is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 33, 17-05-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de tien procent

Neen, ik ben op de avond van de Ie Mei niet naar de Grote Kerk geweest, waar een kerkdienst werd gehouden om het woord der Kerk te doen horen op deze dag. Hoezeer ik de bedoeling ervan versta en toejuich, toch had ik wel grote remmingen. Waarom, zo vroeg ik mij af, moest de kerkeraad van Den Haag juist op de avond van deze dag, over de gehele wereld eigendom van georganiseerde socialisten, avond van socialistisch gemeenschapsbesef, zich op deze wijze gehoor proberen te verschaffen? De Partij van de Arbeid houdt terecht geen Paascongressen meer, zoals de S.D.A.P. van weleer. Want Pasen is het hoge feest der christenheid. Maar de avond van de Ie Mei is door een traditie van zestig jaren van de socialisten, en zij zullen zulk een evangelisatie moeilijk verstaan. Daarom koos ik, christen èn socialist, een vergadering van socialisten. Zoals ik op Pasen en op de Zondagen zeer bewust anders kies.

Neen, ik ben naar de Houtrusthallen geweest. Naar de Communisten. Aha, zal een onwelwillende lezer opmerken, er is dus een innerlijk verband tussen üw socialisme en dat van de communisten. Ja en nee. Ja, in zoverre de communisten de afgescheidenen zijn van die grote beweging, die gestalte wil geven aan een socialistische maatschappij. De historie in onherhaalbaar. De afscheiding is niet meer ongedaan te maken, ondanks communistische eenheidspogingen. Maar het gemeenschappelijk verleden is evenmin weg te werken, evenmin als dat is tussen Rooms en Protestant. Intussen: neen, neen, bij de communisten hoort een democratisch socialist niet. En'zulk een avond kan hem alleen maar des te scherper duidelijk maken, waarom niet. Alleen: met dit te constateren, is hij er nog niet af. Daarover straks.

De zaal liep vol. Een versierd podium met veel rood. Hoog boven dat podium het bestuur. Symbolisch. En daar beneden: arbeiders; gewone arbeiders; veel jonge arbeiders. Netjes in de kleren, maar zeven jaren van ontbering waren niet weg te moffelen. Een onvermijdelijk blaasgezelschap. Rustig, gedisciplineerd ging men zitten. Men wachtte. Demonstranten kwamen een half uur over tijd binnen. Maar men bleef geduldig. Eindelijk ging de voorzitster spreken. Haar spreken was als het spreken van een liturg. De heiligen werden aangeroepen. „Wij begroeten kameraad Dimitrof, kameraad Tito, kameraad Stalin”. leder kreeg een fraai bij voegelijk naamwoord als versiersel. En dat in stijgende lijn. De gemeente antwoordde met applaus. Telkens weer. Toen kwam er een begroetingstelegram van alle rode soldaten van het Nederlands-Indische leger. Applaus.

Jongeren dansten rondom de Mei-boom. Zij bleken veel van de A.J.C. geleerd te hebben. Het was de volksdansgroep van de A.N.J.'V., wier naam en doelstelling in niets een communistische organisatie zou doen vermoeden, maar die het wél is. En derhalve geen subsidie van het Rijk krijgt, zo deelde de voorzitster mede. Maar wij zullen tóch zorgen, dat ’t geld er komt. Natuurlijk.

I Toen zong „Morgénrood” het Morgenrood. De dirigent deed het Prachtig. Maar het applaus wilde hij met hebben, en hij wees nadrukkelijk op het koor. Een democratische geste, die zonder zoveel nadruk ec t zou zijn geweest.

Maar het meeste applaus van de gehele avond was voor Benedict Silberman. Het moet gezegd: het orkest speelde goed. „Egmond”, Weber-Berlioz, Grieg, Tsjaikofsky, Liszt. Romantiek Verweven met de meest burgerlijke cultuurperiode, die zich denken laat. Maar het ligt in het gehoor, Het ligt óók in het gehoor van de arbeiders. Ik heb daar geen enkel bezwaar tegen, Culturele vorming van de massa (wie hoort daar op z’n tijd niet bij?) is een belangrijk ding. Maar, zo vroeg ik, waar blijft de eigen stijl van de socialist, die toch begeerd moet worden door hen, die, als de communisten, de kloof aan wij zen tussen burgerlijk en proletarisch?

Dat het orkest géén innerlijke relatie met de beweging had, demonstreerde het, door na het laatste applaus weg te trekken. In rok, de soutane van de priesters van de kunst. Het grote podium werd leeg. Alleen hoog daarboven, achter de microfoon stond nu Henk Gortzak. De spreker. Die microfoons zijn vreselijke dingen. Zij geven het geluid een metalen klank. Die klanken botsen tegen je aan, omspoelen je, vullen je oren en je denken. Je verdrinkt er in. Wat, geloof ik, ook de bedoeling was. Henk Gortzak sprak ook al liturgisch.

