is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 35, 31-05-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vtomo SLudem Aan de nagedachtenis

van J. Huizinga.

Uit vreugdes ongepeilde wel ontspringt het argeloze spel

met zijn verrukkelijke stand van stralend hoofd en voet en hand,

een dans, die om de eigen spil voorbij de hemel wentelen wil.

En dans in dansen overal het vonken van de vlugge bal

die, wüdr het spel zijn ronde schrijft, in zuivre boog gebonden blijft. *

Zij dansen, vrij en tijdeloos; een wereld, die zichzelf verkoos.

naar zuivre wetten souverein, als sterren en planeten zijn.

En eindelijk heeft zich uitgevierd de dans en staat. Het afscheid zwiert

de hal te duizelen in de lucht, een stipje in zijn leeuweriksvlucht.

Tot, wat de ruimte heeft gekust weer op de open handpalm ritst.

WA G. M. GERHARDT.

Kort voor de oorlog verscheen het beroemde werk van professor Huizinga: „Homo ludens”. De inhoud van dit magistrale werk laat zich niet kort samenvatten, wel aanduiden. Tegenover omschrijvingen van de mens in de geschiedenis als „homo sapiens” (de wijze mens), als „homo faber” (de practige, vernuftige mens) stelt Huizinga de „homo ludens” (de spelende mens) en wijst op de aandrift tot het spel als medeverklaring van het opstijgen van de mens naar steeds hogere cultuurvormen. „Het leven als spel", het klinkt zo lichtzinnig, het is zo diep èn zo verrukkelijk. Het weids gevoel, dat de lezer bevangt bij de studie van Huizinga’s boek moet de dichteres geïnspireerd hebben tot bovenstaand vers. B.

behoud te hebben uitgesproken, weinig productief bleek. Het hindert niet: één goed boek is voldoende reden tot dankbaarheid. Men kan „Vrouw en Vriend” een psychologische roman noemen. Eigenlijk is de innerlijke samenhang in het verhaal niet sterk. Het is aan een „ik” in de mond gelegd (m.i. de grootste fout van het boek, want in tegenstelling tot alle andere optredende figuren krijgen we van die ik geen behoorlijk beeld). Die ik staat in betrekking tot een vrouw, en ook tot een vriend.

en de uitbeelding van deze twee figuren, die dus tot elkander in geen enkele relatie staan, vormt' de kern van het boek. Beide, de vrouw en de vriend, hebben hun liefdesgeschiedenis, en beide zijn in hun liefde ongelukkig. De vriehd is een al niet meer zo héél jonge, schuchtere en bescheiden man, wiens kuise dromen uitgaan naar een niet onaardig, maar toch vrij banaal en onbelangrijk meisje. Een ogenblik lijkt het geluk voor hen bereikbaar, maar Jonas is ziekelijk, hij beseft dat hij geen vrouw aan

zich mag binden. (Wanneer men wil weten hoe iemand zich voelt, die zo ziek is als een hond, moet men deze passage voor Jonas’ ziekte maar eens lezen). De vrouw is een vreemde, in veel opzichten zelfs terugstotende figuur, die een liefdesverhouding heeft met de ik zonder hem lief te hebben —, en wier eigen leven vergiftigd wordt door de smadelijke gebondenheid aan een man die om haar niets geeft.

Hoe meer men erop letten gaat, hoe meer men gewaar wordt, dat de bijfiguren in het boek alle variaties op hetzelfde thema betekenen. De gekke freule in het pension, met haar correcte „vriend”, wien zij geld afzet; de gestichtsarts, die de zustertjes het bof maakt; de vader van Jonas, die verliefd was op een krankzinnige, maar ook Jonas’ zusje met haar nooit uitgesproken en zelfs door de schrijfster nauwelijks aangeduide liefde voor George. Het is één parade van mensen, die in de liefde hun geluk zoeken en het er niet vinden.

De schrijfster beschikt over een buitengewone kracht van psychologische inleving en uitbeelding. Sara Obreen, de „vrouw”, is een voluit meesterlijke schepping. Bewonderenswaardig is het ook, hoe dezelfde figuur ons getoond wordt door de ogen van de verliefde George, zó als zij zichzelf beleeft in de eenzaamheid van haar kamer, zoals het verkoopstertje haar ziet, en zo als zij is voor de muziekleraar; terwijl dan al deze beelden toch aaneensluiten tot aspecten van een en dezelfde persoonlijkheid.

Toch blijkt m.i. het kunstenaarschap van Anna Blaman nog overtuigender uit iets anders: dat zij ons onder het lezen vplkomen in „de wrange smaak der liefde” doet geloven. Geen ogenblik krijgt men het gevoel, dat zij het er wat dik opgelegd heeft, of dat zij met een zekere opzettelijkheid bewijsmateriaal aandraagt voor een stelling. Er is niets gewilds of geforceerds in dit boek (dit in scherpe tegenstelling met het werk van verschillende andere jongeren); het is geen quasi-wereldwijze, cynische of pessimistische demonstratie, het is eenvoudig zo, omdat het, voortkomende uit de innerlijke wereld van de schrijfster, niet anders wezen kón.

Waarbij ik tevens met een streep-aande-balk wil constateren, dat het ondanks zijn aanhoudende preoccupatie met de erotiek in haar déraillementen, in zijn mentaliteit niets troebels of onfris’ heeft. Het is geen boek voor kinderen, maar als volwassene kan men het lezen zonder zich ook maar één moment te generen. De inhoud is niet verheffend, maar de geest is zuiver.

Dit alles wil ik met nadruk gezegd hebben, voor ik tenslotte ook de keerzijde belicht: dat een boek als dit in zekere zin een treurig verschijnsel is, en te treuriger naarmate het meer oprecht is. Dat er een flink stuk decadentie in steekt, aldus het leven te reduceren tot een verzameling erotische avonturen. Dat men Vrouw en Vriend niet lezen kan als de belijdenis van een overtuiging aangaande wereld en leven, zonder het s.'s zodanig meteen te verwerpen.

Wekenlang ben ik ten opzichte van dit boek geslingerd tussen bewondering en afkeer. Van de bewondering heb ik reken»schap afgelegd, maar ook de afkeer heeft meen ik een goede grond. Er valt mij ineens een woord in van Aart van der Leeuw;.

„Omdat een duister Oog vari de luister

Des levens zich heeft afgewend ..

Ik kan het niet anders zien, dan dat ook deze schrijfster „de roos, de taronaar heeft miskend”. M. H.'VAN DER ZEYDE.