is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 36, 07-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijd en Taak

ZATERDAG 7 JUNI 1947 No. 36

Aan den Heer behoort de aarde en htiar volheid. Psalnri 24:1

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

I ONDER REDACTIE VAN Prof. Dr. W. BANNING; Ds. J. J. BUSKES Jr. EN Ds. L. H. RUITENBERG. SECRETARIS DER REDACTIE; J. G. BOMHOFF, ROERSTRAAT 48111, AMSTERDAM (Z.), TEL. 24386

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 45ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR ƒB.OO, HALFJAAR f 4.25, KWARTAAL ƒ 2.30 PLUS f 0.15 INCASSO. LOSSE NUMMERS f 0.15 POSTGIRO 21876 GEMEENTE GIRO V 4500 ADMINISTRATIE: N.V. DE ARBEIDERSPERS, MERELVELD 15, AMS^ERDAM-CENTRUM

Altijd dezelfde?

Deze week mocht ik in een besloten kring van christen-intellectuelen een discussie bij wonen over onze plaats in de politiek. Ik ga op de daar gevoerde besprekingen niet in, maar knoop aan bij één uitdrukking, die in mij bleef haken. Een antirevolutionnair namelijk liet de stelling vallen, dat er voor hem géén reden was om het anti-revolutionnaire beginsel los te laten, onder welke omstandigheden ook. Aanvankelijk heb ik neiging om te zeggen: daarmee bewijst de man zijn beginsel- en karaktervastheid. Ééns socialist blijft socialist, dat zeggen wij immers op onze wijze ook? Hoe oordelen wij over iemand, die wanneer hij opgeklommen en „binnen” is, zijn socialistische jas aan de kapstok hangt en zich een net burgermanspak aanmeet? Wie in zijn leven eenmaal werkelijk door de revolutionnaire geegt en gedachte gegrepen werd, wie eenmaal het niet te verdragen onrecht en de zielloosheid van de kapitalistische „orde” diep heeft gezien, die blijft een innerlijk opstandige, zijn leven lang. Wie het innerlijk protest, het verzet en de opstandigheid aflegt, zogenaamd met het rijpen der jaren, is nooit waarlijk revolutionnair geweest. Hij wordt een bourgeois-satisfait, een verzadigd burgerman ... wij kennen ze maar al te veel, en hebben er géén eerbied voor. Waarom zal ik niet hetzelfde laten gelden voor de anti-revolutionnair?

En toch heb ik sterke neiging gevoeld om deze anti tegen te spreken. Hij vergeet n.l. zo het een en ander. Namelijk dat de maatschappij in voortdurende, snelle en nogal hevige verandering verkeert, dat de strijdfronten zich voortdurend wijzigen, en starre posities, ook starre begrippen alleen maar verlammen. Ik heb mij telkens opnieuw af te vragen of dat wat ik wezenlijk wil, en wat er achter mijn politieke keuze van vandaag leeft als stuwende kracht,

steeds met dezelfde middelen, dus met dezelfde partij moet worden verwerkelijkt. Wanneer een partij en het beginsel dat haar draagt, veroudert en ondeugdelijk wordt, moet zij toch worden opgegeven? Zijn politieke beginselen soms eeuwig? Inderddad voeren wij de anti-revolutionnair tegemoet, dat hij ten onrechte spreekt van eeuwige beginselen in de politiek. Hij miskent daardoor de voortdurende verschuiving der fronten; maar wat erger is: hij vergoddelijkt politieke beginselen. Zij mógen niet „eeuwig” heten. Eeuwig is alleen God en het leven dat uit Hem vloeit. Eeuwig is de liefde, en de gerechtigheid en de barmhartigheid. Niet die van ons, mensen maar die van God. En heel dikwijls worden de hooggeroemde „beginselen” de moderne afgoden, die ons tyranniseren. Ook het socialisme is niet „eeuwig”: het is het beginsel dat als verzet tegen de kapitalistische werkelijkheid der 19e eeuw opkomt, eerst de arbeidersmassa bezielt en organiseert, en later brede volksbeweging wordt. Zo is het antirevolutionnair beginsel eveneens aan een bepaalde situatie gebonden, n.l. aan de 19e eeuwse liberale ideologie die uit de Franse revolutie stamt en waartegen het Calvinisme zich moet verzetten. Men kan hoogstens zeggen, dat in de anti-revolutionnair, in de Calvinist, blijvend is een bepaalde geloofsgehoorzaamheid, zoals in de socialist van allerlei soort de gerechtigheidsdrang het karakteristieke blijft. Maar het is in hoge mate verwarrend, misleidend, om dat „het eeuwige beginsel” te noemen. Voor ons, socialisten, zou ik in dit verband willen wijzen op één kenmerk, dat mij beslissend lijkt voor de echtheid van ons beginsel: men kan n.l. juist omdat voortdurend, de fronten en verhoudingen zich wijzigen zich ook radicaal en opstandig verzetten tegen de eigen partij. Er

zijn ons namen bekend van Russische revolutionnairen, die eenmaal onvoorwaardelijk het bolsjewisme hebben gediend, en het later even onvoorwaardelijk hebben bestreden, in naam n.l. van dezelfde gerechtigheids- en vrijheidsdrang. Zo zou ik willen toetsen in kerkelijke kring Rooms-Katholieke zowel als Protestantse de echtheid van het verzet tegen het Communisme. Ik hoor wel voortdurend de stemmen die het Communisme afwijzen: omdat het de menselijke vrijheid vermoordt en de menselijke persoon inlijft in een gemechaniseerde collectiviteit. Ik geloof alleen in de echtheid van dit verzet, wanneer het een even radicale opstandigheid tegen het kapitalisme betekent, waarin evenzeer de menselijke waardigheid wordt geschonden. Ontbreekt de opstandigheid naar deze kant, dan heb ik in wezen met reactie te doen. Onze socialistische opstandigheid is nimmer alleen anti, maar positief gericht op een vorih van samenleving, waarin voor de ‘vrijheid ruime plaats is, opdat de menselijkheid groeien kan. Dadrom, om haar positieve inhoud, is zij in het huidige West-Europa evenzeer gericht tegen het kapitalisme als tegen de overheersing van het Amerikanisme als tegen het communisme. Zij zou zich óók kunnen richten tegen een vorm van samenleven, in naam van het socialisme ingeluid, maar door verstarring van bureaucratie in haar tegendeel verkeerd. Zou de anti-revolutionnair op deze wijze óók over zijn beginsel kunnen spreken? Bij voorbaat zou ik het niet willen ontkennen maar ik vrees, dat men daar te zéér bevangen zit in de vergoding van het heilige beginsel. Te bedenkelijker, waar wij te doen hebben met Christenen, die moeten weten dat de Heilige Geest die waait waarheen hij wil, zich niet in beginselen laat vagtleggen. W. B.