is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 16, 18-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BESLISSING DER ||||y

et zal onze lezers niet verbazen, dat ik ‘ nog eens op een kwestie terugkom, die reeds eerder in ons blad werd behandeld: de geestelijke betekenis der Openbare School met al wat daaraan vastzit. De directe aanleiding daartoe is het besluit der Ned. Onderwijzers Vereniging om zich te verklaren tegen een naar voren gekomen wens om aan die leerkrachten, die zich daartoe geroepen achten, het Bijbelonderwijs toe te vertrouwen.

Het besluit zelf zal vermoedelijk minder belangrijk zijn dan men op het eerste gezicht denkt er is n.l. ook nog zo iets als een onverbiddelijke gang der geschiedenis. Ik richt mij dan ook meer naar de geestelijke achtergrond, wil men: naar de ideologie der Openbare School, die het besluit heeft beheerst.

Men kan deze ideologie dunkt mij als volgt weergeven: de O. S. is de gemeenschapsschool, waarop voor ieder kind uit een Nederlands gezin plaats is, d.w.z. voor kinderen uit R.K. en Vrij denkersgezinnen, van socialistische en anti-revolutionnaire ouders, voor humanisten en orthodox-protestanten, voor Joden en eventueel Mohammedanen en welke groeperingen van levensbeschouwing en politiek er verder mogen zijn binnen dit volk. Dit uitgangspunt behoort de geest der Openbare School geheel te bepalen: het onderwijs, de intellectuele vorming heeft er uiteraard een zwaar accent; wat de moraal betreft: er behoort een algemeen erkende moraal te gelden boven de specifieke der verschillende richtingen en partijen; voor de godsdienst is op deze school geen plaats, al wil men, op grond der verdraagzaamheid, wel een uur op de rooster vrijmaken voor dominee, pastoor of rabbi (al vindt men het eigenlijk juister, dat deze geestelijken hun lessen buiten de schooltijd gaven). In een leuze samengevat: de Openbare School voor héél het volk.

Nu is, gelijk onze lezers weten, met name uit de kringen der Hervormde Kerk, maar ook uit enkele kleinere kerkgenootschappen de wens naar voren gekomen om Bijbelonderwijs te doen geven door de leerkrachten der school zelf, die daarvoor een aparte opleiding hebben ontvangen waarbij werd gezegd: als men de Bijbel inderdaad de Bijbel wil laten zijn, dan is hij niet een vertelselboek, maar een boek dat spreekt van God en Christus als de beslis-

sende realiteiten in het mensenleven. Het is niet verwonderlijk, dat de zo even omschreven ideologie der O. S. deze wens afwijst en weerstaat eigenlijk is dat vanzelfsprekend: er staan hier twee visies tegenover elkaar. Daarom is dan ook belangrijker dan een of ander besluit van de onderwijzersorganisatie de vraag naar de inhoud en kracht der botsende visies.

Eer ik daarover een opmerking maak, moge de vraag gesteld worden of de Openbare School wezenlijk aan deze ideologie gebonden is, zodat zij met haar staat of valt. Ware het zo, dan zou naar mijn mening deze school ten ondergang gedoemd zijn. Immers de gedachte, dat er van^,opvoeding sprake kan zijn zonder daaraan ten grondslag liggend levensbeginsel, is losgelaten omdat zij onhoudbaar bleek; terwijl steeds meer ouders aansluiting verlangen tussen de sfeer van het gezin en die van de school hetgeen bij de éne school voor allen uitgesloten moet worden geacht; evenzeer is het rationele element, dat bij de voorstanders der O. S.-ideologie sterk overweegt, in de gang der geestesontwikkeling is gerelativeerd: niet het verstand leidt den mens in zijn denken en handelen; dit wordt gestuwd door andere diepere lagen der persoonlijkheid. Daarom ligt er in de felle ijver waarmee de oudere onderwijzersgeneratie de ideologie der O. S. verdedigt, een stuk menselijke tragiek: deze ideologie heeft het verloren. Men lette op de cijfers: het is nog maar een derde van het Nederlandse volk, dat aan de O. S. vasthoudt, en men ziet elk jaar het percentage dalen. Ik verheug mij daarover niet zonder meer het verdriet mij diep, dat het niet mogelijk blijkt aan de O. S. een zodanige bindende bezieling‘te geven, dat zij karaktervol in ons volk staat. Zoals het mij verdriet, dat de voorstanders der O. S. niet zien hoe hun eerste taak zou moeten zijn een andere ideologische inhoud uit de geestelijke strijd te veroveren.

