is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 34, 24-05-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het wel en het wee van de mens, zullen met de volkstelling zeer gediend zijn. De volkstelling in Nederland zal nieuw licht werpen op een deeltje van de aarde waar mensen leven en sterven. Het zou te ver voeren, indien ik de geschiedenis van de volkstelling hier weergaf. Enkele punten kunnen niet onaangestipt blijven.

Bekend is, dat de oorsprong van de (Volkstelling en het tijdstip waarop de eerste volkstelling is gehouden, onbekend zijn. Volkstellingen kwamen reeds een paar duizend jaar voor het begin van onzè jaartelling voor. Zowel in het oude als nieuwe testament, worden enkele volkstellingen beschreven. (Numeri 1 en 26 en Lucas 2). Numeri is trouwens het boek der tellingen, de naam zegt het alreeds. In Zweden werden het eerst periodieke volkstellingen gehouden, ongeveer van het jaar 1750 af.

In het begin van de negentiende eeuw hebben haast alle Europese landen en de Verenigde Staten hun algemene volkstellingen. In ons land werd de eerste volkstelling in 1795 gehouden, daarna per decennium.

In 1909 werd vastgesteld, dat de volkstellingen gehouden zouden worden in de jaren die op een nul eindigen, zodat 1940 het jaar was, waarin de volkstelling, die nu plaats zal vinden, gehouden moest worden. Dat de oorlog dit verhinderd heeft, laat zich indenken. Het was trouwens noch mogelijk noch wenselijk.

Een kloppende bevolkingsboekhouding zou het de Duitsers nog gemakkelijker hebben gemaakt, „het volk” als vee en in grotere mate weg te voeren. ; In de nazi-orde was een administratieve chaos een beveiliging voor de burgers. Voor de öpbouw van een democratische rechtsorde is administratieve chaos een onoverkomelijke hinderpaal.

Voor degenen, die tieren in de chaos en het onrecht, zal de volkstelling ' minder aangenaam zijn. Het betekent voor hen het begin van het einde. Voor dezulken is zwart een geliefde kleur, behalve als het zwart op wit is. We hopen echter, dat ons volk in overgrote meerderheid de situatie waarin het verkeert, met vreugde zwart op wit zal laten zetten.

Finkster-zang

Komt, komt, o drie maal Heiige Geest! Gebenedijt ons Pinkster-feest!

Komt, tortel-duif van ’s Hemels dak. En brengt ons den olijven-tak!

Vertrooster brengt ons Christi vree. En neemt in stee! Geest Gods, maakt onzen geest gewis. Dat God ons aller Vader is.

O vinger Gods, dit stenen hert Vermorzelt, dat het weker werdt En Christi wet, die eeuwig blijft, In ons gemoed en zinnen schrijft!

O die gij onbegrijpelijk zijt!

Ons hert tot uwen tempel wijdt. En ons inwendigheid herschept, Die lust bij ons te wonen hebt.

Komt, Hemel-dauw! en overstort ’t Gemoed, onvruchtbaar en verdord; O stroom des levens! o fontein! Bevochtigt ons en wast ons rein.

Komt, Godlijk vier! en steekt voortaan Ons koude ziel met ijver aan.

Komt, heilig vier! verteert, verslindt Al wat in ons nog ’t vlees bemint.

Gij, wind des Heren! weest doch meé Ons zielenschip in ’s werelds zee: Opdat wij, vrij van schipbreuk, dan

Landen in ’t Hemels Cana'dn.

Joost van den Vondel

„Ons Huis” ileert

J. G. Bomhoff

Het is een prachtig feest geweest in de Jordaan.

Daar staat in de Rozenstraat nu reeds 55 jaar (de ongunst der tijden belette het 50-jarig jubileum te vieren) „Ons Huis”, een wonderlijk bouwwerk van zaaitje.s, kamers, hokjes en trappen, resultaat van zuinige bouwkunst en onvoorziene behoefte aan uitbreiding. Neen, het is geen architectonisch monument in deze troostelooslelijke volksbuurt, waarvan de straatgeveltjes misschien schilderachtig, maar de interieurs grauw en neerdrukkend zijn. Juist in deze buurt wordt er vanuit „Ons Huis” aan „Volksontwikkeling” gedaan. In de laatste tijd had de Jordaan weer een trieste vermaardheid. Je moest je er met de ellebogen dwars door de zwarte handel heenwerken, die er niet alleen door volwassen mannen, maar ook door vrouwen en kinderen onder toezicht der politie beoefend werd (en wordt!). De burger profiteert ervan en mompelt misprijzend. Ach, de zwarte handel ging ook die Zaterdag van de 10e Mei gewoon door, maar „Ons Huis” gonsde van bezoekers.

