is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 16, 18-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schreven. Bezegeld met een officieel S.S.- stempel ... Zullen ééns documenten in beeld onthullen, wat eigenlijk voor de gevangenen de duizenden transporten betekenden, die kriskras, lukraak deze honderden kampen met elkaar verbonden, van Buna of Gleiwitz naar Auschwitz, van Auschwitz naar Dachau, Mauthausen of Buchenwald, om maar enkele marsroutes te noemen? Hier worden bladzijden gevuld, die alleen maar zwart zijn te beschrijven, zonder letternuances . . .

Transport. Aan èlk kamp is dit begrip verbonden.'Het was overal dezelfde rampzalige ellende, maar tegelijk overal anders door zijn steeds weer genuanceerde wreedheid. Of het nu het naargeestige fluitje van het vertreksignaal van Westerbork was, dat als eert ijzige adem over het kamp streek. Of het ons bij het verlaten van de Nederlandse grens, wanhopig geslagen turend over de bloeiende heide, afsneed van alles, zelfs van eigen denken of voelen, transport: het betekende steeds weer een radicale breuk tussen gene zijde en deze zijde. Of nu géne zijde Westerbork was, dan wel déze zijde een bed drie-hoog in Auschwitz in Block Va, waar een korte doch hechte kampvriendschap was gesloten, transport was transport, betekende... „wég”. En dan was er weer opnieuw de leegte. De leegte van het gemis van den kampkameraad, waarmee je zij aan zij in je commando stond en met wien je samen je soep uit één bord at.

Steeds grepen transporten in de sleur van het kampleven in. Elke keer intenser. Of het een Arbeittransport was, dan wel een transport naar Birkenau (het z.g. Auschwitz II), waar gaskamer en crematorium zich bevonden.

"fRANSPORT. Het was het enige stabiele moment in het kampbestaan. Stabiel, omdat het zeker was, dat dit telkenmale opnieuw terug kwam. Het was, méér nog, het enig zekere in de gehele sfeer van de kamp-totaliteit. Het herhaalde zich steeds, als een sequenz, met hardnekkige regelmaat, verrassend door het onverwachte. Het was de ijzeren' natuurwet van èlk kamp: transport.

Transport. Onverwachte transporten ’s nachts, rillend onder ’t felle licht van de schijnwerper in de sneeuw, gerubriceerd, onder onze 139000 of 153000-nummers. Een mensenleven immers had waarde als nummer, als onderdeel van de zorgvuldig opgestelde lijst, die volledig moest zijn. Transport betekende ook de Dodenmars uit Polen, de evacuatie en vlucht voor het naderende Russische leger. Tien nachten lopen door het lugubere, Poolse landschap, midden in de barre Januari-maand van het jaar 1945. Eén deprimerende sneeuwwoestenij vormde de' omlijsting. Duizenden, af gejakkerd, waren het die neergeschoten werden door de begeleidende S.S. En steeds verlokkender noodde ons bij dit transport het zware sneeuwdek als een mollig donzen bed, dat verleidelijk aan onze voeten lag in één alles omvattende, lokkende, onweerstaanbaar betoverende greep.

HERMAN BOASSON.

PASSERENDE G EDACHTEN

et geluid van een sirene zette plotseling mijn benen in beweging, het was deze keer niet de sirene van het luchtalarm, doch de claxon van een fonkelnieuwe Chrysler, die met een sneltreinvaart je mijn hielen passeerde, wat weer het passeren van enkele gedachten tot gevolg had. De eerste gedachten die meestal worden uitgesproken laat ik gevoeglijk achterwege. Vermeldenswaard zijn de daaropvolgende, die betrekking houden met de steeds toenemende file luxe-wagens en met het in evenredige mate aanzwellende deviezentekort.

Dat de eenvoudige man in de straat zijn verteerde jas in verband brengt met de luxe-wagens, schijnt ook bij de heren van de R.V.D. te zijn doorgedrongen, daar ik kort geleden over dit punt een radiocommentator uiteenzettihgen hoorde geven.

Uit het commentaar bleek, dat al die luxewagens, geen overbodige luxe waren voor de wederopbouw van ons land, dat het bovendien economischer was, voor de beschikbare deviezen de beste spullen te kopen, daar ook hier goedkoop duurkoop zou zijn.

