is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 28, 12-04-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Colle naar Orta, twee dorpen in het gebergte. Het is Kerstmis, met donkere lucht en hogerop, met sneeuwstorm. Donna Vincenza is op weg naar Orta, om haar zoon Don Bastiano en haar schoondochter Donna Maria Roza, te bezoeken en hun het verrassende feit mee te delen, dat hun broederszoon Pietro, waarvan zij vreesden dat hü door de fascisten vermoord was, zich weliswaar gewond en ziek, maar dan toch levend, onder het dak van het familiehuis der Spina’s bevindt en door zijn Grootmoeder verzorgd wordt.

In Orta is alles in rep en roer. Met Kerstmis plegen de boertjes uit de gehele streek met hun ezels naar het dorp te komen, om ze door den pastoor in naam van den heiligen Antonius te laten zegenen. Of de Cafoni hun ezels ook dikwijls onmenselijk behandelen en ze ranselen, schoppen en veel te zware lasten laten dragen de zegen van den heiligen Antonius gunnen ze aan de arme magere dieren, vol kale plekken en wonden.

De wijze, waarop Silone het tafereel op het kerkplein met de elkaar verdringende karren en vehikkels van allerlei soort, de honderden ezels en de vloekende boeren uitbeeldt, die al hun best doen om hun ezel meer dan eens te laten zegenen, terwijl de avond valt en de sneeuwvlokken door de lucht dwarrelen, blijft voor goed in ‘ons geprent. Het doet ons denken aan Brenghel. –

Terwyi Silone aldus in de eerste tien bladzijden van zijn boek ons de ui terlijke kant van het bestaan dezer nog in half middeleeuwse verhoudingen levende mensen voor ogen stelt, maakt het gesprek tussen Donna Vincenza en haar zoon, dien zij in lange tijd niet gezien had, ons reeds veel in de verhoudingen duidelijk, waarin de mensen leven.

„Men ZOU zeggen moeder, dat ge in een andere wereld leeft”, antwoordt Bastiano zijn moeder, die hem gevraagd heeft, waarom hij het nodig vond om fascistische ambtenaren voor de Kerstmaaltijd uit te nodigen. „Er is geen particulier leven meer. Ook de armste Cafone of grondwerker is heden in zekere zin een beambte, die zon-

der vergunning niet eens werken kan” „Mijn zoon, hebt gij dan geen vrienden?” „Vrienden? Nu zie ik dat gij mij wilt laten lachen. Sedert lange tijd, moeder, bestaat er hier geen vriendschap meer. Had ge nog niets gemerkt? In plaats van vriendschap hebben wij thans „Verhoudingen”, zo noemt men het. Wij hebben hier met werkelijke dingen te maken, de gewichtige gebeurtenissen zijn hagel, sneeuw, regen en droogte, mond- en klauwzeer”, zo draaft Bastiano door en aan het einde van zijn redenering gekomen herhaalt hij „neen, wij kennen geen vriendschap meer.”

Als de oude Donna Vincenza in de donkere avond terug rijdt naar Colle, terwijl de sneeuw een grauw gordijn schijnt, dat van de hemel neerhangt tot op de aarde, herhaalt haar hart de vraag, die zij aan het eind van het gesprek aan Don Bastiano stelde: „Hoe kun je zonder vrienden leven?” En zij zegent het, dat haar dierbare beminnelijke kleinzoon, in wien ze zoveel van zich zelve, zoals zij was in haar jeugd, ziet herleven, nog aan vriendschap gelooft. Immers Pietro heeft een bijzondere gave voor vriendschap.

Pietro Spina is de hoofdpersoon van het boek en in hem heeft Silone ook in dit boek zeker veel van zy'n eigen wezen, zyn verlangens, zyn overtuiging en ervaringen uitgebeeld. Om een voorstelling van hem te krygen, moet men het boek zelf lezen. Pietro is een zeer samengesteld karakter, vol tegenstellingen en met een uiterst subtiel gevoels- en gedachteleven. Hy is met hart en ziel Socialist en heeft met zijn familie gebroken, van alle levensverfyning, alle aesthetisch genot en huiselijk geluk afstand gedaan om de arme verkommerde wezens, aan wie hij zich door banden van menseiykheid, deernis en kameraadschap verbonden voelt, te dienen. Hy kent al hun zwakheden, hun sluwheid, hun onbetrouwbaarheid en zelfzucht, maar hy kent ook de diepe zuivere menselijkheid, die nooit gestorven is in hun hart.

(Wordt vervolgd).

HENRIËTTE ROLAND HOLST.

') De naam voor de kleine boeren en arbeiders.

Onfzegging

Arm hart, dat van ’t Geheim alleen dit éne weet:

Slechts na het laatste en bitterste ontberen

Staat van Uw overvloed, o God, de dis voor mij gereed.

O, waarom moet ik, moe van ’t altoos zwerven, leren. Dat, voor ik, met Uw blinkend licht bekleed.

De drempel van Uw heiligdom betreed En, begenadigd, tot U in kan keren.

Ik sterven moet aan ’t uiterst menslijk leed!

Arm hart, dat van ’t Geheim alleen dit éne weet.

O, naar U strevend, tracht ik U te weren:

Want wijl de droom té schoon is, is de wereld wreed!

OUDE MAN POTLOODTEKENING VAN VINCENT VAN GOGH

Ach, in de nacht ben ’k zó verlaten, dat ik U vergeet

En elke dag is zwaar van boete of begeren.... Voor ik U vind, moet, God, ter Uwer ere

Al wat ik worstlend won, weer in Uw vuur verteren ....

Arm hart, dat van ’t Geheirn alleen dit éne weet.

JOHAK 7007.