is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 36, 07-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen alle zedelijkheid, die afkomstig is van buiten menselijke en buiten de klassenbegrippen staande voorstellingen. Naar onze mening is de zedelijkheid geheel ondergeschikt aan de belangen van de klassenstrijd. Zedelijk is alles wat bevorderlijk is voor de vernietiging van de oude maatschappij en dienstig voor de eenwording van het proletariaat.” Dit is in principe de opheffing van de zedelijkheid. De betekenis van het zedelijke bestaat onder meer hierin, dat het nooit uit belang, welk ook, kan worden afgeleid. De ethiek van de C.P.N. is utilistisch. Het doel heiligt de middelen. Niet de klassenstrijd wordt onderworpen aan de eis der gerechtigheid, maar de gerechtigheid aan de eis van de klassenstrijd. Van een zedelijkheid, die door het gebod Gods bepaald wordt, is geen sprake. Goed en kwaad kunnen niet alleen stuivertje wisselen, maar doen het ook inderdaad. Carr in zijn boekje „De invloed van de Sovjet op het Westen” zegt: „De Franse revolutionnairefi hadden de leus aangenomen: salus populi suprema lex.

Plechanow, de Russische Marxist, was logisch en consequent, toen hij dit veranderde in: Salus revolutiae suprema lex. De revolutie was de voltrekking van het historisch proces. Alles wat de geschiedenis hielp zich te voltrekken was goed. De ethica kon geen andere grondslag en geen andere betekenis 'hebben. Evenals andere totalitaire filosofieën neigt het bolsjewisme er toe de middelen door het doel te rechtvaardigen. Als het doel absoluut is„ kan niets wat het doel dient moreel veroordeeld worden.”

In principe betekent dit een volstrekt relativisme t.o.v. de zedelijkheid. Ik zeg: in principe. In de practijk is het anders. Volgens logische redenering behoort de Marxist zich met geen andere motieven op te houden dan met die van wat nodig en nuttig is voor de revolutie. Maar in de practijk deed Marx een beroep op beseffen van menselijkheid en gerechtigheid. En zo is het met alle communistische literatuur. J. J. BUSKES Jr.

Zwaar weer op til

geen zwijgen verzwijgt meer wat elk weet. weldra (iaat de storm van het lot opsteken... A. Roland Holst.

• \ „De spin spint door en de vensters raken beslagen”. Zo ongeveer schreef ds. Ruitenberg de vorige week. Wij willen proberen een der vensters wat schoon te maken om een helder uitzicht te geven. Anders hoort u binnenkort in de verte, dat er geschoten wordt; het is beter, dat u het dan ook maar ziet. Verwacht geen sensationele onthullingen. Het is, al erg genoeg zo: u hebt het ook allemaal al gelezen, maar ik ben niet zeker, dat -elke lezer dit alles ook met elkaar in verband gebracht heeft. , 1 • 1

Wij drijv6n in Indonesië naar een koloniale oorlog toe, die geen oorlog zal heten, maar plaatselijke activiteit van onze troepen tegen rebellen”. Nog hoop ik, dat deze storm zal overgaan en dat deze sombere profetie onjuist zal blijkeh, maar nü is van belang niet de uitkomst, maar het dreigend gevaar.

Beginnen we met wat ieder wel weet: de Indonesiërs treuzelen met de loyale uitvoering van Linggadjati; ja, ze saboteren het. In Batavia, ingesloten door de republiek, sterven mensen van de honger, er worden voortdurend gewelddadigheden gepleegd tegen onze troepen, tegen de bezette gedeelten van Java en Sumatra en tegen de Malino-gebieden. Geprikkeld door dit alles heeft onze minister-president eerst te Makassar en daarna, meteen toen hij, terug uit de Oost, uit het vliegtuig stapte, zijn twijfel uitgesproken, of de Republiek wel bereid is om met de andere gedeelten van Indonesië en met-Nederland samen te werken, en nu zijn de voorstellen van de G.G. aan’ de Republiek gepresenteerd, die nog net geen ultimatum zijn.

