is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 18, 01-02-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Cultuur

G ij behoeft niet bang te zijn, dat ik elke week ga vertellen, wat ik des Zondags gedaan heb. Maar ook ditmaal is het aanleiding voor wat ik u mede wilde delen.

Vanmorgen heb ik gesproken voor een Zondagmorgenbijeenkomst van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, georganiseerd in combinatie met „Ons Huis” te Rotterdam. Ik heb gesproken over „Kerk en Cultuur”.

Indertijd had ik die spreekbeurt met tegenzin aangenomen. Zondagsmorgens behoor ik in de kerk thuis. Maar ik wil mijzelf ook maar niet in de schijn van wettischheid laten leven, en daaroip had ik het aangenomen. Ik had overwogen, dat hier een verantwoordelijkheid ligt voor een predikant, die de zorgen en de moeite van de socialistische beweging wil delen. Deze bijeenkomsten hebben, zo wist ik, een zekere traditie. Zij lossen op een naar mijn gevoel onbevredigende wijze het Zondagmorgenprobleem voor den buitenkerkelijke op en men mag als Christen nooit deuren dicht slaan. Met dit voor ogen nam ik het aan en koos ik mijn titel.

Naarmate de datum dan meer nadert, gaat het geval je zwaarder drukken, en het is dan maar goed, dat je een belofte hebt gedaan.

Goed, ik ging dan. Vroeg op, scherpe wind, sneeuwjacht. Een hoekplaatsje met niemand naast je. In de trein is al te grote naasten-liefde een onding, vooral in de morgenuren, als het bloed nog de verkeerde kant uit stroomt. Mijn aandacht verdeelde ik tussen de aantekeningen van mijn toespraak en het luidruchtig gesprek tussen drie mannenbroeders van een gereformeerde kerkeraad, die uit horen gingen. Interessant. Het zou echter indiscreet zijn, om de welluidende namen van onze synodaalgereformeerde collega’s en het oordeel over hen weer te geven. Het was overigens zéér leerzaam. Dit alles in een trein, die toch eigenlijk naar gereformeerde opvatting op Zondag niet zou mogen rijden. Kerk en cultuur, dacht ik.

Nauwelijks had ik mijn kaartje afgegeven, of een heerachtig man kwam op mij af, vroeg zacht of ik even mee wou gaan, omdat hij ambtenaar van de C.C.D. was. Mijn koffertje wekte blijkbaar argwaan. Ik ben als een lam in de handen van gezagsdragers. Ik heb minachting voor mensen, die op zulke ogenblikken hun verlegenheid verbergen door verontwaardigd en vrijheidslievend te doen. Men leidde mij naar een kamertje terzijde. Koffertje open, blikken van drie paar ogen, koffertje dicht. Ik vertelde, dat ik een predikant was, die uit spreken ging. „Schijn bedriegt”, zeiden ze. Cultuur zonder kerk, dacht ik.

In Rotterdam door stille' straten met een enkel jachtig mens gelopen. Voor een bioscoop stond een lange rij lieden dichtopeen gepakt te bibberen om aan de beurt te komen voor een kaartje voor de middagvoorstelling. Op die wijze kan je óók een landerige Zondag stuk slaan. De kerk der cultuur, dacht ik.

De voorzitter ving mij in „Ons Huis” op. „Het weer zit tegen”, zei hij verontschuldigend. Nu ben ik heel wat gewend, na tientallen Friese vacaturebeurten. En ofschoon

ik niet neringziek ben, dacht ik toch wel even aan die lange rij van wachtenden voor die bioscoop.

Nu, het weer zè,t inderdaad tegen. In het zaaltje zat een tiental mensen, later door binnendruppelaars tot een schare van 21 aangroeiend. Het is een vaste gewoonte van mij geworden om de toehoorders te tellen. Niet uit ijdelheid, maar om je niets te verbeelden. Dat tellen behoort tot de culttur der kerk.

Een kwartet van toegewijde dilettanten speelde verdienstelijk 16de en 17de eeuwse muziek. Het had weliswaar niets met mijn onderwerp te maken, tenzij dan, dat het ook tot de cultuur behoort en net als de Kerk, oud was. Maar die muziek is typerend voor dergelijke bijeenkomsten. Het geeft een vroom gevoel, en het verplicht overigens tot niets. Het is voor velen het laatste restje kerk, dat over de cultuur uitstraalt en het is, kerkelijk gezien, maar een zeer schamele rest.

