is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 15, 11-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET JONGSTE WERK VAN DE UNO

Met een paar woorden hebben wij in een vorig overzicht al een paar aspecten van de langdurige bijeenkomst der Verenigde Naties aangeduid.. Het is echter wel van belang op deze vergaderingen, nu zij kort voor het einde van het vorige jaar afliepen, terug te komen. Het papiergebrek van onze kranten maakte het helaas onmogelijk zo grondig alle bijeenkomsten te verslaan als met hun belangrijkheid overeenkwam. Vandaar dat het moeilijk was uit de krantenberichten een duidelijke indruk van één en ander te krijgen; er waren in verschillende plaatsen in en rondom New York talrijke commissies van uiteenlopend gewicht in vergadering bijeen en de delegatieleiders en hun vervangers kozen meestal die vergadering uit om te bezoeken, welke op die dag de voornaamste scheen.

Gewerkt is er wel: De N.R.C. van gisteravond geeft er een paar indrukwekkende cijfers over: er waren 34 voltallige zittingen van de Algemene Vergadering, 190 commissie- en 159 subcommissiezittingen; deze commissies kostten 1260 uren vergadertijd. 4814 documenten met tezamen 33086 pagina’s oftewel 19.532.784 woorden kwamen ter tafel. En dat alles nog twee maal vertaald! Bovendien had ook de Veiligheidsraad zitting.

Men denke niet gering over deze werkzaamheden. Toen de Algemene Vergadering der Verenigde Naties in het begin van 1946 voor het eerst te Londen bijeenkwam, begon ze haar bestaan niet onder gunstige voortekenen. Na de gewonnen oorlog schenen de bondgenoten hard op weg de vrede te verliezen en het „verenigde” in de term Verenigde Volkeren leek haast een hoon. Inderdaad was die bijeenkomst in Januari ’46 in hoofdzaak één van de vele vormen

waarin de ministers der grote vier zichzelf tegenover de anderen het best trachtten te manoeuvreren bij de regeling van de oorlogschaos. Terwijl nu verder de Veiligheidsraad het door de Algemene Vergadering aangevangen werk voortzette, ontmoetten de ministers elkander op de conferenties over de vredesverdragen. Langzamerhand werd duidelijk hoe de onderlinge krachtsverhoudingen lagen tijdens de oorlog blijkt zoiets vanzelf, in vredestijd wordt dat alleen openbaar door een schatten van elkanders krachten, waarbij militaire paraatheid, openbare mening, maar ook spionnage en bluf elementen van betekenis zijn. Raken de staatslieden eenmaal overtuigd van de geldende machtssituatie, beseffen zij eruit gehaald te hebben wat er voor hen mogelijkerwijze in zit, dan is vanzelf de lust tot marchanderen, chicaneren en overbluffen gering. Want au fond willen allen thans vrede, veiligheid en welvaart. Binnenlandse politieke beroeringen hebben het kort voor en tijdens de vergadering de Sowjetgedelegeerden moeilijk gemaakt de kracht te schatten waarmee de Engelse en Amerikaanse afgevaardigden namens hun volk konden optreden; in Engeland was de „opstand” der linkse Labourparlementsleden, die een verzoenender politiek jegens de Sowjetunie eisten en tevens minder afhankelijkheid van de Amerikaanse economische conjunctuur verlangden; tevens zal men zich de geruchtmakende rede van Wallace herinneren, die zijnerzijds ’Truman tot een philorussischer politiek aanmaande. In New-York hebben Bjnrnes en Bevin het echter gewonnen. De Russen werden tegen het einde heel wat toeschietelijker. Lag dat aan hun partners? Of lag het aan een veran-

dering van de staatkunde van het Kremlin, zoals ook wordt beweerd? Of aan de situatie, de boven geschetste krachtenverhouding?

Vergeleken bij vorig jaar is de UNO meer in zichzelf gegroeid. Kon men toch nog twijfelen öf er wel iets uit groeien zou, nu is de organisatie der Verenigde er. New-York is definitief de zetel geworden, mede dank zij een royaal aanbod van Rockefeller, die de fraai gelegen terreinen voor de nog op te richten gebouwen schonk. Het secretariaat is ingewerkt, als nieuwe leden werden drie landen aangenomen die in de oorlog niet aan de zijde der overwinnaars hadden meegevochten, maar toch in de practijk de geallieerden gunstig gezind waren geweest (Ijsland, Zweden en Afganistan); verder werd nu ten opzichte van Franco’s regime een zekere mate van eensgezindheid op een aantal punten bereikt. Van practisch belang is, dat de Voogdijschapsraad nu in werking kan treden; zij vervangt de voormalige mandatencommissie van de Volkenbond. Welke gebieden onder de voogdy der Verenigde Naties zullen komen te staan, is intussen nog onzeker; voorshands kwamen de oude mandaten in deze positie, voorzover ze niet reeds, zoals Syrië, zelfstandig geworden zijn of, zoals Palestina, waarvan de toekomstige positie onzeker blijft. De vluchtelingencommissie heeft nog geen groot werk gedaan, maar het is toch van waarde dat ze bestaat.

