is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 36, 07-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ruslands houding

Bij een vorige gelegenheid hebl?en wij ons bezig gehouden met de communistische tactiek in West- en Oost-Europa en wij hebben ons gedwongen gezien een niet al te vriendelijke schets te geven van het opportunisme en de onwaarachtigheid, die met het op de voorgrond stellen van „de verovering van de macht” gepaard moet gaan, zelfs ten koste van de eigen beginselen.

Wanneer wij ditmaal de Sowjet-Unie zelf beschouwen, die in deze strijd om de macht voor de Europese communisten een allesbeseersende rol speelt, treffen wij daar uiteraard dezelfde machtshonger, hetzelfde opportunisme aan, maar van Rusland zelf uit gezien, is dit alles veel belangrijker meer uit innerlijke en historische noodzakelijkheid geboren dan elders. Het is dus niet verwonderlijk, dat verantwoordelijke Russische politici vaak het hoofd schudden over hun communistische vrienden in Europa, die „alle fouten, die zij na 1917 maakten, blijkbaar nog eens moeten maken, alvorens zij op het huidige peil van constructieve politiek in en door Rusland zelf zijn aangeland”; zij spreken deze critiek soms zelfs tegenover niet-communistische buitenlanders uit.

Historische achtergrond.

Om billijk te zijn in onze critiek op de huidige politiek van Rusland, zullen wij echter altijd een aantal punten moeten bedenken en vasthouden; Ten eerste, dat toen het Christendom zich vanuit Byzantium over Rusland verspreidde, het daar een godsdienst vond welks góden niet harmonisch en menselijk waren als in het Middellandse Zee-gebied, niet de mensheid welgezinde strijders tegen de boze reuzen van koude, nevel en dood zoals in de noordelijke Germaanse landen, maar alleen maar kwaadaardige machten van koude, vorst, sneeuw, droogte en hitte, gebrek en ondergang, die de mens voortdurend bedreigen. Het Christelijk antwoord daarop was een extra-nadruk op het verlangen naar de uiteindelijke verlossing en de gelaten aanvaarding van al het lijden, dat inmiddels ’s mensen deel is.

In de Grieks-Katholieke kerk staat de liturgie in het middelpunt als een mystieke beleving van de verwachte verlossing, die het harde leven, ook de hardheden van de overheid en de medemens, in een hoger vlak van berusting en vergeving opheft. Ten tweede, dat deze kerkelijke traditie ongebroken bleef voortbestaan tot de Revolutie van 1917, ook onder de eeuwen van schatplichtigheid aan de Tartaren en Mongolen, ook onder Iwan de Verschrikkelijke of welke vorstelijke tyran ook, die tevens het uitvoerend gezag der Kerk was. De strijd van de Kerk voor de persoonlijke vrijheid, als die tussen Keizer en Paus, tussen reformatie en contrareformatie, van de secten tegen de Kerk, van het revolutionnaire natuurrecht tegen de standen-maatschappij, heeft Rusland nimmer gekend. En bij ’t ontbreken van elke traditie van ’n revolutionnair verzet op grond van het Evangelie (zoals in het Westen altijd en zeker tot aan het eind van de XVIIIde eeuw heeft bestaan) is het begrijpelijk, dat de Revolutie van 1917 zich gelijkelijk tegen Kerk en Staat richtte.

Ten derde, dat de Russische mens zich dus nauwelijks bewust is van een behoefte aan persoonlijke vrijheid, maar ter wille van een collectieve gerechtigheid alle persoon-1

lijke hardheden vrij gelaten over zich laat komen.

Ten vierde, dat de Revolutie van 1917 minder door een algemene opstand als wel door een vergaand innerlijk verval van de heersende standen en een militaire débacle mogelijk was, waarbij de intellectuelen voorzover geen ambtenaar of militair reeds tientallen jaren in de oppositie waren.

Ten vijfde, dat de democratische republiek onder Kerenski volstrekt niet opgewassen was tegen de toestand van verwarring en gezagscrisis op alle terreinen en de bolsjewiki onder Lenin, die de macht van hen overnamen, onmiddellijk voor een vrijwel algemene staking van het ambtelijke apparaat stonden.

Ten zesde, dat Engeland, Frankrijk en Amerika vrijwel bij de geboorte der Republiek een militaire interventie door steun aan de „Witte” generaals in de Russische burgeroorlog ondernamen op een wijze, die maar weinig verschilde van de steun van Hitler en Mussolini aan Franco in Spanje; hetgeen het Sowjetregime op de rand van de afgrond heeft gebracht.

Ten zevende, dat daarvoor in de XlXe eeuw reeds driemaal van Europa uit een aanval op Rusland was gedaan. (Napoleon in 1812, Engeland en Frankrijk in de Krimoorlog en Duitsland en Oostenrijk in 1914— 18, als gevolg van de overdreven eisen aan Rusland’s voorpost Servië).

Ten achtste, dat Engeland de gehele XlXe en XXe eeuw door Rusland heeft gedwarsboomd in zijn pogingen om een ijsvrije zeehaven te krijgen aan een open zee, of een vrije doorvaart door de Dardanellen naar de Middellandse Zee.

Ten negende, dat de internationale kapitaalmachten Rusland in elk opzicht leningen hebben geweigerd, om na 1917 zijn herstel te financieren en de gehele opbouw van de zware industrie ten koste van een uiterst lage levensstandaard van het Russische volk is doorgezet.

