is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 18, 01-02-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit nog het groene hout is. Wij zien daarin, dat er tot op dit ogenblik géén andere orgasatie is, dan de Kerk, die dit bereikt. Dit doet ons ook in dit opzicht wij laten hier een ogenblik de wó,arheid, die zij verkondigt, terzijde, ofschoon dè,t het wezenlijke is, waar het om gaat, óók al zou zij niet gemeenschapsvormend functionneren—de Kerk des te meer achten, zelfs wanneer wij tegen haar toornen.

Daar beginnen wij mee. Maar daar eindigen wij niet mee.

Want onmiddellijk daarop bedenken wij, dat het de schuld van diezelfde Kerk is, dat het zover gekomen is. Haar schuld is, dat zij in zichzelf gekeerd was. En is. Dat zij niet het vermogen heeft gehad om de bronzen noodklok, die zij op het terrein der cultuur had moeten laten luiden boven alle vreugdevolle exclamaties over de vooruitgang der civilisatie, niet heeft gehoord.

En als wij dat bedacht hebben, dan worden wij erg bescheiden en zeer vasthoudend. Bescheiden in onze critiek op die cultuur, waarin zovele ontbindende factoren zijn. Vasthoudend, om haar niet los te laten. Om de middelen te vinden, de wegen te zoeken om pretentieloos als Christen, als Kerk haar te dienen.

Deze overweging maakte, dat ik er, tegen mijn natuurlijke aandrift in, toch maar weer vrede mee had, dat ik mijn Zondagmorgen niet in de Kerk, maar in een stukje cultuur had doorgebracht.

L. H. RUITENBERG.

risico meer draagt. Neem, in de kleinhandel, de opkomst van het merkartikel, waardoor de detaillist steeds meer depot wordt van een aantal merkartikelen. En dit geschiedt, althans in ons land, nog maar in geringe mate planmatig. Wanneer werkelijk de overheid haar taak op sociaal-economisch gebied ten volle zal verstaan (en daar lijkt het nu nog niet op In ons land)r dan zal deze beperking van risico nog aanzienlijk vergroot worden. Terecht zeggen sommige lieden dan, „dat er geen aardigheid meer aan is”. Voor hen, die graag speculeren op de ruggen van den gewonen man, zal er nog wel meer aardigheid afgaan in de komende jaren. Dat wilden deze mensen in de U.S.A. ook ten tijde van Roosevelt en zij hebben nu hun „aardigheid” weer teruggekregen dank zij Roosevelt’s armzaligen en zleligen opvolger. En nu ben ik eigenlijk ook al terecht gekomen in de beantwoording van de eerste vraag: leven wij nog in een tijd met risico’s, welke behoorlijk betaald moeten worden? En dan moet hier het antwoord luiden: neen, stellig niet. Onze tijd kenmerkt zich door schaarste en grote warenhonger. Was in het vooroorlogse de afzet het cardinale punt en daarmede dus ook het afzetrisico, thans is de productie van de zo dringend gewenste en nog steeds schaarse artikelen essentieel. Welke industrie behoeft bang te zijn, dat zij haar producten nie kwijt kan? Welke detaillist blijft met bedorven eieren of boter zitten, of met verkleurde wol? Welke handelaar loopt gevaar te veel te hebben gekocht? En het ziet er niet naar uit, dat in de eerstkomende jaren het risico veel groter zal worden. Nu is het steeds zo geweest, dat de beloning evenredig moest zijn aan het risico. Het risico is thans klein. Dus... de beloning behoort klein te zijn, tenzij men deze voormalige risico-dragers ten koste van de gemeenschap wil onderhouden. lets dergelijks is niet geheel verwerpelijk. Denk

b>. aan onze winkeliers, die in ons volk wel niet steeds (denk aan de oorlogsjaren) een sociale functie hebben vervuld, maar die toch als sociale groep belangrijk genoeg zijn om hun zelfstandigheid te laten voortbestaan. Maar zoiets zal toch maar niet zo vanzelfsprekend moeten worden aanvaard. Wij leven niet in een statische maatschappij, waarin alles moet blijven zoals het vroeger was. De vormen en organen van ons maatschappelijk leven zullen zich hebben aan te passen aan het heden en... de toekomst. Met zo weinig mogelijk onaangename consequenties voor de mensen, die er bij betrokken zijn.

Wat echter thans vast moet staan is, dat het uit moet zijn met deze hoge beloningen voor risico’s, die geen risico’s meer zijn. De hoge handelsmarges zullen aangepast moeten worden. Ondernemerswinsten dienen het uiterst sobere karakter van een beloning voor bewezen Initiatief niet te overschrijden. „Neemt men dit niét”, goed, duizenden zijn bereid de leiding van ons industriële en handelsleven over te nemen. Laten wij ons niet te veel voorstellen van de onmisbaarheid van bepaalde lieden, wier heengaan alleen kan strekken tot een opklaring van onze volkshuishouding.

