is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 18, 01-02-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERNIEUWING ZOER HERSTEL

Van weinig landen is de geschiedenis zozeer beïnvloed door aardrijkskundige factoren als die van Polen. Eén uitgestrekte laagvlakte loopt van het Westen naar het Oosten, aardrijkskundige grenzen zijn alleen in het Noorden aan de zee en in het Zuiden bij de gebergten aanwezig. Het resultaat was, dat Polen sterk is als zijn naburen zwak zijn en verdwijnt als zij sterk worden. Juist daardoor leeft in dat volk een krachtig nationaal gevoel, dat licht overspannen raakt. Nationalisme kan zich naar twee zijden richten; het kan de gezonde uiting zijn van een overweldigd volk en eveneens het bewijs van een ongezond en gevaarlijk imperialisme. Gevolg van gebrek aan nationalistische matiging is na 1918 geweest, dat de algemene sympathie, die de westerse volken Polen in de negentiende eeuw toedroegeh, alras in een op een afstand houden overging. Terwijl immers in de vorige eeuw de Polen verdeeld waren over drie staten. Rusland, Duitsland en Oostenrijk en alleen in Oostenrijk konden meepraten, heeft hun naoorlogse regering de gelegenheid aangegrepen grote delen van Rusland te annexeren, waar naast een Poolse minderheid Oekraïnse en Witrussische bevolkingen woonden, die even weinig aan het staatsbestuur konden deelnemen als de Polen tevoren in Duitsland.

De tragiek van de Poolse kwestie is, dat elke partij in het geding een eigen visie op de zaak heeft, ontleend aan een enkele fase uit de Poolse geschiedenis of aan de idealen van sociale groepen die al of niet aan het landsbestuur hebben deel gehad. Voor de Duitsers was de verdeling de ideale situatie, voor de Russen als oostelijke grens de bekende Curzonlijn, die in 1919 bijna verwezenlijkt was. Binnen Polen verdedigen de twee partijen te goeder trouw diametraal verschillende posities. De regeringsgroep neemt de toestand zoals hij is: het land is door de Russen bevrijd, dus hebben de Russen als machtigste nabuur het meest in de melk te brokkelen en dat brengt mee, allereerst: grenzen, zoals die de Russen passen, en ten tweede: verdeling van het grootgrondbezit en toeneming van de macht der industriearbeiders in de regering. De oppositie hier-

tegen is uiteraard groot; ze komt zowel van de terzijde gestelden zoals grootgrondbezitters en voorheen invloedrijke Polen uit de nu afgestane oostelijke provinciën, als van de kant der westers ingestelden, de burgerlijke democraten, waarbij zich dan al die groepen voegen die om inciden-

tele of traditionele reden tegen orde, rust en gezag zijn. De ontworteling ten gevolge van de oorlog is in Polen oneindig veel groter geweest dan in ons land. Vijf tot zes jaren lang was het voor de Duitsers niet slechts bezet, maar ook geplunderd en mishandeld gebied. Honderdduizenden werden als dwangarbeiders naar het buijtenlainid gezonden, oneindig veel ouders raakten hun kinderen, kinderen hun ouders kwijt. Het partisanenleven van velen was romantisch maar moeilijk en verruwend; van de intellectuelen werd met opzet zeker de helft gedood. Zulke omstandigheden zijn een ongunstige voedingsbodem voor een regime dat de mensen hard aan het werk moet zetten, en een uitstekende basis voor oppositie en burgeroorlog.

Dit treft temeer, omdat de oppositie, hoe heterogeen ook (trouwens, de regering bestaat uit knalrode tot rosé groepen die het ideologisch ook lang niet eens zijn) ook een duidelijke voorstelling van Polen zoals het behoorde te zijn, heeft. Haar ideaal gaat terug op het Polen met de grenzen van 1939 en een wat democratischer staatsinrichting, zij het dat deze wel gebaseerd diende te zijn op de sterk autoritaire laatste grondwet. Er zijn goede redenen voor de oude grenzen aan te voeren) Polen was in zijn toenmalige gedaante de eerste staat die Hitler aanviel; Engeland en Frankrijk hadden die gegarandeerd. Volkomen te goeder trouw hebben vele Polen zich onder de geallieerde vanen geschaard in de overtuiging aldus aan de bevrijding van hun vaderland mee te werken. Maar terwijl zij in Italië en Frankrijk naast de Engelsen streden, ging de toekomstige macht over het ten dele bevrijde Polen over aan de Sowjetunie, die deze macht slechts wilde toevertrouwen aan Polen, die van hun land nimmer een tegenstander van de Sowjetunie zouden maken; dat de Polen in Londen eenzelfde