En ten tiende, dat de conservatieve krachten in Europa voortdurend getracht hebben Hitler-Duitsland tegen de Sowjet-Unie uit te spelen (waartegenover Rusland met het accoord in 1939 met Hitler de oorlog tegen het Westen forceerde, voordat het zelf aan de beurt zou komen), dat de oorlog van 1941—1945 Rusland aan doden en verwoestingen meer offers dan enig ander land heeft gekost en dat onmiddellijk na de oorlog weer getornd werd aan de eenstemmigheidsregel (veto), die op voorstel van Roosevelt aan de Grote Vijf was toegestaan, o.a. om aan Rusland een garantie te geven tegen overstemming door een meerderheid van „kapitalistische staten.”

Collectivisme en wantrouwen. Wat kunnen wij uit deze punten leren? Uit de eerste vijf, dat de bolsjewistische revolutie en haar dictatoriale vorm maar niet zo uit de lucht is komen vallen, maar diepe historische wortels heeft, dat een traditie, die bij ons in het Westen in een proces van eeuwen is uitgelopen op de rechten van de mens en de parlementaire democratie, in Rusland volkomen ontbreekt en dat er bij de Russen zo weinig leeft van een praktijk van individuele staatkundige vrijheid en zoveel van een collectieve zendingsdroom, dat wij de democratie in Rusland niet met onze maatstaven mogen meten, doch haar allereerst moeten vergelijken met de toestanden vóór

1917. Wanneer dus in het onlangs gepubliceerde gesprek tussen Stalin en Stassen (een der belangrijkste en de vooruitstrevendste candidaat der Republikeinse partij voor het presidentschap der Verenigde Staten) over de persvrijheid is gesproken, dan is het duidelijk dat Stalin niet dan met enige moeite tot een juist inzicht daarvan is te brengen, hoewel hij bereid blijkt zich te laten overtuigen.

Uit de andere vijf punten blijkt, dat Rusland ervaringen genoeg heeft om een zeker wantrouwen tegen de Westerse wereld te rechtvaardigen. De royale houding in oorlogstijd bood daartegen niet voldoende tegenwicht.

Dit wil niet zeggen, dat zij dat wantrouwen ook niet eens overdrijven, omdat hen dat in het internationale loven en bieden (waarvoor zij als Oosterlingen zeer ruim de tijd nemen) heel goed te pas komt, zich daarop te beroepen, maar wel dat een ondergrond daarvan steeds aanwezig is en het dus zeer begrijpelijk is, dat het weer volledig waakzaam is, als een Amerikaanse admiraal in 1946 beweert, dat de oorlog eigenlijk nog niet uitgestreden is, of als president Truman bij zijn jongste bezoek in Mexico verklaart, dat vrijhandel voor de Amerikanen belangrijker is dan vrede(!).

Des te belangrijker is het, dat Stalin in hetzelfde gesprek met Stassen erkend heeft, dat een goede samenwerking tussen twee landen met geheel verschillende economische systemen als de U.S.S.R. en de U.S.A. wel degelijk mogelijk is, mits zij het maar beide werkelijk willen.

Wil Rusland samenwerken?

Wij laten de vraag even terzijde, of Amerika dit wil; öf dat daar nog sterke krachten zouden zijn, die de voorsprong van het atoomgeheim willen uitbuiten voor een preventieve oorlog, of dat deze voorsprong een welkome aanleiding is om aan Rusland eisen te stellen, die een gelijkwaardige partner aan de onderhandelingstafel nooit zal accepteren.

Voor ditmaal willen wij vooral nagaan, of Rusland zelf deze samenwerking wil. Dan moeten wij allereerst vaststellen, dat de klappen, die de Sowjet-Unie in deze oorlog getroffen hebben, zo ernstig zijn, dat het minstens tien, misschien wel 15 of 20 jaar zal duren, voordat zij zich daarvan zozeer heeft hersteld, dat zij wederom met dezelfde kracht oorlog zou kunnen voeren. Voor een oorlog tegen de U.S.A. en zonder de geallieerde hulpleveranties, zou die krachtsinspanning bovendien nog veel groter moeten zijn, zelfs al zou er niet met atoombommen gevochten worden. Daarbij nog, dat de poging van de Russische leiding om de opbouw-krachtsinspanning te prikkelen door de propaganda: „Zie je wel uit de stemcijfers van de Parijse conferentie, dat iedereen tegen ons en een paar kleine bondgenoten is”, averechts heeft gewerkt en alleen maar tot moedeloosheid en verslapping van de arbeidsprestatie heeft geleid; en dat op alle oorlogsrampen nog een droogteperiode in de vorige zomer in het land der Zwarte Aarde is gevolgd, die tot een afschuwelijke hongersnood heeft geleid. Een directe oorlogskracht is Rusland dus zeker niet. Wel op de duur? De Sowjet-Unie wil zeker haar macht uitbreiden, maar wat heeft zij te winnen bij oorlog? Ruimte? Het duurt nog eeuwen, voor dat dit uitgestrekte land even dicht bevolkt zou-zijn als West-Europa nu, zelfs bij de huidige bevolkingsaanwas van 3 millioen per jaar. Grondstoffen? Zij heeft ze in alle soorten en bijna alle in groter hoeveelheid dan zij zelf nodig heeft. Alleen de petroleum is wat