is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 11, 07-12-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iPoot l/l/eót- TPuLtóland

Een week geleden bevond ik mij al een paar uur op Duits grondgebied. Ik maakte deel uit van de missie van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, die tot taak had op een paar plaatsen in de Britse zone van Duitsland naar bepaalde delen van de archieven van het voormalige Rijkscommissariaat te speuren (dat dit werk niet zonder resultaat is gebleven zullen de lezers reeds uit de krant vernomen hebben). Een verblijf van vier dagen in een vreemd land is niet veel; ik zou er niet over denken mijn indrukken hier te beschrijven, als ik niet het gevoel had toch wel veel te hebben gezien en opgemerkt dat de voorstelling die ik tevoren van de situatie in Duitsland had enerzijds bevestigde, anderzijds corrigeerde.

Op een sombere Zondagmiddag achterin November reden we Duitsland binnen. Zulke dagen dragen er niet toe bij de wereld een aantrekkelijk uiterlijk te geven en daardoor was misschien die eerste indruk: „Wat een typische Zondag onder de bezetting” geforceerd. Maar iets ervan bleef voortdurend hangen, n.l. het gevoel dat het merendeel van de mensen in de Engelse zone, die we op straat ontmoetten (ook op werkdagen) een vrij stuurloos en nutteloos leven leidt. De overgang van de oorlogstoestand tot de bezetting is te groot geweest. Men voelde de bezetting tegelijkertijd als een vernedering en een opluchting, als een smadelijk einde en een hoopvol begin. Zij bracht het eind van het nationaal-socialisme en van de autoritaire staat, maar daarmee waren de Duitsers nog allesbehalve rijp voor democratie en zelfbestuur. Die eisen immers individueel verantwoordelijkheidsbesef voor een groter geheel dan de onmiddellijke eigen omgeving is, en een sterke zelftucht. Maar wie kan daarover beschikken, wanneer hij aan het einde van een uitputtende oorlog overal verwarring, verwoesting en onzekerheid ontwaart? In plaats van de chaotische samenleving opnieuw te organiseren, hebben de Engelse bezetters aan de krachten die in deze chaos werkten vrij spel gelaten. Het gevolg is dat elkeen doet wat zijn hand te doen vindt, niet wat voor het algemeen welzijn nuttig zou wezen. Wij ontmoetten archivarissen, die zich in

hun ongeschonden archieven te midden van niet eindigende ruïnestraten opnieuw op de bestudering van ver afgelegen gelukkiger tijden geworpen hadden; wij sloegen justitiële ambtenaren in een kleine plaats gade die, ongehinderd door de nederlaag,, hun werk voortzetten. Wij zagen boren op het land en, door het Roergebied rijdend, ontwaarden wij het roken van menige fabriek. Er wordt wel gewerkt. Maar heel veel zagen wij het doelloos geslenter van jonge mannen, die kennelijk uit dienst ontslagen waren en nooit een vak geleerd hadden. Velen liepen met tassen rond, allicht mensen die in de al of niet zwarte handel waren gevlucht. En verder de vrouwen, boodschappen doend, op karretjes eten en hout zoekend, of staande in lange rijen voor de bakkerswinkels.

Voorzover wij dat als vluchtige passanten konden gadeslaan, is het leven in West-Duitsland onaangenaam. Op het platteland gemakkelijker dan in de stad, doordat men daar dichter bij de bronnen der levensmiddelen is en veel minder te lijden heeft gehad van de bombardementen; bovendien is in de verwoeste steden het verwarmingsprobleem veel urgenter. Hongersnood is een te groot woord; er is genoeg te eten om erop te blijven leven, maar al wat het leven en het leven prettiger maakt, ontbreekt. En het erge is de afwezigheid

van perspectief. De mensen zien er vaal, goor, bezorgd en moe uit, maar over het algemeen nog netjes in de kleren en op goed schoeisel. Dat is echter geen teken van welstand, maar van beginnende achteruitgang. Men heeft het daar tijdens de oorlog beter gehad dan hier, nu teert men op zijn reserves. Ook financiëel, want veel leeglopers maken hun spaargeld op.