Eerst: het socialistisch heil is gekomen. Dertig jaren Sowjet-Rusland. En als de Sowjettroepen niet tot in Berlijn waren doorgedrongen, dan zaten wij niet hier (applaus).

En thans zijn er 400 millioen mannen en vrouwen, die in de ruirpte van dit socialisme leven. Rusland, de Balkan, Qost-Europa. En meer nog: de koloniale volkeren vechten zich vrij. Zo werd het heil tastbaar de zaal binnengebracht. Dat was reëel, onaantastbaar-f eitelijk. Daar kwam schijnbaar geen mystiek geloof bij te pas. Maar tegen dat blinkende heil keren zich nog de duistere machten van het kapitaal en hun handlangers. Truman, Bevin, Welter. Maar, zoals Hitler, Mussolini en Mussert te gronde zijn gegaan in hun strijd tegen het communisme, zo zal het allen vergaan, die het anti-communisme willen. Ziedaar het eschatologisch perspectief. Om dan tenslotte te eindigen met een oproep tot eenheid.

Zeker, daartussen door werd applaus geoogst met de eis om de soldaten uit In;Jonesië terug te roepen. Onmisbaar in elk communistisch betoog is een hartig gescheld op de Partij van de Arbeid en dat doet het altijd. De Regering is natuurlijk niet flink genoeg, en, zo hoorde ik, zij is zo blind vanwege de zedelijke normen, dat zij nog nooit de negen millioen zwarte kippen, die kakelend hun zwarte eieren leggen, op het spoor gekomen is. Al deze tussenwerpsels zijn nodig om dit ene te demonstreren: het socialisme is er, duistere kapitaalmachten staan het tegen, slechts eenheid kan ze overwinnen. Amen. Neen, applaus.

Ziedaar het beeld van de communistische beweging, waar ieder in Nederland mee te maken heeft. Proletarisch, levend uit het besef van achtergesteld te worden (en wie, die de arbeidersbeweging kent, zal ontkennen, dat dit besef geen grond heeft!) met veel verborgen mystiek, met veel dogmatisme. Burgerlijk van levensstijl (hoe kan het anders?), zich vertrouwd voelend bij een denkschema, dat vastigheid

geeft en vertrouwen. Daarbij gebruikmakend van de sentimenten, die steeds de politiek omzweven, n.l. het gevoel van belaagd te worden, van verongelijkt te zijn, düs van hechter zich te moeten aaneensluiten.

Ik heb er naar zitten luisteren, waar in de woorden die klonken een aanknopingspunt lag, waar men als christen een gesprek kon beginnen. Ik heb het niet gevonden. Ik heb niet geapplaudisseerd bij de dingen die terecht werden opgemerkt natuurlijk waren die er ook. Ik heb> mij niet al te zeer gestoten aan alle scheeftrekkingen, onrechtvaardige beoordelingen en vernietigende Vonnissen. De afwezigheid van enige zelfcritiek heeft mij niet verbaasd, want ik ken het politieke levén. Het is onrechtvaardig, dit alleen de communisten aan te wrijven. Maar dat ik nergens de milde humor ontdekt heb, die weet van wijsheid achter eigen wijsheid, dat heeft mij somber gemaakt. Want het is die wijsheid, die maakt dat mensen kunnen spreken met mensen.

Hier waren een 10.000 mensen. In Amsterdam waren er vier maal zoveel. Rotterdam, Haarlem, Groningen telden eveneens hun duizenden. En overal diezelfde eredienst van het harde willen, door volstrekt zekere pastores van de massa, die haar kennen en haar kneden. En overal is de kerk afwezig geweest en er is geen onvertogen woord tegen het geloof gezegd. Maar het geloof kan beter aanwezig zijn als vijand, dan helemaal niet.

Het zal een van de meest dringende taken zijn, die voor de Kerk oprijzen, omgekeerd, niet het communisme voorbij te gaan, maar diep, dieper dan de kille programs doen, de religie van het communisme ontdekken. Die bestrijdt men niet met encyclieken en met verklaringen. Die onthult men in zijn betrekkelijkheid door het geloof in dat andere heil en die andere toekomst te zeggen... met de handen.

L. H. RUITENBERG.

Geestelijke opbouw en maatschappélijl^f’'ftiing

Een en ander naar aanleiding van ~Burgerlijk en socialistisch denken”, een sociologische studie door Mr A. Lührs

Het begrip „burgerlijk”, aldus mr. wordt in socialistische kringen vaak meer in emotionele dan in zakelijke zin gebezigd. Het roept in de eerste plaats gevoelens op van ’t kleine, het zelfgenoegzame. Het heeft echter ook een sociaalpolitieke betekenis, die objectief gezien lang niet altijd zijn antipode in het socialisme vindt. Integendeel: in de historische ontwikkeling van zekere socialistische stelsels of stromingen zijn burgerlijke elementen terug te vinden. Het Marxistisch socialisme b.v. is niet los te denken van de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij. Met het burgerlijk denken heeft het historisch-materialisme het geloof aan de prioriteit van het materiële gemeen.

