is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 13, 21-12-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den Heer behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24; 1

3Mjaak

ZATERDAG 2! DECEMBER 1946 No. 13

KERSTNUMMER

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

ONDER REDACTIE VAN Prof. Dr. W. BANNING; Ds. J. J. BUSKES Jr. fruitenberg, secretaris der redactie- J. G. BOM HOF F, ROERSTRAAT 48111, AMSTERDAM (Z), TEL. 24386

herschijnt vijftig maal per JAAR – 45ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD Al ik "" ■ –

gSKr T3=‘S?

NIEUWS OVER DEN MENS

Dit „stukje” wil een zo eerlijk mogelijk verslag zijn van een innerlijk tweegesprek, dat zich vermoedelijk niet alleen in mij heeft afgespeeld, en blijft af spelen zou ik een uitzondering zijn, als een „Vermoeid Ik” nog al eens overhoop ligt met wat ik nu maar simpel noem een „Ander Ik”? Zou ik een uitzondering zijn, als ik weet heb van een innerlijk aangetast en geschonden zijn, al was het alleen maar door wat deze bange jaren van oorlog, bezetting en bevrijding over ons heen is gegaan? Zó ongeveer speelt zich dat innerlijk gesprek in mij af:

„Vermoeide Ik”: Wou je me wat „nieuws” over den mens vertellen? Man, schei uit ik heb ze gezien. Ik heb den gemechaniseerden massa-mens gezien in de gedresseerde drommen van de Duitse troepen, de stalen helmen over de strakke koppen, allemaal hard, onpersoonlijk, bru- lk heb ze gehoord, als ze hun liederen de lucht in brulden; eerst lachte je erom: hoe zielig en opgeblazen, het gebrul van de waan in het eindeloos ds hemel bleef even blauw en de zon straalde even mild maar later kón je het niet meer verdragen. Ik heo den geweldenaar en den sadist gezien, die de Joden met wellust martelde en trapte; ik vergeet nooit het magere fanatieke gezicht van dien Moffen-officier in de Euterpe-straat, die ze eerst afbekte en dan met z’n vuist bloedneuzen sloeg ach, en dat was maar een heel zachtzinnig begin. Laat_ons_eerlijk_zijn: ik heb óók den mens in den braven beriêFerTbürgër'in oris eigen volk gezien: den graaienden collaborateur, den door de knieën gezakten intellectueel, den arbeider die op bevel de huizen afbrak en spitte, de laffe massa, die duldde zonder weerstand, en kankerde zonder opstandigheid Wou je me nog wat nieuws over den mens vertellen? Bij voor-

beeld over de „geestdrift” van na de bevrijding? of over de steun die hij gaf aan Schermerhorn en Drees en de anderen, die zich doodwerkten om de chaos te bedwingen? of over de nobele wijze waarop wij in dit jaar politiek bedrijven ?

Andere Ik: Och nee, ik behoef jou zoveel „nieuws” niet te vertellen Je hebt het zelf wel aardig in de gaten Ik wou je alleen wat helpen om je geheugen wat op te frissen. Weet je nog, hoe jij en anderen vroeger dat is misschien wei 20 jaar of langer geleden dapper meezongen: „de mens is goed...” hoe jullie toen allemaal een tik beet hadden van de optimistisch-evolutionistische molen! Weet je nog, hoe jullie toen spraken van den „nieuwen” mens, die vrij en schoon en goed en stralend van kameraadschap en liefde zou zijn, hoe jullie dan Gorter declameerden en Just Havelaar citeerden: de nieuwe mens in de nieuwe Gemeenschap was immers je schone droom, die je bijna dronken maakte van vervoering Ben je nou zelf niet bezig te ontdekken, dat het misschien toch een beetje èinders ligt, dan je in je jeugdidealisme dacht ?

V.L: Heb ik dat werkelijk eenmaal gelóófd en er voor gestreden ook Hoe ver ligt het alles achter me, en hoe vreemd is de herinnering Zou een jonge generatie van nü dezelfde weg gaan die ons eenmaal lokte ?

A. 1.: Pas op, ouwe jongen, nou ben je niet alleen vermoeid, nou sla je met je moede benen nog op de vlucht ook. Heb je wel door, dat dat eigenlijk een vlucht is, nu te gaan puzzelen over wat een jonge generatie zal gaan doen? Je zult toch éérst moeten weten, wat jij hebt te doen? al deel je jezelf dan in bij de ouderen, die moeten verdwijnen Het nu vergoten bloed roept van de aarde óók tot jou, en de bezoedeling van het vrijheids-

kleed, zoals je dat nog altijd wat romantisch noemde, heeft jou toch óók wat te zeggen, en je rooie hart dat de strijd voor het socialisme lief heeft, stuwt ook jou nog naar de daad De benen nemen zal niet gaan, kameraad

V. 1.: Ach ja, je praat wel aardig, en ik zou me er zelfs gestreeld bij kunnen .voelen maar wat wou je nou eigenlijk, met dat „nieuws over den mens”, waarmee je me op stang hebt gejaagd?

A.I: Wat ik wou? Niks. Maar zie je, het zou kunnen, dat nog een héél Ander dan jouw Ander Ik met jou bezig is van binnen. Het zou kunnen wezen, dat je eerst heel eerlijk en heel deemoedig moet leren zien, dat jij nou ja, óók maar een mens bent, met je armoe en zwakheid, met je schuld en ongeloof en gemis aan waarachtige liefde, en dat je dan pas „het nieuws” kunt verstaan V. 1.: ???

A. 1.: Ja, dit „nieuws”: dat in de duisternis het eeuwige licht geboren wordt; dat God zózeer mens en wereld iiefheeft, dat Hij hen niet kan laten ondergaan, en dus in eindeioos erbarmen zich tot ons buigt. Dat is immers het nieuws van Kerstmis? Misschien is God wel bezig, jou arme vermoeide mens op de knieën te krijgen, je hééi, heel stil te maken opdat je eindelijk zoudt verstaan wat Gods Liefde is. Dan, èis je verstaat, zul je ook nooit meer moe zijn, dan leer je mee zincjen, al de oude liederen van ~het Goede nieuws”. W. B.

MEDEDELING AAN DE LEZERS Ditmaal ontvangt U een dubbel nummer. De volgende week verschijnt T. en T. niet.