is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 22, 01-03-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VRUCHTEN DER VRIJHEID

1 het andere nieuws van de laatste dagen wordt overschaduwd door Attlee’s verklaring van 20 Februari, dat het Britse bestuur zich uiterlijk eind Juni 1948 uit Brits-Indië teruggetrokken zal hebben. Het is een besluit dat in de één of andere vorm reeds jaren in de lucht hing, maar dat toch niet nalaat tal van vragen op te roepen. Algemene vragen: hoe zal in de toekomst de mate van samenwerking tussen Hindoes en Mohammedanen, die tussen de zelfbesturende vorsten en de centrale regering zijn? Practische vragen: aan wie zullen de Engelsen op de scheidingsdatum het bestuur overdragen, welke economische, militaire en volkenrechtelijke betrekkingen zullen er in de overgangsperiode tot stand komen? In welke mate zal het mogelijk zijn tot bevrediging van beide partijen een regeling te treffen die de nieuwe principes zo veel mogelijk begunstigt en verkregen particuliere rechten zo min mogelijk aantast? Maar de hoofdvraag ligt niet op het terrein: „hoe te scheiden wat in tweehonderd jaar tot een zekere eenheid gegroeid is”, maar is deze: welke plaats zal het toekomstige onafhankelijke India te midden van de andere mogendheden in de internationale politiek innemen?

Het gaat hier om een uitgestrekt land met een grote bevolking; aardrijkskundigen hebben geen ongelijk als ze zeggen dat China en India geen landen in de gebruikelijke zin des woords zijn, maar werelddelen. Aan de rivier de Ganges ontstond de Indische cultuur, die met de Egyptische, Mesopotamische en Chinese tot de oudste beschavingen ter wereld behoort. Van oudsher heeft dit vruchtbare en ontwikkelde land dan ook de veroveraars naar zich toe getrokken, die zich als bovenlaag en militaire kaste nestelden en de cultureel hoger staande ingezeten bevolking voor zich lieten werken. Aldus de Mongolen. In de loop van de 18e eeuw heeft zich aan de kusten van India een felle strijd afgespeeld tussen Fransen en Engelsen om de toegang voor handelspenetratie; ook Nederlanders hebben in de loop van hun koloniaal verleden

hier een niet onbelangrijke rol gespeeld. Concurrenten hebben de Engelsen geen grote schade kunnen toebrengen; de generaals van de Compagnie verdreven de Fransen en ook de Hollanders kregen na de Napoleontische tijd hun factorijen niet terug.

Een gewichtige wijziging in het bestuur kwam in de loop der vorige eeuw tot stand, toen de regering na eeri hoogst ernstige opstand de Compagnie ontbond en het land als kolonie overnam. Tot de Britse staatkunde behoorde het sluiten van vriendschapsverdragen met de zelfstandige vorsten, die aldus in afhankelijkheid van Engeland kwamen maar hierdoor de mogelijkheid behielden hun onderdanen te behandelen zoals hun goed voorkwam. Voorts bezigden de Britten het land als uitvalspoort in westelijke, noordelijke en oostelijke richting, met het gevolg dat een alzijdige gebiedsuitbreiding tot stand kwam, die echter in het noorden op de Russische expansie naar de Perzische Golf stuitte.

Aan de economische ontwikkeling van India lieten niet zozeer de militairen en bestuurders als wel de Londense kapitalisten zich gelegen liggen. India met zijn 'zich snel uitbreidende, m§,ar doodarme bevolking, was in de aanvang van deze eeuw de kweekplaats van uitgebreide industrieën (vooral textiel), die de overschietende bevolking van het platteland aantrokken en deze tot hard werkende, vreugdeloze proletariërs lieten degenereren. India werd het klassieke voorbeeld van een land met een dubbel economisch leven: dat van de ingezeten bevolking, wortelend in oude gebruiken en niet zonder gevaarlijke mogelijkheden (hongersnood), èn dat van de vreemde heersers, die de Indiërs lieten werken voor anderer belangen, zodat India zelf slechts weinig van deze arbeid profiteerde. De betekenis van de Indische industrie is groot; in de eerste wereldoorlog heeft zij sterk tot de geallieerde overwinning bijgedragen, in de tweede was zij onontbeerlijk daarvoor. Tezelfdertijd als de opkomst der industrie valt het ontstaan van het naar po-

litieke zelfstandigheid strevende nationalisme, dat behalve nationalistische evenzeer socialistische en culturele men zou bijna zeggen humanistische trekken '' draagt. Vooral onder de inheemse intellectuelen, tegelijkertijd aangetrokken en afgestoten door de westerse maatschappij, won deze beweging veld. Doch geleidelijk wisten hoogstaande en intelligente leiders als Gandhi en Nehroe groter groepen van de bevolking te winnen; met name het stedelijk proletariaat, in mindere mate de geisoleerde landbouwers en de van Engeland afhankelijke vorsten. Een handicap voor deze beweging vormt tot dusver de gespletenheid van het Indische volk, niet naar afkomst, maar naar godsdienst. De Mohammedanen, die immers slechts in het westen en oosten de meerderheid van de bevolking uitmaken, vrezen in een onafhankelijk India onder de Hindoes te komen. Jarenlang heeft deze tegenstelling de Britten gepermitteerd een „verdeel en heerspolitiek” te voeren, maar nog immer geldt de opvatting van Talleyrand, dat men met bajonetten alles doen kan behalve erop zitten.