politiek zouden voeren, verwachtte Moskou niet. Terecht of ten onrechte? De Russische staatkunde is wantrouwig en herinnerde zich heel wel de Poolse plannen van voor 1939, toen er in ernst sprake was van een gewelddadige oostelijke uitbreiding van Duitsland met Poolse hulp. Het is duidelijk, dat talrijken in deze omstandigheden tussen hamer en , aambeeld komen. Op onze tocht door Duitsland ontbeten wij op een morgen in Munster met een Poolsen officier, wel te verstaan een Londensen, geen Russischen Pool (zij dragen verschillende uniformen), die voor de Engelsen in Duitsland bezettingswerk deed. Hij kende ons land, had tegen de Duitsers gevochten in Breda en Winschoten. Hij was, zo vertelde hij, in de winter van 1939 er in geslaagd uit Polen naar Frankrijk te vluchten en had ver van zijn familie zijn jaren in Engeland doorgebracht. Liefst zou hij teruggaan, men heeft maar één vaderland, en terugkeer ried hij ook zijn soldaten aan. Maar hem hadden uit Polen door zijn vrouw, die zich zojuist bij hem gevoegd had, geruchten bereikt, dat hij er wel nimmer meer zou kunnen aarden. Hij was advocaat, maar vreesde in een zodanige geëxponeerde functie niet aan de slag te kunnen komen, doordat een officier in het Londense Poolse leger automatisch in de reuk van fascistische neigingen stond. Wellicht moesten wij hierbij denken: niet alleen wantrouwden de regeringsgezinden hem, de oppositie zou middelen weten te vinden om hem te dwingen aan haar zijde mee te doen. Van hem werd een keus verlangd, die niet bood wat hij hoopte, toen hij met moeite en gevaar zijn land verlaten had. Nu bracht hij zijn verlof door in Brussel, een mooie stad, maar niet thuis. Erger nog gaat het met de Joden in Polen. Hun positie was voor de oorlog al moeilijk, ondergraven door de maatschappelijke (Vervolg op pag. 6)

Op 30' Januari 1933 gaf President Hindenburg op raad van Von Papen aan Hitler, door Goering en Goëbbels bijgestaan, het bewind in handen. De oude Romeinen hadden in hun kalender, naast de feestdagen aangetekend de „dies ater”, de zwarte dag. Wij gedenken deze zwarte dag. Aan een prachtige serie schetsen van Robert Ziller, (1946, uitgave Het Hollandse Uitgevershuis A’dam) ontlenen we twee bittere tekeningen: de Führer zelf het begin en het einde: het concentratiekamp. En dan is' er ’n gedicht van een arbeider-dichter, een, die Dachau meemaakte en in eenvoudige versregels weergeeft, waartoe een mensenkind kan komen. Opdat wij niet vergeten...

uitroepteken gaarne aan economen over. Maar ook voor Indonesië zouden de gevolgen, die het verbreken van de band met Nederland zou hebben, funest zijn: het land zou in de armen van Amerika gedreven w'orden en aan de ervaringen van de Philipijnen kunnen ook nu reeds de Indonesiërs afmeten, wat dat betekent: de leiders hebben het reeds gedaan. Als curiositeit vermeld ik nog, dat ik de formule voor dit cerste axioma ontleend heb aan een artikei in de „Waarheid” (October of November 1945); ik hoop, dat onze communistische vrienden intussen niet van mening veranderd zijn.

Ziehier mijn toelichting op het tweede axioma: de woorden vandaag en morgen zal meri hierin wel naar hun bedoeling willen uitleggen.

Ik twijfel er, als was het op gezag van de militaire deskundige van „Elseviers weekblad”, geen ogenblik aan, of onze troepen in Indonesië zullen in staat zijn het leger van de republiek te verslaan. Onze tegenstander zou dan immers niet met Duitsland of Japan vergeleken kunnen w’orden, waartegen we het al of niet glorieus hebben moeten afleggen. We verslaan dus het leger van de republiek, maar

wat dan? Ik zie van mogelijke internationale complicaties af: zal men ons om onze heldenmoed bewonderen of zal men ons dit optreden ten kwade duiden? Beide is mogelijk, maar in Indonesië kan slechts één ding gebeuren: heel het Indonesische volk, dat zich nu nog afzijdig houdt ik wil de tegenstanders van Linggadjati toegeven, dat het nationalisme nu nog slechts hoogstens 10 pet. van de bevolking achter zich heeft: heel dit Indonesische volk zal door ons militaire optreden in de armen van het nationalisme gedreven worden; wij zullen dan in eiken eenvoudigen koeli, in eiken tani, een vijand kunnen zien. Een Nederlander, die zich dan nog in Indonesië waagt, zal achter elke boom een vijand kunnen verwachten, die zijn kris dreigend gereed houdt; geen Nederlander zal dan meer vrouw en kinderen in Indonesië veilig W’eten; geen Nederlander zal dan nog in Indonesië kunnen leven, d.w.z. scheppende arbeid verrichten: heel zijn energie zal door een doorlopende politiedienst uitgeput worden. Vandaag Indonesië met kracht van wapenen heroveren betekent: het morgen definitief verliezen.

