is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 12, 14-12-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IEÏ VAM=MPPOET

In de afgelopen week heeft het bestuur van de VARA het rapport over het Omroepvraagstuk en de verhouding Partij van de Arbeid-VARA aan de pers aangeboden.

De commissie, die dit rapport uitbracht, was samengesteld uit leden van de Partij van de Arbeid, die op het punt van de organisatie van de Omroep verschillend dachten. Persoonlijk heb ik mogen medewerken ais voorstander van een nationale omroep.

De besprekingen, die in een goede toon gehouden werden, hebben mij veel geleerd.

Zij hebben mij geleerd, dat het radiobedrijf een grote deskundigheid eist. Een deskundigheid, die men pas verkrijgt door zelf zeer intens deel te hebben aan het bedrijf.

Zij hebben mij tevens de stellige indruk gegeven, dat het de VARA grote ernst is, wanneer zij zegt, een democratische luisteraarsorganisatie te zijn, die in goed contact wil leven met haar leden. Intussen kan ik de gedachte niet van mij af zetten, dat hierin de VARA een gunstige uitzondering onder de Grote Vier is. De KRO is een stichting, geen democratische vereniging. De AVRO is organisatorisch opgebouwd als de ANWB. Daarbij is van een vlotte uitwisseling tussen luisteraars en omroepleiding weinig sprake tenzij men de klatsch bij de Dolle Dinsdagavondtrein als zodanig wil aanmerken. De NCRV is, althans wat de organisatorische opbouw aangaat, wel te vergelijken met de VARA, maar in hoeverre dit ook werkeiijk functionneert, is mij niet bekend.

Met dit te constateren is, dunkt mij, aangegeven waarom het leggen van de klemtoon op de vertegenwoordiging van de verschiliende volksgroepen in de radio via de tegenwoordige omroeporganisaties zo zwak is. Ik ben er diep van overtuigd, dat er een goede uitwisseiing moet zijn tussen luisteraars en omroepleiding, maar ik zie de huidige omroeporganisaties nu juist niet als het enig geschikte middel om dit contact tot stand te brengen.

Eveneens ben ik onder de indruk gekomen van de oprechte wil om, wel is waar zonder prijsgeving van het verworvene, iets van de gedachte van een nationale omroep te verwerkelijken. Het resultaat is dan ook, dat de meerderheid van de commissie het voorstel doet tot stichting van een Nationale (of, desgewenst Nederlandse) Radio Unie, waarin de grote, samen met de kleinere bestaande en nog op te richten omroepverenigingen, de programma’s bespreken en deze coördineren. Verder zit daaraan vast, dat de gebouwen en de daarbijbehorende apparatuur aan deze Unie ter beschikking wordt gesteld.

Met alle waardering voor dit voorstel, waarbij een harmonische samenwerking tussen de omroepverenigingen wordt verondersteld (waarbij de AVRO een kwalijk te verteren brok blijft) de vraag dient gesteld, wat daarbij eigenlijk terecht komt van het „nationale” element. En op dit punt heeft zich de critiek van de • minderheid, die door Suurhoff en mij gevormd werd, ingezet. I

Nationaal is, zo oordeelde de meerderheid, dat wat door allen als gemeenschappelijk goed aanvaard kan worden. Neen, zei de minderheid, nationaal is dat geestelijk

en culturele goed, dat bijgedragen heeft tot ons volksbestaan en waarvoor allen, ook al is het niet van hun richting, medeverantwoordelijkheid kunnen dragen. De Gregoriaanse muziek, de psalmen èn de socialistische strijdliederen zijn b.v. nationale goederen en moeten door allen als zodanig erkend worden. Indien de radio aantoont, dat deze dingen niet alleen eigendom van een bepaalde groep zijn, maar inderdaad van ons allen, dan geeft zij een verruiming en een verdieping, die een waardevolle bijdrage zou kunnen doen leveren aan ons volksbestaan.

In verband daarmede meenden wij ook een andere wijze van programma-ontwerpwijze te moeten voorstellen.

De meerderheid wil de verschillende bijdragen in één „pot” doen, de stof coördineren, vragen, wat gemeenschappelijk zou kunnen worden uitgezonden en de rest aan de aparte omroepverenigingen geven.

Zeker, dat is een vooruitgang tnet de situatie van thans. Maar liever was het ons, minderheid, als een klein aantal uiterst deskundigen van verschillende levensrichting, maar die allen in ons volk om hun brede visie en hun diepe kennis van het volksleven vertrouwen zouden hebben (zulke figuren zijn zeldzaam, maar ze zijn er) een „nationaal” programma samen zouden stellen, om daarnaast ruimte te laten voor specifieke „richtings” uitzendingen. Ruimte voor de stem der Kerk, voor buitenkerkelijke bewegingen, voor verschillende maatschappelijke inzichten.

De VARA antwoordt daarop: dat zou veel te veel geharrewar geven. Ach, hier behoeft geen geharrewar te zijn, indien de oprechte wil maar aanwezig is, om te slagen. Ja, wie het meet naar de situatie van de gewapende vrede van thans, zeker, die ziet er tegenop. Maar wie een nieuw begin wil maken gebruik makend van de waardevolle ervaringen van het verleden die moet de risico, die er in ligt, lopen.

