is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 10, 30-11-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den Heer behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

»i^.L

ZATERDAG 30 NOVEMBER 1946 No. 10

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

ONDER REDACTIE VAN Prof. Dr, W. BANNING; Ds. J. J. BUSKES Jr EN Ds, L. H. RUITENBERG. SECRETARIS DER REDACTIE-J. G. BOMHOFF, ROERSTRAAT 48 111, AMSTERDAM (Z) TEL 24386

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 45ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

H.25, KWARTAAL f 2.30 PLUS f 0.15 INCASSO. LOSSE NUMMERS f 0.15 POSTGIRO 21876 – GEMEENTE GIRO V 4500 ADMINISTRATIE: N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15. AMSTERDAM-CENTRUM

INDONESIË

/ EN WIJ HIER

Merkwaardig: ik onderga de berichten uit Indonesië met diepe vreugde. Ik vind het meer dan verwacht mocht worden. Stel je voor: een ontwakend Oosten, jarenlang gerommel, Digoel-kampen, een oorlog, waarin de voosheid van het militaire gezag en de uiterlijke macht van de Ned. Indische Regering bleek. Daarna drie jaren bezetting door Japanners, oosterlingen. De spanningen kwamen, de be vrij ding gaf gelegenheid aan nationaiisten om hun kans te nemen, aan terroristen, om bloed te ruiken en aan de Republiek om zich te consolideren. De internationale positie is zo, dat men alleen maar volstrekte losmaking kon verwachten, gestuwd door verbittering over geleden onrecht van honderden jaren. Het betoog, dat er iets groots werd verricht, maakt alleen maar indruk op hen, die westerse maatstaven aanleggen. Men kan volhouden, dat de duurzame band hoe dan ook staatkundig uitgedrukt het beste is voor Indonesië, maar dat is een ietwat academisch betoog. Men kan van een dogma van bijbelse gezagsverhoudingen uit de dynamiek van het Oösten rebels noemen, dit dogma maakt op Mohammedanen èn ook op Indonesische Christenen merkwaardig weinig indruk.

Wat wij dus redelijkerwijs konden verwachten was een definitief en smartelijk einde van de eeuwenoude verhouding tussen Nederland en Insulinde. Het zou des te smartelijker zijn, naarmate de 16e eeuwse geest van Coen meer gestalte kreeg in de regeerders en men tegen een ontwaakt millioenenvolk, ver van het moederland te midden van een gistende wereld, zou gaan vechten. Daar kon men diep-beangst voor zijn, want geschiedenisboekjes met korte zinnen en probleemloze schema’s laten niet na, indruk te maken op de ziel van een volk.

Een vechten, dat, indien het wat ondenkbaar was door Nederland gewonnen werd, onherstelbare' wonden zou hebben geslagen en dat, bij verlies, Nederland aan gezag tegenover andere naties zou doen inboeten.

Dit alles is niet geschied. En dat is een... neen, ik zeg niet: een wonder, maar wel: een vreugdevolle verrassing. Want nu mogen wij beleven, dat vormen geschapen worden, waardoor Nederland in de harten

van millioenenvolken tot ontwaking gekomen door het westen niet een symbool blijft van westerse machtsaanmatiging, maar óók van westerse geestelijke en culturele dienstbaarheid. Op het culturele congres van de P. v. d. A. heeft kort en zéér indringend de Indonesiër Resink gesproken, opwekkend tot aanpakken juist van deze culturele taak. En hij oogstte een storm van applaus, omdat hij een visie bood. Neen, de vreugde om het verloop in Indonesië komt niet alleen, omdat moeders niet om hun zonen behoeven te schreien, ofschoon ik zo’n opmerking niet als sentimenteel afwijs. Er is vreugde, omdat wij een nieuwe kans en een nieuwe taak krijgen, nu de oude, die steeds meer op innerlijk verzet bij grote groepen van Nederlanders stiet, duidelijk voorgoed ten einde is.

