is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 7, 09-11-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groeiend Anti-Semitisme

De verschijnselen zijn bekend: Hitler heeft ons hart bevuild met anti-semitisme. Hij heeft zijn beloften gestand gedaan. Als Duitsland ondergaat, zal het Jodendom in zijn val worden meegesleept.

En nu is het Jodendom, ook in Nederland, voor een groot deel vernietigd, nu worden de rustige krantenlezers opgeschrikt door berichten uit Palestina, en nu vinden wij minstens, dat na Hitler, na zoveel haast lichamelijke pijn om het Jodendom, wij toch eigenlijk er van af moesten zijn.

De Jood, dien men tegenkomt, is een herinnering aan diep-donkere jaren, waarin wij ons veel geschaamd hebben. En die herinnering willen wij niet meer, want zij geeft een steek in onze vermoeide ziel. De Jood, die ergens een plaats bekleedt, trekt nu onze aandacht, en, zonder de dreiging van Hitler, gaat men nu snuffelen, of het nu helemaal alleen maar waanzin was, wat Stretcher over den Jood zei. En men zegt tot zichzelf: Kijk die Jood nu toch brutaal doen hij heeft nog praats. Men denkt: ja, hij is toch anders dan wij. Kortom, toen wij in de oorlog voor den Jood opkwamen, was het om geschonden onrecht, om de handhaving van een stuk humaniteit. Maar nu die reden van solidariteit met den Jood niet meer bestaat, nu zijn wij beslipt met de modder, die de nazi-golven hebben achtergelaten. Het anti-semitisme is gegroeid.

Wij hebben dat vreselijke feit onder de ogen te zien. Want vreselijk is het. Vreselijk, óók in de oer-zin van het woord: vreeswekkend van wege de daar achter liggende duistere drang, om het vreemde te haten. Het feit zien wij. Maar wat is de verklaring? Wie nagaat, welke verklaringen er voor gegeven zijn, moet veel diepzinnigs doorploeteren. Die hoort van Christelijke kant, dat het anti-semitisme een verhulde vorm van de haat tegen de Kerk is. Want, zegt men, de „wereld” kan niet vergeten, dat het Jodendom Jezus Christus en Zijn Kerk heeft voortgebracht. Deze stelling schijnt bewezen te worden door het feit, dat Jodenvervolging en Kerkvervolging door den Nazi gelijktijdig bedreven werd. Ik zet echter een vraagteken. Anti-semitisme is een eeuwenoud verschijnsel. De middeleeuwen, toen de Kerk allerminst voorwerp van haat was, zijn de tijden van woede-uitbarstingen tegen het Jodendom. De argumenten, waarom de Jood vervolgd werd, zijn verschillend. Nu eens is ’t, omdat hij Christus niet wilde erkennen als Messias, dan weer omdat hij economisch zulk een macht had, soms, omdat hij een vreemd element in de volksgemeenschap is, en laatstelijk, omdat hij van een vreemd ras is. Meestal spelen alle argumenten een rol, maar domineert nu eens deze, dan weer gene.

Daarom doen wij goed, alle diepzinnige verklaringen, die alles tot één oorzaak willen terugbrengen, wantrouwend aan te zien, en te constateren, dat klaarblijkelijk steeds het vreemde, het andere, het onbekende mateloos irriteert. Een geprikkeldheid, die tot psychopathische vormen kan geraken in omstandigheden, waarin de ziel moede, onzeker is. De ziel van een mens. De „ziel” van een volk.

Maar hoe komen wij er af? Ach, persoonlijk van deze gevoelens af komen, gaat zeker. Wij zijn reeds voor een stuk genezen.

als wij de oorzaak van onze geprikkeldheden tegen den Jood kennen. Als wij begrijpen, dat het onze huiver van het vreemde is. Huiver, die zowel afstotend als aantrekkend werkt. Wij moeten vertrouwelijk met het vreemde worden. Vertrouwelijk, niet in die zin, dat wij het ons zonder meer eigen maken, maar wel zo, dat wij dat vreemde herkennen als een teken van mysterieuze rijkdom, beter van de rijkdom van den Mysterieuze.

En wat voor onszelf geldt, is ook waar voor geheel een volk. Maar zulk een inzicht, zulk een geloof is moeilijk te propageren. Het vloeit voort uit een dieper besef, een wèlgevormd religieus inzicht. Daarom durf ik de stelling te poneren, dat slechts een gemeenschap, die weet heeft van God, verlost zal worden van haar anti-semitisme.

* * * Weet hebben van God Het is, alsof duivelen losbreken, als dat woord genoemd wordt. Bedoelen wij Hitler’s God, of Aliah, of Deus sive Natura? Neen. Dan bedoelen wij zeer bepaaidelijk den God, die een gordijn heeft terzijde geschoven op de dag van de kruisiging. D.w.z. God, die ons iets maar dat iets is zeer veel onthult van Zijn wezen in Jezus, die timmerman èn gezalfde was. Wij hebben ja gezegd op die onthulling. Een aarzelend, verwonderlijk ja, ook al zeiden wij het nog zo krachtig. Ziet, dè,t weet hebben bedoel ik, en dat betekent, dat ik nu verder in het verschijnen van het onbekende, het aanvankelijk huiveringwekkende een teken zie van de rijkdom van Mysterieuze. Dat

maakt, dat het huiveringwekkende, d.w.z. het anti-semitisme verdwijnt en het vertrouwen in het vreemde daarvoor in de plaats komt. Zeer positief. Onschokbaar.