In het maatschappelijk denken der Middeleeuwen geldt als norm het beginsel der behoeftedekking. De mens behoort niet méér voort té brengen, dan redelijkerwijze voor zijn levensonderhoud nodig is. Tot omstreeks 1750 blijft bij de plattelandsbevolking en de kleine burgerij de arbeid gericht op dit principe. Ook door Luther en Calvijn wordt het beginsel der behoeftedekking gehuldigd.

Langzamerhand de Franse revolutie is op komst wordt de burgerij een machtige klasse, waar nieuwe levensgedachten als individuele zelfstandigheid, rationalisme en vrijheid betekenis krijgen. Steeds meer komt zowel in maatschappelijke practijk als in wijsgerige grondslagen (Bastiat, Spencer en Manchester School) de gedachte naar voren, dat de vrijheid voor een ieder om zijn eigen belangen na te streven de „natuurlijke harmonie” in de maatschappelijke geledingen zal doen ontstaan en bevorderen. Elke vorm van staatsingrijpeh is uit den boze. De volstrekte economische vrijheid en het liberalisme bereiken hun hoogtepunt.

Het profane burgerlijk-maatschappeliJK ideaal culmineert in: „Waar het me goed gaat, daar is mijn vaderland”. De maatschappij is voor de burger een nagenoeg vreemd, om niet te zeggen vijandig begrip» aldus Lührs. De staat behoort tegen ordeverstoring te waken. Voor de rest basta eo alsjeblieft geen hoge belastingen. Nuchtermaterieel en rationeel is de geestelijke ge' steldheid. We zien de afspiegeling in het geloofsleven: geloof en godsdienst worden

VERMOEIDE ARBEIDER. AARDEN BEELDJE VAN ANDREA RICCIO (CIRCA 1520)

verlaagd tot het nut, dat zij de mens brengen. Daarom wordt het geloof ten nutte gemaakt aan klassebelangen. Dit is één van de redenen, concludeert Lührs, waarom het opkomende socialisme zich vaak zo fel tegen het geloof keert. Ook het denken wordt aan utiliteit dienstbaa,r gemaakt. Maatschappelijk conservatisme is het gevolg.

We behoeven niet lang stil te staan bij de gevolgen van het „laissez faire —• laissez aller”-principe van het liberalisme in de negentiende eeuw. De klasse-maatschappij ontstaat. De verpauperiserende volksmassa’s nemen toe. Het kapitalisme leidt tot steeds ernstiger economische crises. Het wijsgerig materialisme van Feuerbach wordt de grondslag van Marx’ en historisch-materialisme. De tijd is rijp voor de pessimistische cultuurphilosophie. Schopenhauer, Nietsche en Spengler (Ibsen en Knut Hamsun in de literatuur) willen de rauwe realiteit zien.

Het verstandig egoïsme van de enkeling schept nu eenmaal de beste voorwaarde voor een gezonde samenleving. Dit vulgaire.

d.i. populair burgerlijk denken, zegt Lührs, weet de culturele bovenlaag der ontwikkelde en gegoede burgerij met de wantoestanden te vertrouwen en legt de stem van het geweten het zwijgen op.

Echter heeft de burgerlijke maatschappij ook positieve kanten. Vrijheid van grondrechten, het beginsel van gelijkheid voor de wet, onafhankelijkheid van denken: het zijn winstpunten, te danken aan het burgerlijk denken.

Is het echter niet een veeg teken, dat de dictatuur haar eerste sympathieën juist in de kringen der burgerij won, eens de draagster van de vrijheid? En hier wijst Lührs op de kernfouten in de maatschappelijke en geestelijke structuur van de laatste jaren. Het onvermogen om de problemen van de tijd uit kracht van eigen beginselen op te lossen. Het onvermogen cm met behoud van de vrijheid tot de or-

ganisatorische en geestelijke hervormingen te komen, die onze tijd vraagt. Als tweede symptoom worden passiviteit en negativisme genoemd, wel zeer duidelijk na de tweede wereldoorlog. De „doorbraak” heeft niet plaats gevonden. In leidende burgerlijke kringen heerst een verbluffend gebrek aan inzicht.

Het zal de lezer duidelijk zijn, dat Lührs de huidige maatschappelijke structuurfouten historisch herleidt tot de grondvesten van het burgerdom. Het blijft echter niet bij critiek. Integendeel. Uit de fouten van burgerlijke en óók vroegere socialistische stelsels put de schrijver zijn lessen voor de toekomst. Hij bouwt verder en komt tot een nieuw socialisme, dat vèr boven enge partijbegrippen uitgaat. Hij komt tot een maatschappij-leer, die juist in dit tijdsbestel van een weldadige frisheid getuigt. En daarom is het een doorlopend genot, dit