is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 16, 18-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stellingen van belangen dan van ideeën, die de beide grote partijen scheiden. Sterker, in elk der partijen zijn traditionele en belangengroepen verenigd, die eigenlijk onderling weinig samenhang vertonen. Hierdoor is de mogelijkheid gegeven tot ernstige meningsverschillen, die slechts dan naar buiten treden, wanneer niet de kans op gemeenschappelijk voordeel de onenigheid tijdelijk het zwijgen oplegt.

Men krijgt de indruk, dat er in Amerika sedert het einde van de oorlog een atomiseringsproces plaats vindt. Of liever: in versterkte mate opnieuw plaats vindt. De Amerikanen zijn individualisten; de USA zou nooit het land van de onbegrensde mogelijkheden geworden zijn, als het individu zich niet in al zijn kracht had kunnen laten gelden. Vooruitkomen is en blijft het sociale ideaal bij uitstek. Van individualisme naar egoïsme is geen verre weg; van individueel egoïsme naar groepsegoïsme evenmin. Er bestaan in het snel volgelopen Amerika veel groepen in de sociologische zin des woords, naar buiten afgesloten en op zichzelf aangewezen. Hoeveelheden Amerikanen, wier ouders uit zuidelijk of oostelijk Europa zijn geïmmigreerd en aan wie zich het algemene assimilatieproces onvoldoende heeft voltrokken; verder groepen als die der mijnwerkers, die in geïsoleerde steden wonen en geen andere mensen spreken dan collega’s en geen andere opinies horen. Dan zijn er de negers; er zijn de'verschillen die door het geloof worden opgewekt. Er zijn: arm en rijk, in opgang en in neergang, mensen met mogelijkheden en mensen die het nooit verder brengen. En al die talrijke tegenstellingen tussen mensen en groepen worden opgevangen door twee politieke partijen.

Tijdens de oorlog scheen de onderlinge strijd wat verslapt te zijn. Het was een bijzonderheid toen Roosèvelt kort na Mei 1940 de twee republikeinen Stimson en Knox als ministers van Oorlog en Marine in zijn kabinet van democraten opnam. Amerika kwam in de oorlog en men vroeg niet naar partij lidmaatschap in het leger. Republikeinen en democraten zwoegden gelijkelijk en verdienden gelijkelijk, het laatste vooral dank zij Truman, die als senator de stoot gaf tot het instellen van een commissie van toezicht op de oorlogswinsten en daardoor zijn naam als rechtschapen burger verdiende, die hem kort daarna op de zo onschuldig lijkende zetel van vice-president bracht. Na de oorlog komen alle tegenstellingen, die ten dele gesluimerd hadden, ten dele werkelijk door andere aangelegenheden weggevaagd waren, in volle kracht terug. Vandaar mijn uitlating over atomisering, uiteenvallen in groepen.

De afgelopen week heeft er, naar het schijnt, verdere bewijzen voor geleverd. De tijd naderde, dat men zou weten of het vries- of dooiweer worden zou. Dat moment was gekomen met de opening van de nieuwe Congreszitting, waar door de traditionele rede van den president moest blijken in welke mate de democraten een republikeinse invloed zouden aanvaarden teneinde het land en de hele wereld niet aan acute strijd bloot te stellen. Maar de zitting kon niet doorgaan op de vastgestelde datum. In de Senaat immers werd het nieuw gekozen lid Bilbo uit Mississippi (in de „dark south”, het donkere zuiden) ervan beschuldigd zijn zetel verworven te hebben door het uitoefenen van pressie jegens negers, opdat deze ter stembus zouden verschijnen. Bilbo is het type van den ouderwetsen zuidelijken democraat, den echten vertegenwoordiger van een heerserskaste, de groep waarmee de liberale noorderling Roosevelt het nimmer heeft kunnen vinden. Na enige dagen

over en weer praten werd Bilbo zijn zetel niet ontzegd; hij mocht niet zitting nemen, maar ontvangt zijn salaris wel. Een halve nederlaag; alle republikeinen stemden voor deze regeling, dat spreekt vanzelf; maar niet alle democraten vond hij aan zijn zijde.