Wat moeten wij daarbij denken van de z.g. Jodenzending? Reeds een eeuw oud zijn de georganiseerde pogingen in Europa, om den Jood tot Christus te brengen. Reeds meer dan honderd jaar is het opvallend, hoe moeilijk het terrein is. Nu zou de Jodenzending juist het middel moeten zijn, om den Christen den Jood te leren kennen, om het terrein te verschaffen, waarop de problemen aangaande het Jodendom aan het licht kwamen. Zij is dat ternauwernood geweest. De weerstanden waren sterk, niet alleen bij de Joden, maar ook bij de Christenen. Het woord zending wekte gedachten aan „zwartjes” en beschavingsarbeid. Het Jodendom kon niet, ook naar christelijk besef, niet in het kader van de „andere godsdiensten” geperst worden Thans heeft men dit wel beseft, maar een traditie is machtig.

Daarom zou het zin hebben, juist vanwege het opdringend anti-semitisme, wanneer kernen van verontrusten, mensen, die geen zeloten zijn. Joden èn niet-Joden, zich verenigden, om in open, maar langdurig en volhardend onderhoud, zich voor de vraag te stelien, wie men is, wat men gelooft en wat de een den ander te zeggen heeft. De Christen mag geloven, dat de waarheid daarbij aan het licht zal komen. Hij mag het geloven. Maar hij zal het niet mogen suggereren. Want hij zal weten, dat het geheim van de waarheid is, dat zij niet opgelegd, maar in wachten ontvangen wordt.

Zulk een kern zou Bentveld kunnen zijn: En Bentveid zou daardoor nóg meer een gezegend oord kunnen worden. L. H. RUITENBERG.

DE TECHNISCHE HULPMIDDELEN VOOR DEN COMPONIST VAN AMUSEMENTSMUZIEK

Amusementsmuziek heeft vooral de bedoeling, zekere gedachten bij den toehoorder op te wekken, en een bepaaide sfeer voelbaar te maken. Als het tenminste goede amusementsmuziek is

Het spreekt vanzelf, dat dit afhankelijk is van het ter beschikking staande vocale en instrumentale materiaal. Het is echter ook van belang te weten, op welke wijze de geboden mogelijkheden benut worden, dit is het onderwerp van dit stukje.

Edm. Haraucourt, een Frans schrijver, die in een van zijn latere werken, „Daah de Oermens” o.a. in een hoofdstuk van dit werk het probleem behandelt, hoe de muziek ontstaan is bij den onbeschaafden mens, geeft als zijn mening, dat de eerste zang imitatie was van natuurgeluiden. Dit is voor de hand liggend. Doch ik geloof, dat al heel spoedig sprake is van een tendentieuze imitatie.

Om belangrijke zaken te onthouden gebruikt men een hulpmiddel: ’n klank of een beeld kan herinneringen oproepen. Van deze eigenschap maakt de muziek gebruik door het weergeven van bijgeluiden, die met het onderwerp in verband staan, en door enkele directe tonen, welke meestal een motief vormen: de gedachte zelf.

Misschien dat u begint te lachen, als ik hier als voorbeeld het z.g. jodelen aanhaal. Het is jammer, dat er ook op dit gebied

humbug is. Ik bedoel in dit verband het oorspronkelijke volkslied. Men hoort, ook als die niet gezongen wordt, de echo, omdat de tonen zodanig achter elkaar volgen, dat men zelfs in kleine ruimten ’n echo meent te horen men krijgt het gevoel in ’n berglandschap te zijn, en door de inderdaad duizelingwekkende opeenvolging van tonen ontstaat de gedachte, dat men tegen ’n hoogte opkijkt. Marsmuziek is bedoeld, om het lopen te vergemakkelijken. Dat het wel eens op begrafenismuziek lijkt, ligt aan het veronachtzamen van de uitdrukkingsmiddelen. Bij goede marsmuziek krijgt men door afwisseling van vlugge loopjes en langer aangehouden tonen dezelfde afwisseling die onze geest ondergaat, als wij bij het wandelen naar het landschap kijken; de wisselende wolken aan de horizon, het oprijzen van bomen in de verte, en de hekjes en andere voorwerpen, die vlak bij ons zijn, en snel voorbijglijden.

De instrumentatie is met deze methoden in overeenstemming: door verschillende instrumenten worden bepaalde effecten teweeg gebracht, die betrekking hebben op de sfeer.

Dit kan op twee manieren gebeuren: Door afwisseling van instrumenten, of zorgvuldige bespeling van een enkel instrument. In hoeverre de speler hier kan in-