Daarmee ben ik terug bij het zo evengestelde vraagpunt naar inhoud en kracht der botsende visies. Die der O. S. stelt: wij behoren te leven uit een algemeen erkende moraal boven die der verschillende groepen en partijen, boven de christelijke, joodse, humanistische, socialistische. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik daarbij maar twee of drie concrete dingen kan denken: algemeen fatsoen, nationale gedachte, verdraagzaam-

heid. Geen dezer drie zal ik gering achten. Maar als ik mijzelf de vraag stel, of dit de geestelijke bagage is, waarmee een jonge generatie in Nederland in een harde onbarmhartige wereld, stand zal kunnen houden ik herhaal mijn oude stelling: de strijd met het barbarisme gaat op leven en dood —; of met deze inhoud de mens in de vervlakkende massa-wereld menselijk, persoonlijk leven wordt geleid; of aldus roepings- en verantwoordelijkheidsbesef, en dus geestelijke vrijheid want die horen bij elkaar worden gewekt en gevoed, dan beantwoord ik telkens deze vraag ontkennend.

Natuurlijk: dit hangt rechtstreeks samen met mijn overtuiging: zonder geloof, d.w.z. zonder omzetting van ons leven door den levenden God, Die ons roept en aan Wien wij verantwoordelijk zijn, is geen beschaving in het teken der geestelijke vrijheid mogelijk. Als de O. S. aan deze overtuiging geen ruimte laat en een uurtje godsdienstonderwijs op de rooster is = geen ruimte schakelt zij zichzelf als geestelijke, als cultuurfactor steeds meer uit. Ik juich daarover niet ik betreur het diep. Het besluit van de N.O.V. is niet zozeer om z’n practisch resultaat, maar om zijn geestelijke motivering voor ons volk een kwaad ding. De practische houding, die daaruit voor mensen van mijn inzicht volgen moet, komt in ons blad nog wel aan de orde.

W. B.

inderdaad zich beraadt over geestelijke zaken, die ons allen raken, en die niet direct met machtsvorming te maken heeft. Daarom zou ik willen pleiten voor een verzamelen van hen, die over de hoge muren der politieke en confessionele scheidsmuren heen, voor eenzelfde taak gesteld zijn. En wanneer zij, in het aangezicht van het dreigende gevaar der voortschrijdende massificering, reeds nu apart beginnen, dan zullen zij bij hun plannen de nodige openheid voor elkanders plannen moeten behouden.

Dat kan alleen maar winst zijn. Want de niet-communisten laden dan geen schuld op zich van de communisten argumenten

in handen te geven voor hun neiging naar isolement, de humanist wordt geconfronteerd in de practijk met de christelijke visie op wereld en leven en de christen leert het af, deze materie te benaderen van beginselen uit en moet ernst maken met wat hij zo gaarne belijdt, n.l. dat hij in dienstbaarheid verantwoordelijk is voor het gehele volk.

Zou hier niet onze Arbeidersgemeenschap van Woodbrookers het platform kunnen verschaffen, waarop allen, die zich met deze dingen bezighouden, zonder geprikkeldheden en zonder richtingsijver elkander kunnen ontmoeten?

L. H. RUITENBERG.

Truman Marshall en Bilho

„Het kan vriezen en het kan dooien” is een uitdrukking, waarvan we in deze dagen de letterlijke betekenis aan den lijve ondervinden, maar die in de politiek alle jaargetijden door van toepassing is. In een dergelijke stemming verkeerde de wereld twee maanden geleden t.a.v. de verkiezingen in de USA, die, zoals men zich herinneren zal, voor het eerst sedert 1932 de Republikeinse partij de meerderheid in de beide huizen van het Congres bracht. Men kon toen voorzien, dat het regeren in het machtigste land van de wereld niet eenvoudig zou zijn. Immers, een in meerderheid republikeinse Senaat en Huis van Afgevaardigden delen de macht met een eveneens door het souvereine volk gekozen democratischen president. Beide staatsmachten ontlenen hun invloed aan hetzelfde, grillige volk. De grondwet die deze staatsinstellingen vastlegde, was er meer op gericht despotie tegen te gaan dan samenwerking gemakkelijk te maken. Het zijn thans meer tegen-