is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 7, 09-11-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onvoltooid tegenwoordige tijd

Vrienden hebben me gehoond, omdat ik een krant lees, die twaalf uren achter loopt bij andere kranten. Ik ben toen begonnen met mijn lijfblad te verdedigen, maar mijn pleidooi liep, via een misprijzing van al het actuele, uit op verraad; „wat mij betreft, mag de regering met ingang van morgen de papiertoewijzing aan alle kranten halveren, de wereld zal daar geen haar minder van worden.”

Dat zijn van die boute uitspraken, geuit in de hitte van het gevecht, die later herziening behoeven. Wat er, na rustige overweging, van mijn bezwaren overblijft, wil ik U voorleggen.

Het was mij erom te doen, aan te tonen hoe betrekkelijk de waarde is van het actuele. De dagbladpers is niet het enige, maar wel een van de voornaamste monumenten, die wij, in onze zucht naar het actuele, hebben opgericht. Kranten zijn in menig opzicht onmisbaar. Ik zal mij er daarom wel voor wachten, de krant in haar algemeenheid aan te vallen, ik wil slechts spreken over die trek van de krant die tegemoetkomt aan ons verlangen naar actualiteit.

Als de krant eenmaal in de bus ligt, hebben we geen rust meer. Er is ook haast bij dat wij haar lezen, want het meeste dat erin staat is nog eerder oudbakken dan brood. Geen burger, die zichzelf respecteert, leest een krant nog als het volgende nummer van dat blad inmiddels verschenen is. Maar waartoe dan al dat nieuws? Donderdag: Molotof is uit zijn maakt op de Parijse conferentie een paar zure opmerkingen. Mooi zo: dat wordt gestenografeerd, van commentaar voorzien, geseind, gedrukt, verzonden. Vóór gezegde Donderdag ten einde is, weten we van Tokio tot San Francisco hoe slecht het humeur van Molotof was en welke uitzonderlijke draagwijdte dit heeft voor de wereldpolitiek. Vrijdag: Byrnes bestrijdt de stekelige uitlatingen van Molotof, die vandaag juist vrij zonnig is. Mooi zo: stenograferen, toelichten, seinen, drukken; en voor de Vrijdag ten einde is We éten, pardon we vréten nieuws met zijn achttienhonderd miljoenen.

Waarom zijn we zo tuk op nieuws? Fanatieke belangstelling voor het wereldgebeuren? We weten beter: laat de koppen weg en maar weinigen lezen een belangrijk bericht of verslag. Nieuwsgierigheid dan? Dat klopt beter. Zoals we met belangstelling van den bakker horen, dat bij de buren een ruit is stukgewaaid, zo hebben wij ook trek in nieuws dat van zoveel verder per krant tot ons komt. Verder streelt het onze eigenwaarde, als we eerder dan een ander iets weten. We vertellen graag een nieuwtje; dat het zaliger is te geven dan te ontvangen, ontmoet hier althans geen tegenspraak

Daar komt bij een onbestemd gevoel, dat wat het nieuwste, het verst in de tijd is, ook het nieuwste is naar de geest. Een vergissing, die voortkomt uit een andere: wij kunnen er nog altijd niet van loskomen, dat stoffelijke vooruitgang geen bewijs is voor, geen manifestatie van geestelijke vooruitgang. In het stoffelijke denken we; wat zou de tijd van de trekschuit te zeggen hebben tot ons, die in een week de wereld rond vliegen? Terécht, vliegtuigontwerpen zullen wij vergeefs bij onze voorouders zoeken. Op technisch gebied is

inderdaad het nieuwste ook het verste. Op geestelijk gebied geenszins, zoals de oorlog leder zou hebben kunnen leren, die het voordien nog niet wist. Voor het niveau van ons geestelijk leven, voor het cultuurpeil steekt er maar al te veel waarheid in de verzuchting van den Prediker: er is niets nieuws onder de zon. |

Tenslotte: voor zover we niet tuk zijn op nieuws, tracht de krant het ons te mdken. Het gedrukte nieuwtje is gewichtig en het wordt ons als zó bewonderenswaardig, tragisch of buitenissig aangediend, het wordt zó smakelijk opgedist, dat we in de verzoeking komen, maar dóór te lezen.

Nu kan een mens maar één ding tegelijk doen. Wie een hele avond bezig is, actualiteiten in zich op te nemen, heeft niet ook nog de tijd voor een boek. Dit dwingt ons tot een vergelijking tussen krant en boek, De boekdrukkunst heeft de geestelijke schatten van de wereld binnen ons bereik gebracht in een mate, als niet eerder het geval was. Wat een genot, bijvoorbeeld om een boek te lezen, dat van zoveel belang is, dat het de aandacht van de mensen al enige eeuwen heeft geboeid. Een boek ontstaan wie weet na wat voor gigantische worsteling in het brein van een van de zeer begenadigden. En wat doen we? We pakken de krant en vullen onze spaarzame uren door te lezen wat middelmatige medeburgers soms sneller gedacht en neergeschreven hebben dan wij het lezen kunnen.

