is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 27, 05-04-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten in de wereld zullen kunnen worden. Maar dit proces vergt tijd en rust. Het is al voorbarig genoeg geweest, dat men tijdens de oorlog China uitriep tot vierde grote mogendheid na USA, USSR en Verenigd Koninkrijk (zoals het Britse rijk zonder de zelfstandige dominions in het internationale spraakgebruik heet). China heeft nimmer aan deze plaats beantwoord en Frankrijk heeft voor, Europese zaken dan ook de vierde plaats gekregen. Zo ver is de Sowjetunie kort geleden met de geringschatting van deze bondgenoot en mede-grote-mogendheid gegaan, dat Molotow op de aan Duitsland gewijde Moscouse conferentie voorstelde maar meteen het Chinese probleem te bespreken, niet in stilte, maar officieel. Dat zijn voorstel verworpen werd, neemt de betekenis ervan niet weg. China als grote mogendheid bestaat eenvoudig niet, het land wordt verscheurd dpor burgeroorlog en de sociale structuur weerhoudt het telkens tot de eenheid te worden, die het op de landkaart lijkt. Tijdens de oorlog is er telkens sprake van geweest, dat China de positie van Japan zou gaan innemen; gezien de op de werken des vredes gerichte cultuur der Chinezen meende men hiervan een vooruitgang van de veiligheid en de beschaving te mogen verwachten. Het ziet ernaar uit, dat eerder Japan bezig is tot op zekere hoogte zijn plaats te hernemen, dan dat China grote mogendheid uit eigen kracht worden zal. In Japan is de macht overgegaan van den Tenno en

zijn oorlogzuchtige ministers op Mac Arthur en zijn Amerikaanse en Japanse satrapen. Het proces te Tokio evenbeeld van dat te Neurenberg raakt den kleinen man niet; dat Tojo c.s. de oorlog voor hem verloren hebben is al meer dan genoeg om hen allen te disqualificeren. Japan geniet als bezet gebied van alle voordelen, die Duitsland mist. Er is een eenhoofdige leiding, in het dagelijks leven wordt niet ingegrepen door ernstige ontberingen; kortom, in Japan is een nieuw regime ingevoerd, even totalitair als het oude, maar thans minder op uitbreiding, dan wel op een bescheiden mate van welvaart door hard werken gericht. Japan is thans praktisch een Amerikaanse kolonie. Wanneer zal ook die zelfstandig worden? China is van oudsher het land van de familie. Het individu heeft voor zijn familie alles over, dat is zijn eerste plicht. Deze .stellig niet onsympathieke houding is echter in een centraal geregeerde staat volstrekt onmogelijk, want ze leidt tot alle vormen van corruptie en bevoordeling van onwaardigen. Aldus wordt steeds weer de Chinese staat verzwakt; met buitenlandse hulp pogen de beide tegenover elkaar staande Chinese groepen hun posities te handhaven. Zo gaat van het potentieel zo krachtige China generlei macht naar buiten uit; zo verzwakt China’s tweedracht de positie der Aziatische volken als geheel in de wereld. <

30 Maart 1947. A. E. COHEN.

.JMartin spreekt...

Voorjaar 1927. Ofschoon ik maar 15 jaar ben, gaat mijn belangstelling naar de politiek uit. Het Keulse „Koninklijke Friedrich Wilhelm-Gymnasium”, zoals het nog steeds werd genoemd, ofschoon de keizer in Doorn zat, was reactionnair. Volkse tendenzen werden door de „neutrale” schoolvereniging „Voor de Duitsers in het buitenland” gepropageerd. In feite waren alle scholieren van het Hoger Onderwijs lid van deze „hulporganisatie”. Zwart-wit-rood waren de officiële kleuren in deze school, zoals in de meeste andere scholen van de Duitse Republiek. Een held wie een zwart-rood-gouden lintje dorst te dragen. Zwart-rood-goud waren maar de kleuren van de Republiek. Van Weimar. Van de nieuwe staat die niet leefde in het hart van het volk.

Hindenburg was Rijkspresident geworden, en ook hij, het hoofd van de Republiek beminde de oude kleuren van het keizerrijk. De man van de dag was In ’26 had hij zelfs de Nobelprijs voor dp vrede ontvangen. Op vreedzame wijze wilde hij Duitsland weer sterk maken en machtig. Een intelligente nationalist, die door de reactie werd miskend.

Ik met mijn 15 jaren leefde mee met de politieke gebeurtenissen. Op school wisten ze ’t niet. Indien ze ’t hadden geweten: welke consternatie! Ik was communist. Ik dacht dat ik het was. Ik was vrijdenker. Ik dacht dat ik het was. Minachting had ik voor de vromen. Een opstel over een

kerk en dit was in Keulen, de stad der kerken, dikwijls het te behandelen onderwerp behoorde tot de moeilijkste opgaven die mij werden gesteld.