Voor dit commentaar nam ik mijn pet af, daar was geen speld tussen te krijgen. Op precies dezelfde manier heb ik het logische van de pauselijke gouden telefoon horen verklaren.

Het is alleen zo jammer, dat het eenvoudige volk niet van sprookjes gediend is en doorgaat de urgentie van luxe-wagens aan zijn tekort te toetsen.

De armoede van Christus en de rijkdom van zijn plaatsvervanger, het tekort aan de eerst nodige levensbehoeften en de geldsmijterij aan de andere kant, blijven in de gedachten van velen als verfoeilijke tegenstellingen voortleven en benemen de massa het geloof aan het goede en betere, daar helpen zelfs geen duizend commentaren aan.

Toch zijn het in de meeste gevallen

jaloerse gedachten, die bij het passeren van een blinkende slee, passeren, vooral als men zelf aan de treeplank van een overvolle tram hangt te bengelen. IVlen kan weten, dat tegen jalouzie enkele regeringspolitiek is opgewassen, ook al zoij de verdeling van begeerlijke zaken naar recht en billijkheid geschieden.

In diezelfde week toen ik schrok van een claxon, ben ik ook nog op andere wijze geschrokken. Een oud collega van een kennis, A genaamd, vroeg me, toen ik zijn atelier betrad; „Zeg hoe maakt A het tegenv/oordig”. Ik antwoordde: „Heel goed, hij is momenteel godsdienstonderwijzer te B.” Dit ontlokte weer de opmerking: „Nu dan is B. binnen korte tijd een heidens dorp.” Toen ik vroeg, waarom dit dan zou zijn, luidde het antwoord: „Het is onmogelijk, dat iemand, die altijd schuine en smerige moppen wist te vertellen, zuivere dingen sis het Evangelie ongeschonden door kan geven.”

Van de schrik bekomen, wist ik zekerder dan ooit, dat leer en leven niet gescheiden zijn, godsdienst en zedelijkheid bij elkaar behoren en dat de discussie rondom de dogmatiek nooit een discussie kan zijn waar de ethiek onbesproken blijft. Het omgekeerde blijkt wel mogelijk te zijn, daar nietchristelijke personen soms een hoger zede-3ijk leven leiden, dan vele anderen, die zich beroemen op onfeilbare dogma’s.

Over de verhouding dogmatiek—ethiek, hebben zich al veel hersenen stuk gedacht, zonder er ooit mee klaar te zijn gekomen. In dit tijdsbestek, waarin er helemaal geen verhouding tussen die twee meer blijkt te bestaan, wordt het hoog tijd, dat wij ons er opnieuw over bezinnen, daar ik geloof, dat een wereld zonder zedelijk leven een wereld zonder godsdienst zal zijn. Deze gedachten geef ik gaarne voor betere.

A. SNAUW.

OP TRANSPORT.

Deze foto’s zijn gevonden in Krakau. Zij hebben betrekking op Nederlandse transporten. FOTO 1

De Repatriëring sbalans van het Rode Kruis, die mij begin Januari bereikte, vermeldt 0.a., dat 110.000 Nederlandse Joden in de periode 1940—’45 naar Duitsland en bezet gebied zijn vertrokken. Van 99.000 ontbreekt nog ieder spoor. „Geregistreerd” overleden zijn er 5.000. Slechts 6.000 repatrieerden. Dit cijfer is m.i. in zoverre zelfs nog geflatteerd, daar de uit z.g. „bevoorrechte” kampen teruggekeerden hierbij uiteraard zijn inbegrepen. Blijkens een vroegere schatting kwamen uit Polen hoogstens 1000 Nederlandse Joden terug. FOTO 2

In de jaren 1940—’45 vertrokken naar Duitsland en bezet gebied 726.662 Nederlanders. Er worden nog 147.376 vermist. (Hierbij zijn de 99.000 Joden inbegrepen). Voor zover geregistreerd, zijn 38.211 overleden. Ruim' 541.000 kwamen in het vaderlaTid terug. Op deze foto van een Joods transport, zijn de slachtoffers nog in het bezit van hun kinderen. Op de plaats van „bestemming”, vinden ze gezamenlijk of gescheiden een gruwelijke dood in de gaskamers.