Maar ook de vreedzame inlanders hebben van de terroristen te lijden!

Zeker, stellig, en ook hun zal niets liever zijn, dan in rust en vrede met hun werk voort te kunnen gaan. Meen echter niet, dat het u gelukken zal, dit vreedzame deel der bevolking tegen eigen broeders op te zetten. Zegt de volgende gebeurtenis, die ikzelf tijdens mijn verblijf in de tropen meemaakte (25 jaar geleden) u misschien iets? In het stadje, waar ik toen woonde, waren klachten onder de inlandse bevolking gerezen tegen het financieel beleid van een controleur B. B. (Nederlander), wiens optreden inderdaad niet helemaal zuiver was. Men liep tegen hem te hoop en het gouvernement moest hem, om ongelukken te voorkomen, overplaatsen. Terzelfdertijd woonde in het stadje ook een hadji, een bedevaartganger naar Mekka, die het daaruit gewonnen prestige misbruikte om de bevolking op een meer dan schandalige wijze uit te buiten. Protesten? Geen sprake van. Vergeef me deze ietwat dwaze beeldspraak: de prikken met de splinter, die de Nederlander hun toediende, W'ekten verzet en verontwaardiging; de harde klappen met de balk van hun eigen landgenoot werden aanvaard,

Maakt u omtrent de kracht van dit Indonesische nationalisme geen illusies.

Ik kan nu de stelling formuleren, die uit deze overwegingen volgt; ik hoop, dat onze propaganda haar zal uitwerken en aan ons duidelijk zal maken.

Wilt gij Indonesië als werkgelegenheid voor Nederland behouden? Wilt gij voorkomen, dat ons land en ons volk afzakt tot het levenspeil van een Balkanstaat? Schaart u dan achter Linggadjati, aanvaardt dan de oplossing, die de commissiegeneraal u voorgelegd heeft. Want slechts een vreedzame regeling van het bestaande conflict zal onze landgenoten in staat stellen, in Indonesië nuttig werk te verrichten, nuttig voor Indonesië, nuttig voor Nederland en nuttig voor henzelf.

Slechts een vreedzame regeling zal onze Vaart en onze handel op Indonesië velen van onze landgenoten hier te lande werk blijven geven, zal onze arbeiders in tal van fabrieken arbeid verschaffen.

Slechts een vreedzame regeling zal ons land en onze economie doen delen in de stijging van het levenspeil van het Indonesische volk.

'Voor Linggadjati: vrede en welvaart; tegen Linggadjati: oorlog, armoede en ellende!!

J. A. MEIJERS.

HERINNERING AAN EEN MESTHOOP IN DACHAU

fDoor het hombardement verrast. . .)

Ti zie mijzelf doods en zeer eenzaam gaan

achter de draden, naar de nacht gebogen;

er staat een schildwacht, met gespannen ogen,

hij kijkt vermoeid de dode huizen aan.

De Capo jaagt. Zal hij mij nu wéér slaan?

hij is een roofdier, aan zijn hol onttogen; ik haat hem fel, en zonder mededogen

is ruw mijn hart de wrake toegedaan.

De honger maakt tnij gek en gans ontdaan

zie ik een mesthoop in verloren hoeken;

ik val naar voren en ga razend.zoeken: er vlucht een rat, die kopschuwt naar de maan.

Een felle donder kaatst tegen de sloppen aan.

Het zoeklicht heeft in de verrotte blaren;

ik voel mij kleiner dan in één der jaren:

straks zal ik in de mesthoop nog vergaan.

Vergeten zijn de luizen en het wee.

ik hen een mol met nïn beklompte voeten

en voel de doodsangst in mij wroeten:

vergeef mij, dood, ik wil vannacht niet mee.

De bommen barsten krakend in het rond,

ik min de mesthoop als ’n man zn gade;

wat geef ’k om ’t vuil en om de maden:

nu ben ik één met ’t rotten op den grond

JOOP HEMMERLÉ.