Inderdaad kan men de waarde van India voor het Britse rijk niet hoog genoeg schatten, zeker voor de vervlogen koloniale jaren, maar ook voor de huidige tijd. Het economisch en militair potentieel van het land is enorm, vooral als het meer geleidelijk tot ontwikkeling gebracht wordt. Het is voorts in militair opzicht de schakel tussen de Britse bastions irf het midden- en het verre oosten. Tenslotte: Engeland heeft een zekere verantwoordelijkheid voor India op zich genomen; geeft het die uit handen, zal er dan niet wellicht een vacuum ontstaan, dat andere mogendheden gelegenheid geeft zich in Engelands plaats er te nestelen? Dit laatste gevaar heeft reeds gedreigd van de zijde der Japanners. Opvallend was toen de houding der nationalisten. Sommigen zagen in de door de democratieën voorgestane ideologie het juiste principe, maar wilden de hen onderdrukkende Britten niet helpen. Anderen streefden tegen de Engelsen een nationaal doel na door Japan te steunen. De na-oorlogse straffen tegen deze collaborateurs heeft men niet ten uitvoer kannen leggen; daarvoor bestond er een te grote sympathie voor hen.

Gezien de allerjongste ontwikkeling het door Nehroe „wijs en moedig” genoemde Engelse besluit tot ontruiming van India heeft het weinig zin hier de hele lijdensgeschiedenis van de laatste dertig jaren op te halen, waarin men op verschillende wijzen gepoogd heeft India op de één of andere wijze aan een zekere mate van zelfstandigheid te helpen. In de sfeer van een half-koloniale oplossing doordenkend, hebben de Britse conservatieven Attlee’s radicale oplossing met verontrusting ontvangen. Zij zijn niet toegankelijk voor de «oor de Labour-regering uitgesproken gedachte,' dat juist volledige onafhankelijkheid de beide strijdende Indische partijen hun verantwoordelijkheid zal doen inzien en aldus tot elkaar brengen. Zal John Buil, die aanvankelijk van zijn middenpositie profiteerde, nu ophouden kop van jut te zijn? Churchili en de zijnen verkiezen deze situatie boven een volledig vertrek.

Tot 30 Juni 1948 is het laatste woord over India nog niet gesproken. Van de uitvoeringsbepalingen hangt nu alles af: een nieuwe staat, anarchie of toch bestendiging van de koloniale verhoudingen. Maar het ziet ernaar uit, dat Attlee’s toezegging niet meer ongedaan gemaakt kan worden en door geen enkele regering meer kan worden genegeerd.

23 Februari 1947. A. E. COHEN.

(Vervólg van pag. 3) Daar staat: „Niet een ieder, die tot Mij zegt: Heere, Heere; zal het Rijk Gods binnengaan, maar wie doet de Wil van mijn Vader, die in den hemel is”.

Oslo is in gevaar. En met haar alle conferenties als deze. Het dreigt een praatcollege te worden. En misschien een erg oppervlakkig bovendien. Een ontmoeting in Christus’ Naam, waarin we Hem eigenlijk vergeten. Waarin we Hem kennen, maar niet: Hij ons. Want woorden zijn niet genoeg, al zullen er daarvan wel genoeg zijn. Het gaat om daden. Oslo kan een mijlpaal worden. Maar ook een valkuil. En die hebben we dan voor onszelf gegraven.

Op het ogenblik is er evenveel reden tot zorg als tot hoop. De grootste vraag lijkt

mij: Zal de jeugd wakker worden. Zullen hart en handen samenwerken. Zal ons allen een liefde bezielen, die het niet bij woorden jaat. Zullen we ontdekken, dat er méér is dan het ene kamertje van het grote gebouw waarin wij leven meer dan het hokje waar we zo van houden. Zullen wij ontdekken dat Christus van ons allen gezamenlijk de daad vraagt, die uit Liefde voortkomt? Gelukkig is daar hoop op. Maar, dan zullen we aan een paar dingen moeten denken. De zomer van 1947 kan een begin betekenen van historische en blijvende waarde. Er is een weg, die deze bijeenkomst van de Christelijke jeugd aller landen maakt tot een manifestatie van een wereldwijd en practisch Christen-zijn. Daarover in het volgende nummer,

H. ROMEIN.