Ik voel, dat bekwame en hoogstaande journalisten dit een grievende en onrechtvaardige vergelijking kunnen noemen. Dat zou zo zijn, als ik hun de schuld gaf van het feit, dat ze niet alle dagen een krant produceren, waarvan elk woord even gewichtig is als een woord van Shakespeare,

Dat doe ik niet. Het is niet, of maar zeer ten dele, hun toeleg, dat de krant in concurrentie is getreden met boeken van hoog plan, maar het is er niet minder een feit om. En dat is ernstig, want het gehalte aan wijsheid en waarheid van de „onvoltooid tegenwoordige tijd” in onze krant staat in geen verhouding tot dat in een goed boek.

Met dat al bedoel ik niet, het kluizenaarschap te prediken. Wie zich in het verleden begraaft, verzaakt zijn „lidmaatschap” van de beschaving. Er is je één leven gegeven, De weinige jaren, dat je op het toneel bent, ben je er mede verantwoordelijk voor, dat het spel goed, eerlijk of draaglijk is.

Maar ik meen dat er in deze tijd te veel mensen zijn, ook onder de onzen, die zich gedrukt voelen door een zware plicht, in kranten en tijdschriften een eindeloos aantal besprekingen, conflicten, gebeurtenissen te volgen, te veel om rustig te verwerken. Ze zijn als de treinreiziger, die van het vlakbije niets wil missen: in bonte 'opvolging vliegen bomen, sloten, huizen en hekken langs hem heen. Hij ziet véél, maar moet het zó weer vergeten zijn. Als we uitsluitend naar de eigen tijd kijken, lopen we kans, onze weerstand te verliezen tegen de grillen en misvattingen die onze tijd kent zogoed als elke andere. Ons evenwicht en onze waardigheid lijden daaronder. Wij verliezen het contact met vroeger eeuwen en snijden belangrijke traditie-wortels af.

Daarom houd ik het met den reiziger, die op zijn tijd in het verschiet tuurt. Een uitzicht naar achteren, of ook naar voren, is minder bont, maar werkt in zijn gestadigheid veel dieper op ons in. Het wordt een stuk van ons zelf.

Heus, je wordt geen minder goed burger als je de krant eens laat liggen voor een mooi boek. Al is die krant zo nieuw, dat zij nog stinkt naar de drukinkt. En al ware dat boek zo oud, dat het papier vergeeld is en de bladzijden beduimeld zijn door Uw voorouders.

D. TINBERGEN.

Lees dit ook!

De redactie ontving de volgende brief en zij krijgt er meer zo:

„Mijne Heren, In verband met een zeer drastische beperking van mijn Inkomsten, ben Ik tot mijn grote spijt genoodzaakt mijn abonnement op „Tijd en Taak” op te zeggen. Ik kan echter niet nalaten bij deze gelegenheid van mijn grote waardering voor de Inhoud van „Tijd en Taak” te getuigen en Ik kan mijn gevoelens wellicht het beste tot uiting doen komen door de eenvoudige woorden: „Ik heb heel veel aan „Tijd en Taak” gehad!” Het Is me dan ook te moede, alsof Ik van een trouwen vriend afscheid moet nemen, met deze troost echter, dat Ik hem zal weerzien, zodra de omstandigheden dit mogelijk maken.

Ik hoop, dat u met dezelfde toewijding uw misschien niet zeer In het oog lopend, maar mooi en nuttig werk tot In lengte van dagen zult kunnen voortzetten, opdat, mede dank zij u, de wereld eens een aanlokkelijker aspect zal bieden dan thans het geval Is. Wat mij zelf nog betreft: als nlet-Chrlsten heb Ik voor mijn vriendschappelijke (het woord Is wellicht In dit verband enigszins vreemd, maar Ik weet zo gauw geen beter)

gezindheid tegenover het Christendom zeer veel aan T. en T. te danken. In de eerste plaats zal T. en T. echter altijd bij mij verbonden blijven met de vertroostende gedachte, dat er steeds nog mensen zijn, die, onbeïnvloed door de schijn der dingen, steeds weer streven naar het ware, het goede...”

Moeten we nog uitleggen waarom we deze brief afdrukken? Zeker, het doet ons goed te horen, dat ons blad gewaardeerd wordt, maar, ziet u, ’t begin van de brief kunnen we niet vergeten. Het leven Is duur. Velen moeten bezuinigen op uitgaven voor ontspanning en geestelijke ontwikkeling. Een abonnement op T. en T. Is geen luxe en toch kan menigeen het niet betalen. Na onze oproep „Een goed Idee” kregen we stapels oude nummers toegezonden en nog steeds krijgen we bundeltjes oude nummers. Sommige lezers zenden nu wekelijks hun nummer door naar een ander, wij verzonden al enige malen naar de Tljdschrlftcentrale van het Rode Kruis In Den Haag en naar bewarlngskampen. Van de geestelijke verzorgers van enige van die kampen kregen we brieven, waarin dringend om oude nummers voor de gedetineerden werd gevraagd. Wie zijn gelezen blad wil doorgeven, maar geen adres weet, of wie een cadeau-abonnement wil geven, rlchte zich tot het redactle-secretarlaat (met postzegel voor antwoord!). Hier ligt een mogelijkheid voor een waardevol Sinterklaasgeschenk aan een onbekende I