De vredesverdragen met de as-satellieten hadden eigenlijk niet te maken met de UNO-bijeenkomsten, maar de vaststelling ervan droeg toch wel degelijk tot het uiteindelijk resultaat ervan by. Als de Grote Vier hierover vergaderd hadden, vonden zij elkaar met den Chinees terug als grote vijf om over de tere kwestie van het veto te spreken. En de daar behandelde problemen hielden weer ten nauwste verband met het besprokene in de atoomwapencommissie, bestaande uit de leden van de Veiligheidsraad (hierin trad Nederland op 31 December af om door België vervangen te worden; de Belgen trokken zich ten gunste van de Nederlanders uit de Economische en Sociale Raad terug) plus Canada. Voor die nauwe samenhang tussen de atoom- en de vetokwestie kan ik verwijzen naar het overzicht in het nummer van 29 Juni 1946 van „Tijd en Taak”. Zeer in het kort: de macht van de westelijke mogendheden bestaat in hun atoomwapens, die der Russen in hun veto. Als de Amerikanen en Engelsen bereid zijn hun atoomwapens op te geven, moeten de Russen hun, volgens velen al te vaak en te chicaneus gebruik van het veto zich ontzeggen. Blijkens het Amerikaanse voorstel inzake de controle op de atoomwapens zou een internationaal lichaam moeten worden ingesteld, dat erop toeziet dat de atoomenergie slechts voor vredesdoeleinden zal worden gebruikt. Het spreekt vanzelf, dat dit lichaam in zijn werkzaamheden niet gehinderd mag worden door een vetorecht van bepaalde leden. Tot nog toe hebben de Russen zich tegen dit plan verzet, doch slechts door stemonthouding.

Inderdaad is het veto lastig en schept het vaak onnodig verwarde situaties. Behalve als steun voor de Sowjetunie heeft het in de practijk geen betekenis, hoezeer het theoretisch een voortreffelijke en juiste

wen, werd niet hoofdzakelijk geboren uit de wens naar geld of goed, maar uit het hartstochtelijke verlangen naar maatschappelijke gelijkheid. Daarvoor komt zij in geestdrift, daarvoor wil zij alles opofferen. Zolang ’t een strijd blijft alleen voor stoffelijke dingen, staat haar geen ideaal voor ogen. Dan kan men foeteren tegen de zwarte handel, dan kan men critiek op alles en nog wat uitoefenen (en geen wet of verordening is volmaakt). En zo de herrijzenis van Nederland tegenwerken met het wrevelige gevoel, dat alles tegenvalt, dat ’t precies is als vóór de oorlog. Wie kan dan bezieling verwachten!

Het nieuwe doel. Tóch is er op dit ogenblik een perspectief, een ideaal, waarvoor wij met al onze verbeeldingskracht en fantasie künnen en moeten strijden. Dat ideaal ligt besloten in de Partij van de Arbeid zelf.

Dat de Arbeid eindelijk z’n plaats in de wereld moest innemen, dat wisten wij reeds als sociaal-democraten. Nu spreekt de naam van onze nieuwe politieke partij ’t ook uit, en onder haar vanen hebben zich anderen geschaard, die vroeger het embleem der vrijzinnigheid of van een bepaalde godsdienstige gezindheid kozen. Natuurlijk is dit samengaan nog maar een begin. Ook nu nog staan wij wat vreemd tegenover elkaar: die ontzaglijk

grote arbeidersklasse en die betrekkelijk kleine groep, die tot ons kwam.

Maar wat kunnen wij elkaar op den duur wederzijds beïnvloeden, wederzijds geven! Aan de éne kant: de volharding-dooralles-heen, de offervaardigheid, de geestdrift voor een socialistisch Nederland, dat komen moet. Aan de’ andere kant: hun moed (om een nieuwe weg in te slaan), hun kennis, bekwaamheid, inzicht, en niet het minst hun visie der onzienlijke dingen, welke men gelooft zonder ze te zien.

Bewust komen klassen tot elkaar om samen te werken voor één doel, om samen te veroveren, wat nog niet bereikt is. Is dat geen ideaal waard om er vopr te strijden! Om steeds meerderen te doen treden in die nieuw gevlochten band! Om niet alleen betere wetten te maken, nieuwe woningen te bouwen, nieuwe kleding te verschaffen, maar allereerst om een zuiverder kijk op de wereld te krijgen, om zuiverder daden te verrichten.

Vraagt dit niet weer geestdrift van ons allen, die in de Partij van ,de Arbeid staan en van vele anderen, die nog aarzelen om te komen!

Als wij dit begrijpen, als wij voor dit ideaal ons inzetten, dan wordt weer de bezieling geboren, die ons als vroeger tot de overwinning leidde.

C. POTHUIS—SMIT.