J. G. VAN DER PLOEG.

■ ■ IMfIJ EN INDONESIË

Over tactiek hy de propaganda Er voltrekt zich in ons land een scheiding der geesten, waarbij enkele woorden als schibboleth dienst doen. Wie spreekt van Indonesië (zonder aanhalingstekens!) plaatst zich in het ene kamp, wie vasthoudt aan de koninklijke rede van 7 December 1942 in het andere, hoewel ook de koningin in die rede het woord Indonesië gebruikte. „Herstel van recht en orde” was zulk een schibboleth; thans is het vooral het woord Linggadjati, welke uitspraak beslissend is voor het kamp, waartoe men behoort: met instemming, hoop en verwachting of met afwijzing, hoon en spot. Vóór of tégen Linggadjati, dat is de keuze. Let wel: de Nederlandse Staat heeft, door de Kameruitspraak van December, voor Linggadjati gekozen; het Nederlandse volk zal te zijner tijd, als de voor de uitvoering van Linggadjati noodzakelijke grondwetsherziening aan de orde is, voor deze keus geplaatst worden. Welke beslissing zal het dan nemen?

Dat zal dan afhangen van de wijze, waarop het voorgelicht is. Voor- en tegenstanders beijveren zich, deze voorlichting te verstrekken; vooralsnog mag men vaststellen, dat de tegenstanders zich meer roeren en sprekender argumenten naar voren brengen, dan de voorstanders. Het eerste argument der tegenstanders is samengevat in de naam, die zij voor hun comité gekozen hebben: het nationale comité voor rijkseenheid. Een duidelijk sprekend, maar misleidend argument. Duidelijk sprekend, want geen enkele Nederlander zou deze eenheid van Nederland in gevaar gebracht willen zien. Misleidend, omdat in Nederland geen imperiale gedachte leeft. Het rijk is voor het Nederlandse volk het land, waarin het woont; de grote massa denkt bij dit woord niet aan het grondwetsartikel (dat het niet kent), waarin de delen van dat rijk beschreven worden. Het tweede argument der tegenstanders is even duidelijk en even misleidend; het kan samengevat worden in de woorden, die „Elsevier” enige weken geleden schreef: „Verliezen we Indië, dan worden we allemaal paupers”. In 1945 verscheen bij Elsevier een boekje, dat de pakkende titel droeg: Annexeren of pauperiseren. Thans heet het uit die hoek: koloniseren of pauperiseren. Dat is kort, dat is krachtig en duidelijk is het ook, maar het is misleidend, uitermate misleidend. Toch zal deze propaganda slagen, als niet de voorstanders in staat zijn, er een even duidelijke en krachtige, maar dan juiste formule tegenover te stellen.

Welk argument brengen de voorstanders naar voren? Al hun propaganda culmineert in dit ene argument: „Het Indonesische volk wil vrij zyn, het heeft recht op vrijheid, wy moeten eraan meewerken, dat het zich deze vryheid schept.” Een schone gedachte, maar een gedachte; meent men werkelijk, het voik voor zulk een gedachte als zy schoon en juist en rechtvaardig is, maar buiten zyn eigen belangen omgaat, ja, er zelfs, naar de tegenstanders beweren, lijnrecht mee in stryd is meent men nu werkelijk, het voik voor zuik een gedachte te kunnen winnen? Ik bewonder het idealisme der voorstanders, maar ik deel hun optimisme niet: mijn uiteraard beperkte levenservaring, maar ook mijn grotere kennis van de geschiedenis hebben mij geleerd, dat altijd bij botsing tussen ideaal en materiële belangen, de materiële belangen prevaleren. Het wordt tyd, dat de voorstanders van Linggadjati althans rekening gaan houden met de mogelijkheid, dat zulks ook bij deze keuze zal plaats vinden. Dat zij dit ene feit duidelyk zullen doen spreken: verwerping van Linggadjati betekent: einde van onze taak, van ons werk in Indonesië; verwerping van Linggadjati betekent: armoede in ons kleine landje! Deze voorstelling van zaken is eenvoudig, duidelijk, sprekend en niet gering voordeel zij is nog juist ook! Ik wil dat gaarne aantonen.

Maar eerst moet ik in enkele korte trekken mijn visie op het Indonesische probleem schetsen; ik wil dat in een drietal stellingen doen. Van deze drie stellingen hebben de eerste twee de kracht van axioma’s; de derde stelling volgt daaruit met wiskundige zekerheid.

Als eerste axioma stel ik:

Het zou voor Nederland en voor Indonesië een onafzienbare ramp zijn, wanneer de banden tussen beide landen definitief werden doorbroken.

Myn tweede axioma luidt:

Wanneer wij vandaag Indonesië met kracht van wapenen heroveren, zullen we er morgen definitief uitgesmeten worden.

Beide axioma’s behoeven enige toelichting. Tegen het eerste zal wel niemand bezwaar hebben; Nederland heeft Indonesië nodig, maar omgekeerd kan ook Indonesië het niet zonder Nederland stellen. Welke rampen zouden onze handel, onze scheepvaart, onze industrie, onze luchtvaart, zou heel ons economisch leven treffen, indien Indonesië voor ons, niet als uitbuitingsmogelykheid, maar als werkgelegenheid verloren ging! Ik bepaal me hier tot een uitroepteken, laat de uitwerking van dit