Toen heb ik gesproken. Ik vertel daar

niets van. In de eerste plaats, omdat het s'tom-vervelend is, als een dominé zijn eigen preek oververtelt en bovendien, omdat van de 600.000 Rotterdammers er ook maar 21 waren, die het voldoende interessant vonden, om het te komen aanhoren. Zou de lezerskring van „Tijd en Taak”, die helaas de 600.000 nog niet haalt, er wel anders over denken? Alleen dit: het gehoor heeft goed geluisterd, niet gegeeuwd en niet gelachen. Het heeft zich strak gehouden, behalve die ene man, die knikte, toen ik zei, dat het er in de Kerk om ging, het Evangelie te verkondigen met woord en daad. Hij zal geknikt hebben vanwege die daad en daarmede verried hij de diepe twijfel bij de buitenkerkelijke socialisten aan het woord der Kerk.

Waar het mij met al die mededelingen om te doen is, is dit: laten wij, die zwoegen in de Kerk verscheurd, traag, zonloos als zij vaak is beginnen met waar te nemen, dat zij, die los staan van de Kerk, geen vormen kunnen vinden om zelfs maar op eenvoudige wijze de schare te bundelen tot een luisterend en ontvangend geheel. Want het is heel erg, dat een organisatie met traditie voor de oorlog telde het Instituut in Rotterdam 4000 leden —, een organisatie die een beroep doet op de grote massa van bewuste arbeiders, van mannen en vrouwen dus, die reeds in het tweede geslacht hunner bewustmaking zijn, geen binding kan geven aan een flinke kern van getrouwen. En wij vergeten daarbij niet, dat

RISICO en BELONING

In de economische theorie is er het leerstuk van de risico. Naast de onzekerheden, die statistisch zijn uit te rekenen en waartegen men zich dus kan verzekeren, bestaan er tal van omstandigheden, welke vooraf niet te berekenen zijn. Deze risico’s moeten aangedurfd worden door bepaalde personen. In de ec. theorie noemt men deze mensen „ondernemers”: zij ondernemen een bepaalde taak en wagen het risico te aanvaarden. Als voorbeeld noem ik een fabrikant, die een nieuwe vinding gaat gebruiken, daartoe een fabriek huurt, arbeiders aanneemt, kapitaal leent, gaat produceren. Niemand weet of het product afzet zal vinden. Ook hij niet. Maar hij waagt het erop. Hij kan wel verdienen, maar hij kan ook veel verliezen. Deze soort mensen, mensen dus met particulier initiatief en ondernemingszin, vinden wij niet alleen in de industrie, maar even goed in de handel, in de scheepvaart, in de kleinwinkelbedrijven en in de grote concerns. En onder een systeem, waarin de onzekerheden vele zijn, zal niemand ontkennen, dat een dergelijke ondernemer recht heeft op de mogelijkheid van een behoorlijke winst als beloning van zijn risico.

Maar nu komt het er op aan! Leven wij nog in een tijd, waarin de risico’s zo groot zijn, dat er goed betaalde ondernemers nodig zijn? En een tweede vraag: is het niet beter een systeem op te bouwen, waarin de risico’s zo gering mogelijk zijn?

Over deze twee vragen zullen wij het nu hebben.

Allereerst: is een systeem mogelijk met weinig risico’s? Laat ik vooropstellen, dat

het in leder geval wel wenselijk is. Wij behoren niet tot die loten van het moderne heidendom, die „gevaarlijk leven” aantrekkelijk vinden. Evenmin voelen wij ons aangetrokken tot die 19e eeuwse filosofen, die het zwakke, als zijnde minderwaardig, laten vertrappen door depa sterkere, opdat alleen de capabelste zal blijven bestaan. Deze theorie van de „survival of the fittest” is in de practijk meestal de „survival of the fattest”, de overwinning van den glibberigste, van den onfatsoenlijke, van den slaverik. Wenselijk is dus zeker een toestand met weinig risico en alleen daarom ook reeds mogelijk, want wij zijn niet de dienaars van onverbiddelijk economische wetten. De wetten zijn er, maar de omstandigheden, onder welke zij gaan functionneren, worden door ons bepaald. De zwaartekracht is een natuurkundige kracht, die door den mens beheerst wordt. Zouden dan de economische krachten niet beheerst worden?

Is het, economisch gezien, mogelijk risico’s te beperken? Stellig. Neem bij voorbeeld de ver voortgeschreden marktanalyse. Neem de mogelijkheden, welke de statistiek oplevert. Neem de conjunctuurpolitiek der verschillende staten. Neem de marktbeheersing door een beperkt aantal producenten, waardoor practisch de kans op verliesgevende productie is uitgesloten. Neem de protectionistische handelspolitiek der meeste staten, waardoor de nationale industrie beschermd wordt tegen buitenlandse concurrentie. Neen, in de handel, de steeds vaker voorkomende commissiehandel, waarbij de handelaar geen echt