De Engelsen vatten hun taak als bezetters kennelijk op als controlerende, niet een bestuurlijke. Dat lijkt mij in de huidige omstandigheden fataal. Het Duitse volk is uiteengevallen in een ordeloze hoop egocentrische individuen die elk voor zich pogen zich door het zware leven heen te slaan. De ordenende hand van een bezetter die hen gezamenlijk aan nuttig bouwwerk zet, ontbreekt; vanzelf worden deze mensen aldus rijp voor tijdelijke samenbundelingen in een door demagogen geleide massa; een dergelijk demagogisch karakter kan men althans reeds de nieuwe Duitse pers niet geheel ontzeggen.

Het is intussen begrijpelijk dat de Engelsen handelen zoals zij doen. Leiding geven aan de opbouw van een nieuw Duitsland vereist allereerst klaarheid van poli-

DE WERELD SPREEK

Een Russische sproekjesfilm

Spreekt de wereld uit de film? Zijn bepaalde de béste producten der. cinematografie typerend voor een volk, wiens kunstenaars voor deze rolprenten verantwoordelijk zijn? Laat ons hopen, dat dit niet stééds het geval is. Anders zouden wij moeten veronderstellen, dat „Hollywood” kentekenend is voor de geestesgesteldheid van het Amerikaanse volk. Maar zó erg, dunkt ons, kan het ginds niet zijn Zó erg, dit is ondanks alles onze overtuiging, kan alleen de vernietigende profijtzucht van machtige droomfabrikanten zijn.

Amerikaanse film-managers, die een reis door Europa hebben gemaakt, rapporteerden, dat de nieuwste rolprenten uit de ateliers van Hollywood niet zo klakkeloos meer worden geaccepteerd als de voor-oorlogse producten uit USA. En als hun mening geven zij te kennen, dat het Europese publiek door de nood van de oorlogsjaren rijper is geworden.

In elk geval staat vast, dat nu, niet minder dan vóór de oorlog, de Russische films door zeer velen geestdriftig worden ontvangen. De Russen hebben ’t is bijna weer een kwart eeuw geleden de massa als de meest boeiende film-subjecten ontdekt; en deze massa vormt hier niet, als in de „grootse super- super-filmwerken” van Amerikaanse makelij (of een enkele uit Engeland, als de monsterachtige „Caesar en Cleopatra”), een meer of minder kleurig décor, een schitterende achtergrond, om den „held” des te nadrukkelijker op de voorgrond te kunnen plaatsen. De massa in de goede oude Russische films is actief mede-speler, is held.

Uit de Russische films spreekt telkens weer het Slavische element. Soms zijn zij traag. Maar deze traagheid van bewegingen en fabel hoe sterker is zij en meeslepender dan al die gejaagde en jagende Hollywood-producten.

Neem een of andere Amerikaanse rolprent, die ons zogenaamd een verhaal van een menselijk drama wil vertellen en vergelijk deze film met de Russische „Kameraad P”, van Ermler, waarin „propaganda” gemaakt wordt, waarin de Duitsers duivels zijn, die door dappere partisanen met wellust afgemaakt worden. Hoeveel menselijker is dan, ondanks alle zwart-wittekening, deze Russenfilm. En ondanks het feit, dat wij reeds meerdere films hebben gezien> die hetzelfde gegeven bewerkt hebben, dwingt ons „Kameraad F” weer in haar ban, komen we niet los van deze gezichten, van deze jonge vrouw, wier man en kind door de Duitse soldateska vermoord werden en die zich tot de leidster van een partisanen-groep ontwikkelt. Ja, een simpel gegeven, ja kinderlijk maar diep ontroerend. Vergeten? Misschien vergeven maar vergeten? En waarom zouden de Russen andere films maken? Hebben zij de Duitsers anders dan als verscheurende beesten leren kennen?

„De Regenboog” heb ik gezien en de Deense „Rode Aarde”; en terwijl maar weinig uit de zeer goede Deense film in mijn herinnering is gebleven, zullen enkele taferelen uit de primitieve „Regenboog” mij nooit verlaten. De Russische film is kinderlijk, naïef en in deze kinderlijke naïveteit vaak groots: als de Slavische ziel.

En zo is ook „De Stenen Bloem”, de Russische kleurenfilm, die voor Kerstmis in de Nederlandse bioscopen vertoond zal worden. Het scenario berust op volkslegenden uit de Oeral, uit de jaren van de lijfeigenschap.

Er was eens een oude steensnijder. Daar hij ziek werd, moest voor goede opvolgers worden gezorgd. Niet terwille van de kunst, maar terwille van den baas, die steeds rijker wil worden. Danila, de jongen, de in zich gekeerde dromer, is de enige, die het