Een andere vraag is die van de verhouding tot de Party van de Arbeid. Heel nuchter gezien staat de zaak aldus: de VARA heeft vertrouwen in grote kringen van niet-confessionele arbeiders. Deze binding is niet te verwaarlozen. Maar eveneens onder grote groepen van de aanhangers van de Party van de Arbeid leeft geen enkele binding met de VARA. Integendeel: een groot aantal van hen, die zich een werkeiyke nationale omroep voor de geest stellen, zijn lid van de Partij van de Arbeid.

Zo komt de leiding van de Partij te staan voor deze klemmende keuze: oriëntering op de oude SDAP-gevoelens, waarin de VARA volkomen paste, óf aanvaarden, dat men niet alleen over de doorbraak moet juichen, maar ook om die doorbraak moet vechten. Hoe beleidvol, hoe paedagogisch verantwoord dan ook, de Partij kdn, krachtens haar wezen, niet anders dan het laatste kiezen. Op straffe van haar eigenlijke functie in het volksleven niet te vervullen. Stelt zij op dit punt teleur, dan zou de weifeling, die men soms wel merkt, in apathie kunnen overgaan.

De VARA staat voor de moeilijkheid, dat zij, als socialistische omroep niet buiten de socialistische beweging kan staan. Haar grote kans is, dunkt mij, in het huidige radiobestel te geven in de radiowereld de

stoot tot datgene, wat zich bezig is als verlangen in de Partij van de Arbeid te concretiseren. Dat is de wijze, waarop zij haar van ouds dienende taak opnieuw kan volbrengen. Daartoe zal zij zich moeten distanciëren van die omroeporganisaties, die uiteraard op zelfhandhaving uit zijn. Zij zal zich uit het loodzware blok van de gezamenlijke omroepverenigingen moeten losmaken, die ieder op hun eigen motieven zich thans weren tegen principiële veranderingen.

Zou zij dè,t doen, dan zou zij in brede kringen van de Partij van de Arbeid aan vertrouwen aanzienlijk winnen. En dat moet haar wat waard zijn. Haar traditie, haar good-will bij de arbeiders staat er borg voor, dat zij de juiste wegen zal weten te vinden, om dit aan haar getrouwen duidelijk te maken.

En nu de Regeringspolitiek. Op dit punt wreekt zich het feit, dat de Partij van de Arbeid in zekere zin te laat is met het bepalen van haar standpunt. Dat is geen verwijt. Een jonge partij kan niet alles tegelijk. Maar het feit ligt er. En daardoor kon Minister Gielen dat wonderlijke besluit nemen om de „partijen” (wie zijn dat?) veertien dagen de kans te geven om het eens te worden, met de dreigende mededeiing, om als er geen overeenstemming kwam, een eigen besluit te nemen. Daarvan vermoedt ieder ingewijde, dat het niet zijn eigen voorstel is, maar dat het verdacht veel zal lijken op het plan-Kesper. Een plan, dat zeker niet buiten de al dan niet officiële instemming van de

Grote Vier is tot stand gekomen. Wat is dat voor farce? Twee partijen zijn het oneens en nu wordt gezegd: kom met een voorstel, want anders doe ik de zin van de ene partij. De lust nm tot overeenstemming te komen, is dan natuurlijk bij de partij, die het plan-Kesper zo gek niet zou vinden, ver beneden het nulpunt gedaald.

Hier staan grote dingen op het spel. Wij zijn niet helemaal hopeloos. De VARA heeft getoond zij het dan naar onze overtuiging niet consequent genoeg een nieuwe weg te zoeken. De Partij van de Arbeid, overladen met problemen, is bezig haar standpunt te bepalen. En de Minister heeft blijk gegeven krasse besluiten te willen nemen, die onkunde doen vermoeden. Daaruit kan nog iets komen, dat niet al te veel teleurstelt. Maar dat kan alleen, als in de rijen der personalistische socialisten de energie wordt opgewekt om met klem voor een waarlijk nationale omroep op te komen.

L. H. RUITENBERG.

KERK

EN VREDE

Het hoofdbestuur van „Kerk en Vrede”, geloofsgemeenschap van Christen-anti-mUitairisten, landelijke afdeling van de „International Fellowship of Reconcilation”, houdt in December op enkele plaatsen getuigenis-avonden met het onderwerp: „Is er redding voor de wereld?"

A. „De Ondergang” (Gods oordeel). -B. „De redding” (Gods redding). Amsterdam: Vrijdag 13 Decembe 8 uur, Vrije Gemeente, Weteringschans. Sprekers: prof. dr. G. J. Heering, Leiden; ds. M. Hinlopen, Amstelveen. Utrecht: Vrijdag 13 December 8 uur. Kerkgebouw Leeuwenberg. Sprekers: ds. J. J. Buskes Jr., Amsterdam; ds. Kr. Strijd, Hengelo (O.)

Leeuwarden: Woensdag 18 December 7.45 uur, Doopsgezinde Kerk. Sprekers: ds. J. Munter, Groningen; ds. M. Hinlopen, Amstelveen. Zwolle: Donderdag 19 December 8 uur. Sprekers: dr. M. van der Voet, Haarlem; ds. Kr. Strijd, Hengelo (O.)

Rotterdam: Vrijdag 20 December 8 uur, Ned. Herv. Kerk, Zw. Paardenstraat 95. Sprekers: dr. M. van der Voet, Haarlem; ds. J. B. Th. Hugenholtz, Ammerstol.