ’t eruit. En hij schuift zijn stoel dicht naar den ander toe, klopt hem op de knie, en zegt een al gespannenheid en mede-conspiratief opeens: „Nou, zeg eens op . . . onder ons . . . hoe was dat met die bom?”—

Dat is het laatste zinnetje van het verhaal, en daarmee is het uit. Het is de klap op de vuurpijl. Het signaal der menselijke herkenning dat opgaat in het duister van

het elkaar-niet-kennen en niet-begrijpen tussen een katholiek en een ander die waarschijnlijk communist of althans in elk geval een geheel buitenkerkelijk man is. De stille Christus op het groen fluweel en de bom hebben te maken met die herkenning.

De berichten die ons uit Frankrijk bereiken wettigen het vermoeden, dat men daar verder is dan bij ons in de doorbraak naar die menselijke herkenning, waar Aragon’s meesterlijk geschreven novelle het over heeft. Dat zal mede daaraan liggen dat men ginds, meer dan hier, altijd het besef heeft gehad, en meer dan ooit heeft, dat het belangrijkste van het Westeuropese herstel niet is gelegen in herstelde bruggen, die weer feestelijk geopend worden en eten dat buiten de bon om overvloediger valt te krijgen. Maar in de geestelijke beslissingen waar om geworsteld moet worden na de doorbraak der eerste herkenning! En wat de pastoors betreft: de Franse katholieken zijn daarmee de onze een flink stuk vooruit. Evenals de Franse dominees de onze. Hun pastoors zijn misschien wel de armste van de hele wereld, maar hun geestelijke onafhankelijkheid heeft daar nimmer onder te lijden gehad. Ik durf niet uit te maken of dit naar de zin is van andere katholieke leiders die zoals de berichten die ons uit West-Duitsland bereiken, aantonen steeds strakker de gevaarlijke lijn der oude verzoeking van de wereldlijke heerschappij wensen te volgen. Maar ik denk dat de stille Christus op het groen fluweel die avond niet ontevreden zal zijn geweest over zijn Frans pastoortje . . .

F. R. A. HENKELS.