APOSTELEN OP HET PINKSTERFEEST. Détail tan het Bordesholmer-altaar tan Meester Hans Brüggemans, een Neder-Duits beeldhouwer, uit de nahloei van de Gothiek (1S21)

Op de officiële receptie werd welsprekend gesproken. Erg officieel was het niet en je wist ook niet, wie er nu eigenlijk gehuldigd werd. Aanwezig waren vooral medewerkers en vroegere medewerkers aan „Ons Huis”. En dan waren er vertegenwoordigers van andere Volkshuizen. Je kan toch jezelf niet huldigen. Ook werd typisch voor de geest van „Ons Huis” de gelegenheid te baat genomen een overledene te huldigen: de vroegere voorzitter mr. H. J. Hülsmann, gefusilleerd door de Duitsers, helaas weer zo’n nobel mens, waar zij het op gemunt hadden en die wij zo node kunnen missen. Hem werd een gedenkplaat toegewijd.

En na een gezellige gemeenschappelijke maaltijd werd er ’s avonds een toneelspel opgevoerd door „de oudere leden” (men bedoelt daarmee de oudere jongens en meisjes). De opvoering was een hoge greep en ze lukte. Het was een aangrijpend stuk, „Nu zingen zij weer” van de Zwitser Max Frisch, dat tpt thema heeft de menselijke verantwoordelijkheid en deze aan verschillende personen demonstreert in episodes uit de oorlog: gijzelaars worden er in doodgeschoten, een soldaat deserteert, de toeschouwer vertoeft in een Engelse vliegeniers-mess en in een schuilkelder en doden ontmoeten elkaar aan de overzijde van het graf. En als ge dat zo leest en daarbij verneemt, dat het beroepstoneel overweegt het stuk te spelen, dan moet ge wel denken, dat zo’n opvoering in de Rozenstraat nu ja ... wel verdienstelijk zal zijn geweest en dan vergist ge u, want ze was meer. De te verwachten fouten werden gemaakt: A’damse uitspraak, stereotiepe gebaren, enz., maar eilieve, ook een eenvoudig toneelstukje zou hieraan geleden hebben. Maar dat jongens en meisjes uit de Jordaan dit diep-ernstige, edel-rhetorische stuk met zoveel overgave en besef speelden, dat was het mooiste resultaat en de fraaiste feestgave voor de leiding. Het moest ieder in de zaal ontroeren, omdat hier 'een eenheid van levensbesef was tussen spel en spelers en toeschouwers.

Er wordt zoveel gesproken en geschreven over actieve cultuurpolitiek, over de massa-mens, over de ontwortelde jeugd.

In de volkshuizen wordt ondertussen gewerkt. Ze hebben een glorieuze traditie. Uit deernis met de geestelijke noodtoestand van het proletariaat ontstaat in Engeland bij humanitair voelende mensen, die geïnspireerd zijn door nobele schrijvers als Carlyle en Ruskin, de University Settlement „Toynbee Hall”, op welks voorbeeld, maar anders en aangepast aan de toestand hier, het eerste Volkshuis werd gesticht in Amsterdam (1892). Hélène Mercier was de vrouw die de eerste stoot gaf, de philantroop C. W. Jansen verschafte het geld, de eerste directeur was J. A. Tours. Weldra wordt dit voorbeeld gevolgd door Leiden (mej. E. C. Knappert was daar de eerste directrice), Rotterdam (de eerste directeur A. de Koe) en in 1930 is er zelfs een bond van Volkshuizen opgericht met een dertigtal huizen; wat Amsterdam betreft, „Ons Huis” heeft zeven afdelingen of wijkhuizen. De bedoeling is van den beginne geweest: „verhoging van de ontwikkeling, beschaving en levensgeluk onder de arbeidende en daarmee gelijkstaande klassen” (statuten Amsterdam).