Toen was het dat mijn moeder die geen kerk en geen synagoge bezocht en die religieus was uit een diepe weemoed, mij meenam naar een lezing van Martin Buber. Ik had van hem enkele chassidische verhalen gelezen. Ik had, toen mijn moeder mij vroeg of zij in mijn smaak waren gevallen, er om gelachen, ze „naiëve, kinderachtige stukken” genoemd ofschoon ik ze eigenlijk helemaal niet kinderachtig vond, ofschoon zij mij hadden gegrepen en ik uit hun greep niet kon loskomen. Maar ik was kinderachtig oh, ik wist het en wilde niet bekennen hoé mooi deze wereld van Buber vooi; mij was, hoé groot de verrassing toen die wereld in de paar chassidische schetsen öpenging voor mij. Dit mijn moeder vertellen? Ik schaamde mij. Verkondigde ik thuis niet steeds weer, dat grootser dan religie en Godsdienst: communisme en atheïsme waren? Ik zou nu zwichten en zeggen, dat de wonderlijk kleurige verhalen van Buber mijn geborneerdheid een ,beetje hadden doorbroken?

Mijn moeder glimlachte. „Vind je ze echt zo belachelijk?”, zeide zij. En ik wist, dat zij alles wist...

En nu vroeg zij, of ik meeging naar zijn lezing in een kleine zaal, voor leden van een Joodse culturele organisatie. „Natuurlijk ga ik mee”, antwoordde ik

zonder enige aarzeling. En mijn moeder glimlachte weer.

Martin Buber... ik hoorde hem. Veel politieke redevoeringen had ik reeds beluisterd in kleine en in massa-vergaderingen, onlangs nog die van een commimistische leidster en van een bekenden anarchistischen dichter. Buber nu ... Een vijftigjarige. Het was moeilijk te schatten, hoe oud hij was. Is hij wel ouder dan veertig?, vroeg ik me af, toen ik het vuur voelde dat uit zijn woorden vlamde. Is hij niet een profeet uit het Oude Testament, die uit de voor-Christelijke tijden is gekomen om ónze wereld beter te maken...?

Ik vergat alle cynisme want moest ik niet „critisch” en sarcastisch staan tegenover/hiystiek en religie? —; verdwenen was alle „gereserveerdheid” en geslotenheid. De woorden van dezen man bereikten mij, raakten mij ... deze woorden, bedachtzaam soms en soms gloedvol uitgesproken. Deze man was sterk, omdat hij volstrekt eerlijk was... en dit voelde ik die volwassen deed en een kind was. Hij sprak niet tot, maar mét ons._ Met onze harten. En hij sprak over de messiaanse idee, de Godsverwachtlng. De verwezenlijking van Gods Rijk op aarde. De verdieping van het menselijk besef.

Veel lezingen heb ik sindsdien gehoord; twintig jaren zijn sedertdien verstreken. Deze twintig jaren ... ,

De zaal waarin Buber toen heeft gesproken, werd bij het eerste bombardement op Keuien vernietigd; de mensen die toen naar hem hebben geluisterd, waar zijn ze ...? Mijn moeder die mij tot Buber had gebracht, werd vergast.

En wéér komt hij, uit Jeruzalem nu, een zeventigjarige nu. Thans weet ik, dat droefenis het hart van dezen man vervulde en hem kwelde. Want hij voorvoelde hetgeen zou, moest komen. Ofschoon hij geen politicus was. Omdat hij geen politicus was.

Twintig jaar geleden ging ik stil naar huis. Ook mijn moeder zeide geen woord. Ik kon de slaap niet vatten, ’s Nachts stond ik op om neer te pennen, wat mi) bewoog, om te schrijven wat Buber had gezegd.

Ik bleef nog een hele tijd communist. Wat Buber leerde, stond immers niet in tegenstelling met het communisme. Het kon alleen verdiept worden door zijn lessen.

Dit humanisme van Buber kan iedere beweging verdiepen die niet alleen een organisatorische motor wil zijn, maar inderdaad bewogen wordt door ’s mensen lot, hem helpen en dienen wil. Dit is het wat de tijd me heeft geleerd.

H. WIELEK.

RECTIFICATIE

In het artikel „In gesprek met de communisten” van de Kr. Strijd, in het nummer van 22 Maart moeten de volgende correcties aangebracht worden: Blz. 7, laatste kolom, regel 14 van onderen: Het communisme gaat er niet van uit... Het woordje „niet” moet hieruit vervallei^

Blz. 8, eerste kolom, l6: men heeft on de verouderde beginselen enz., dit moet zijn: men heeft zich op de verouderde beginselen enz. Het woordje zich moet hier dus worden tussengevoegd.