Zo oordeel ik, en het komt mij heel logisch voor. Maar nu beweeg ik mij temidden van allerlei mensen en merk, tot mijn verbazing, dat anderen het niet zo eenvoudig vinden, ja, diep verbolgen zijn. Er zijn er zelfs, die van verraad spreken. Zij doen boos, spreken over slappe Engelsen, over Soekarno, die met de Jappen werkte, roepen de schim van Coen op, zijn bezorgd over het lot der „inlanders”, die nu al onze zegeningen zullen gaan ontberen, spreken van lotsverbondenheid, historische opdracht, over revolutie, die het Evangelie tegenstaat. Kortom, Nederlanders, die dezelfde schoolboekjes lezen, dezelfde kranten in huis krijgen, dezelfde lucht ademden en dezelfde voordelen van Nederlands koloniale positie genoten, ja, dezelfde Bijbel in huis hebben, als ik, oordelen totaal anders, en zij worden in het diepst van hun ziel bewogen.

Dat nu beweegt mij. Niet hun argumenten. Die begrijp ik ternauwernood, ofschoon ik „Trouw” trouw lees en mij ook wel eens aan „Elsevier” te buiten ga. Neen: hun felheid raakt mij. En ik vraag mij af, vanwaar dit verschil komt. Ben ik dommer dan zij? Of omgekeerd? Ach, deze geestelijke gave zal wel ongeveer gelijkelijk verdeeld zijn, ofschoon het moeite kost, dat te erkennen.

Het verschil zit mij, denk ik, hierin, dat hier sprake is van een levenskeuze. Wie kiest voor het waarnemen van de dyna-

miek van het wereldgebeuren, aanvaardt gemakkelijk veranderingen. Maar wie de wacht betrekt bij eeuwige principes, zal deze dynamiek die op zichzelf onmiskenbaar is pogen te vatten èn te winnen in een „principieel” verantwoord schema. Voor sommigen van hen is de Bijbel het boek, waaraan men deze principes ontleent om de dynamiek (ander woord voor revolutie) mee te beteugelen. Voor anderen levert het verleden het materiaal om de toekomst mee te leiden. Voor weer anderen is het voordeel van vroeger, omtoverd met de glans van onbaatzuchtigheid, tevens de richtlijn van vandaag en morgen.

In ken het gevaar van het woord dynamiek, waarvoor ik kies. Ik weet, dat, wie zich uitsluitend bepaalt tot het waarnemen en aanvaarden daarvan, er aan wordt onderworpen. Wie er echter midden in gaat staan met zijn getuigend geloof, dat juist door dat getuigen een grote vormkracht heeft, zal een sterk tegenwicht hebben. Is het zo welicht te verstaan, dat d.e Zending in Nederland met zulk een hartstocht vóór de huidige regeringskoers kiest?

Nu is er bij dit alles iets, wat mij benauwt. Dit: ons volk wordt verdeeld in twee kampen. Het ene wil de wettige weg, het andere is blij als er nog een band blijft. Het gevaar is thans, dat deze tegenstelling zó gaat domineren, dat een nieuwe houding tegenover Indonesië niet zal ontstaan. De ene groep, geprikkeld door wat zij als nederlaag voelt, zal zich terugtrekken, de andere loopt de kans, uit begrijpelijke eerbied voor een nieuw zich ontwikkelend Indonesisch staatsbeleid, zich afzijdig te houden. Maar alleen een derde houding is verantwoord. Deze: dat men een nieuwe, niet op de economie, maar op de cultuur gerichte belangstelling krijgt. Bij de dienst die Nederland nog vele jaren kan leveren, zullen nieuwe mensen moeten worden geschoold. Mensen, die verlangen om de Indonesische samenleving cultureel-geestelijk en onder dat gezichtspunt ook sociaal-economisch te dienen. Het is alweer de Zending, waar ik deze mentaliteit het beste aanwezig acht.

Dit alles zal niet makkelijk zijn in het jonge nationalisme, waarin het totalitaire Mohammedanisme een grote rol speelt. Maar het zou beschamend zijn voor 350 jaar Nederlands bestuur, indien van Indonesië uit niet eerlijke verlangens zouden komen naar hulp, maar nu op een volstrekt ander plan, dan in het koloniale tijdperk. En het zou nóg beschamender zijn voor ons, indien wij deze krachten niet konden leveren.

Met deze gedachten mogen wij hier, dunkt mij, de dagen der vrede-sluiting begeleiden. L. H. RUITENBERG.