Wie zich in de boeiende geschiedenis van dit werk wil verdiepen, leze de historische inleiding van een prachtig opstel van mej. E. C. Knappert in het' gedenkboek van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeenen een opstel van A. de Koe”). Hij zal dan ontdekken dat Volksuniversiteit, Spaarbank, Leeszaal, Uitleenbibliotheek, School voor Maatschappelijk Werk en Volkshogeschool tot de erfenis behoren van de veelgesmade liberale 19e eeuw en door ons van Engeland overgenomen zijn, en dat wij met de inventaris van deze boedel ons nut zullen moeten doen, als wij aan de voorbereiding van een socialistische maatschappij willen werken, waarin de arbeider het niet alleen stoffelijk, maar ook geestelijk beter zal hebben.

Echter op voorwaarde, dat bij de gewijzigde omstandigheden en profiterend van het gerijpte inzicht deze instituten zich steeds weer verjongen.

Er, is aan de Volkshuizen jveel veranderd sinds 1892. Het ideaal van de verbroedering der klassen is' voorlopig prijsgegeven. De gedachte, dat mededeling van kennis de mens gelukkiger en beter zou maken, is te simpel gebleken. Meer en meer is men gaan begrijpen, dat er geen afstand mocht bestaan tussen de van zijn hoge ongenaakbaarheid neerdalende, van zijn kennis en beschaving meedelende leider en het arme domme volk. O, theoretisch heeft men dat altijd wel geweten en de nobele stichters van Toynbee Hall, zowel als de Nederlandse pioniers, hadden reeds van de aanvang af innerlijk deze afstand overbrugd, maar in duizend kleinigheden, die moeizaam gecorrigeerd moesten worden, heeft men geleerd, dit geleidelijk aan te verwerkelijken en zo „Ons Huis” tot „óns” huis te maken, vooral door meer en meer in de leiding zelf

„Volksontwikkeling, Beginselen en Practijk” door W. C. Bijl e.a., Arnhem. 1938.

”) „Gedenkboek ‘ 1784—1934”, E. G. Knappert. „Volksontwikkelingsvragen vóór 150 jaar en nu”, Wz. 133 c.v. A’dam. 1934.

”) „Maatschappelijk werk”. Opstellen aangeboden aan Eta. C. Knappert. A. de Koe: „De positie der Volkshuizen”, blz. 42. A’dam. 1930.

te betrekken degenen voor wie het volkshuis bestemd was.

Vandaag zo is mijn diepe overtuiging zouden de volkshuizen kunnen bloeien en een zegen voor ons volk zijn, als ze over voldoende kader en over ruime financiën konden beschikken (dat er b.v. in Amsterdam in „de Pijp” nog steeds geen „Ons Huis” staat, is toch wel heel jammer). Ze zouden een eminente bijdrage kunnen leveren aan het probleem der massa; iedereen moet hier mee instemmen die weet wat er aan clubwerk voor kinderen, voor oudere jongens en meisjes, voor volwassenen gedaan wordt. De volkshuizen hebben in de loop van hun geschiedenis een schat van practische ervaring opgedaan, die hen, en voorlopig hen alleen, in staat stelt die groepen der bevolking te bereiken, die aan de kerken ontgroeid en vervreemd zijn en die in geen politieke partij of culturele beweging de geestelijke

volwassenheid bereiken, zonder welke een verantwoorde levenshouding mogelijk is, die terzijde van kunst en wetenschap drijven op de golfslag van een verzwakte, onbewuste traditie en van een instinctmatige trouw aan het goede, maar telkens prooi dreigen te worden der goedkope sensaties van het moderne leven.

Een voortdurende bezinning op beginsel en methode is hierbij echter eerste ver- voor de volkshuizen zelf. Het volkshuis zij neutraal. Elke schijn zelfs van proselytisme voor kerk of partij wekt achterdocht en verlamt de belangstelling. Het volkshuis is er om de mensen te helpen zélf tot geestelijke keuze te komen. Is het misschien daarom, dat volkshuizen gedijen in milieu’s, waar b.v. kerkelijke activiteit geen voet aan de grond kreeg? Maar deze neutraliteit zal niet negatief mogen zijn in de zin, dat men zorgvuldig vermijde over achtergronden te spreken. Afgezien