is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 14, 04-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blanken de overwinning te verzuren. De Fransen stonden voor een voldongen feit, zij moesten onderhandelen. Alras bleek dat de republiek Vietnam wel Annam en Tonkin omvatte, maar niet de achterlijker gebieden Laos en Cambodzja, terwijl in Cochin-China met de havenstad Saigon de Franse macht sterk genoeg was om de republikeinse strevingen in toom te houden. Een complicatie bij de onderhandelingen was dat zowel China als de Sowjet-Unie een zeker belang bij het in stand hmfden van de republiek bleken te hebben. Anderzijds kwam Frankrijk de inheemsen tegemoet, doordat reeds in de oorlog het Franse moederland met zijn koloniën was omgezet in een Franse unie, waarvan alle onderdelen gelijke rechten kregen. Men kwam nu tot de oplossing, dat Annam en Tonkin als staten zouden verdwijnen en, eventueel met Cochin-China (door een

volksstemming uit te maken) als republiek Vietnam deel zouden uitmaken van de Indochinese federatie, welke als eenheid opgenomen bleef in de Franse unie. Een oplossing die in de lucht bleef zweven, daar de onderhandelingen tussen Frankrijk en Vietnam niet leidden tot „een Linggadjati”. De ongeregeldheden, dezer dagen ontstaan, vonden hun aanleiding in wederzijdse chicanes over de positie van het betwiste Cochin-China. Wellicht zijn onenigheden tussen gematigden en scherpslijpers; in beide kampen schuld. In ieder geval is het belangwekkende experiment nu opgeschort en is van het nog maar kleine wederzijdse vertrouwen niets overgebleven. Hoe bereikt men de juiste overgang van koloniaal bestuur naar 100 % merdèka? Dat hlijft voorshands een vraag.

26 December 1946.

A. E. COHEN.

HET OUDE JAAR SPREEKT

I

Over enkle dagen daal ik te gronde en Vind mijn ontelhre broeders weer Die voor mij stierve’ en nu zich mogen laven Aan van ’t verleden d’ omsluierde sfeer.

O zoete rust! Om hun woorden en daden Daalt allengs nacht van vergetelheid neer Gewevé’ uit grijze en violette draden. Voorbij, vergaan: niemand gedenkt hen meer.

Zal men mij zegenen of wel verwenschen? Zal ’k voortleve’ in de heugenis der menschen Schenker van ’t goede of brenger van het kwaad?

Ik weet niet. Maar 'k verhoorde de gebeden Van Oost en West: zoo ’k nog niet bracht den vrede. Zoo bracht ik toch des vredes dageraad!

II

Mijn ongeboren zoon die komt na mij, ’k Hoor al dichtbij uw trippelvoetjes dansen Ik zie de klare lichten aan de transen Die maken alle mensenharten blij.

Met smaaddijk getwist en verward gebeuren Leer hun die over wat onderging, treuren Het stuur te wenden naar een nieuw getij. O ga niet, zooals ik het deed voorbij

Mijn zoon moogt ge leeren van mijn ervaring, Moogt ge wijzer zijn dan ik ben geweest Milder, en vrediger van binnen.

O Moogt ge brengen lang begeerde baring Van d’ omkeer, het groote verlossingsfeest Uit de macht der ontsteld-dwalende zinnen.

HENRIËTTE ROLAND HOLST

HET VRAAGSTUK DER VERHOUDING VAN LONE EN PRIJZEN

Begin OCtober heeft de minister-president in Tweede Kamer een verklaring afgelegd over de politiek der regering ten aanzien van de lonen en de prijzen. Dat is lang geleden en het lijkt daarom haast on-* behoorlijk om er nu nog eens over te schrijven. In de pers is er bovendien in den brede over voorgelicht. Toch wordt hier een poging gewaagd om de belangstelling gaande te houden, en wel juist naar aanleiding van de vele reacties in de pers. Hoe heeft ons volk, blijkens de perscommentaren op de verklaring geantwoord? Welnu hoe denkt Nederland erover? Hoe staan we tegenover de kwellende moeilijkheden?

Alvorens hierop in te gaan zal een korte, zeer korte schets worden gegeven van de voornaamste reacties.

Het aankondigen van enkele prijsverhogingen (brood, boter, melk en enkele andere) tegenover de vage voorspelling van onzekere prijsdalingen in de toekomst, is voor velen in verband met de tegelijkertijd geëiste loonstop en de eveneens verlangde verhoging van de arbeidsprestatie, een steen des aanstoots geweest. Op zijn best hebben de gematigde bladen hierin een gebrek aan tact gezien.

Andere dagbladen wezen op de (te) grote winsten van sommige producenten en handelaren. In de regeringsverklaring zou onvoldoende de noodzaak zijn aangetoond de subsidies op eerste levensbehoeften te doen vervallen en in aansluiting hierop werd een uitvoerrecht op winstgevende uitvoer aanbevolen ten behoeve van de dure invoer en eeri zware belasting geëist op luxe-goederen en op overdreven vermaak.

Tenslotte werden verschillende aanvallen gericht op de loonstop, waarbij gewezen werd op het uiteenwijken van de indexcijfers van industriële lonen en kosten van levensonderhoud. Daaruit zou n.l. blijken, dat de laagstbezoldigden van hun weekloon niet kunnen rondkomen.

De winst, die door vergroting van het margarine-verbruik voor den margarineproducent zou ontstaan, had de aandacht, waarbij de vraag werd gesteld of deze vergrote winst voldoende zal worden afgeroomd ten behoeve van de gemeenschap.

Dagbladen van uiteenlopend karakter vrezen erop, dat vele kleine zwarte handelaren in de fuik lopen en beweerden, dat de grote boosdoeners ongemoeid blijven.

Samenvattend moet worden opgemerkt, dat, naar nog nader zal blijken, de ernst van de economische toestand van ons land en de gevolgen, die deze heeft voor de verhouding van lonen en prijzen, daarmede nog zeer onvoldoende bij het grote publiek blijkt te zijn doorgedrongen, al zijn er loffelijke uitzonderingen. Wie de regering in het algemeen een goed hart toedraagt, gunt haar gaarne een kans om haar doel te bereiken en matigt zich in zijn critiek, hoewel ook daar een sceptische ondertoon niet is