Het viel niet te verwonderen, dat Truman’s boodschap geen grote indruk maakte. Zijn beroep op het algemeen welzijn wekte weinig geestdrift; dit is ook een begrip, dat iedereen naar eigen willekeur kan uitleggen. De president kantte zich tegen de stakingen, maar poogde niet de sociale achtergrond van deze bewegingen duidelijk te begrijpen, noch andere dan al te zeer in het oog springende misstanden weg te nemen. Hij sprak onder applaus over de grootst mogelijke vrijheid van de particuliere ondernemingsgeest, opdat de economische expansie van Amerika zich ongehinderd kan voortzetten. Merkwaardig was hoe hij de liberale economische politiek (zo typisch op het individu gericht) verdedigde tegen de trusts; de derde, socialistische, mogelijkheid werd uiteraard niet genoemd. De buitenlandse paragraaf bracht geen verrassingen; Amerika zou streven naar spoedige vredesverdragen met Duitsland en Japan, alsmede naar erkenning van Oostenrijk en toelating van displaced persons. Al met al goed bedoeld en eerlijk op het algemeen welzijn gericht, in een periode van de Amerikaanse geschiedenis, waarin geen grootse politiek, maar slechts een de pas markeren te verwachten viel. De verrassing kwam pas de volgende dag. Toen werd bekendgemaakt, dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Byrnes, was af getreden en vervangen door generaal George Marshall. Wat had dit te betekenen? In Roosevelt’s tijd was meer dan tien jaar lang Cordell Huil de algemeen gerespecteerde democratische Secretary of State geweest. Na hem kwam

Stettinius, een zakenman. Truman benoemde bij zijn optreden Byrnes, evenals hijzelf een politicus van niet meer dan regionale betekenis, al had hij onder Roosevelt een belangrijk ambt vervuld. Byrnes ging het juist leren, hij had zich al goed geschikt in het milieu van de grote vier. Bovendien bezette hij een gewichtige post: als een president sterft, volgt de vice-president op; sterft deze, dan de minister van Buitenlandse Zaken. En in deze omstandigheid ligt waarschijnlijk de verklaring van de verandering. Het zou zo zijn, dat de democraten menen hun kansen op het presidentschap alleen te kunnen handhaven door een man van erkende en algemene populariteit nu vast in te werken. Ik wees er reeds eerder op, dat de militairen als groep tijdens de oorlog een zeer grote macht in de USA verkregen hebben, die zij niet geneigd zijn thans af te staan. Mac-Arthur werd reeds lang als republikeins candidaat genoemd voor het presidentschap; hij zou als „onderkoning van Japan” bezig zijn zijn geschiktheid te bewijzen. De benoeming van Marshall is nu de tegenzet. Hij was tijdens de oorlog opperbevelhebber van het leger en trachtte in een diplomatieke functie de Chinezen van verschillende schakering tot elkander te brengen. Zal hij nu soldaat blijven of burger worden? Zal hij Byrnes’ uiteindelijke koers volgen of nog verder naar rechts zwenken? Hoe het zij, in ieder geval betekent zijn benoeming een krachtige stoot voorwaarts van de militaire groep en versterkt zij de groepsstr-ijd, waartegenover de tegenstelling republikein-democraat haast als onreëel aandoet. Wat in deze constellatie de jonge derde partij, die de steun van Wallace heeft, zal gaan betekenen, blijft een open vraag. Misschien zal pas over twee jaar de presidentsverkiezing uitwijzen of het vriezen dan wel dooien zal.

10 Januari 1947. A. E. COHEN.

* 'ls God zo klein is, als wij van Hem denken.

Wanneer wij Hem zien naar ons eigen beeld.

Dan kan Zijn Naam ons geen bevrijding schenken

En geen gebed genade, onverdeeld.

Maar als God groot is, zoals wij geloven

In ’t uur, dat ons verlost uit bittere smart.

Dan troont Hij niet zover van ons, daarboven

Dan spreekt Zijn Stem ook uit ons eigen hart;

Dan eist Hij niet, dat wij Zijn macht aanbidden

Dan leeft Hij óók waar men Zijn Naam niet weet;

Dan is het Wonder altijd in ons midden

En wij beleven het in liefde en in leed.

O. V. A.—R.