Daartegenover echter moet vastgesteld worden, dat de Republiek zich evenzeer over ons te beklagen heeft. In een uitstekend artikel in Het Parool (29-V) heeft Pieter ’t Hoen er op gewezen, dat die kwade trouw der Indonesiërs toch niet zo klaarblijkelijk is. Hij wijst op de evacuatie der Ned. geïnterneerden, die ondanks de grote transportmoeilijkheden nu voltooid is,

Sjahrir heeft het bloedbad, dat het K.N.I.L. in Zuid-Celebes aangericht heeft bij de voorbereiding tot de nieuwe staat Indonesia-Timoer discreet behandeld, om de volkswoede van zijn mensefi te betomen. Als zij Batavia blokkeren, wij blokkeren heel Java en het onbezette Sumatra; toch heeft Sjahrir toegestemd in rijstleveranties aan de door ons bezette en hongerende gebieden. Met Van Mook samen heeft Sjahrir zich tot de Australische havenarbeiders gericht met het verzoek de boycot van Nederlandse schepen op te heffen. Maar de Republiek kan zich beklagen, dat wij van kwade trouw zijn, dat wij separatistische bewegingen steunen om de republiek van binnen uit te hollen (Pasoendan!), dat het K.N.I.L. de verzending van geneesmiddelen naar de Republiek systematisch saboteert, dat wij nieuwe staten in het leven roepen zonder overleg te plegen met de Republiek, enz. enz.

Over en weer gaan verwijten en deze drijven naar een oorlog toe, ten spijt van alle conferenties, ten spijt van de Hoge Veluwe en Linggadjati, ten spijt van nobele onderhandelaars als Sjahrir en Schermerhorn. Want op de achtergrond staan de legers. „Ons leger is bereid,” zo ongeveer verklaarde laatst gen. Kruis, „voor zijn grote taak”. Welke taak? Ons leger verslindt millioenen. De deviezen voor ons leger raken op en „Trouw” adviseert: „de korte spanne tijds die ons nog rest te gebruiken om de gehele kracht van onze militaire positie in Indië onmiddellijk in te zetten” (geciteerd in Het Parool 31-V).

Zo staan de zaken, en onze verantwoordelijkheid? Want vergeten wij het niet: we zijn geen toeschouwers, maar medespelers. En nu is het te simplistisch, om op de andere regeringspartij zonder meer de schuld af te schuiven. We regeren mee. Onze ministers bezetten, wat ik heel onpolitiek de werk-ministeries (financiën, landbouw, sociale zaken, verkeer, wederopbouw) zou willen noemen, de K.V.P. bezet de machtsministeries (odHog, binnenlandse

zaken, justitie). De verdeling is niet helemaal juist: wij bezetten overzeese gewesten, de K.V.P. economische zaken en men kan de K.V.P. niet botweg de partij der reactie noemen, zoals de communisten haar plegen af te schilderen, voor bepaalde socialistische idealen is zij lauw (socialisatie), zij remt ons élan (inkomstenheffing), maar inzake Indonesië heeft zij een sterke vleugel van integrale Katholieken, die wil, wat wij willen (ik noem Max van Poll, Kersten van de Tijd jammer, dat die heengaat, ik noem ook de Linie), maar haar rechtervleugel maakt contact met de reactie: Welter (nooit-afdoende gedesavoueerd door de K.V.P.), „de Nieuwe Eeuw”, het weekblad van het R.-Katholieke zuiden, waar, cnder toejuiching van de redacteur G. Knuvelder, de calvinist Gerretson als een wildeman tekeer gaat tegen Van Mook en Schermerhorn.

Nu hebben we als democraten te nemen, dat onze regeringspartner, die overigens sterker is dan wij, ons tot compromissen dwingt. Hier ligt de ontzettend zware verantwoordelijkheid van onze partijfractie, om bij dit laveren de juiste koers te vinden. Het is een kwestie van loven en bieden en we zouden niet graag durven zeggen, dat onze mensen zich al te gemakkelijk verkopen. (Wel heb ik soms de indruk, dat ijverige partij-propagandisten ook onze verliezen als winst pogen te boeken: Linggadjati was niet zo’n daverend succes; daarvoor kw,am het te laat!) Maar we vergaten de man op de achtergrond. „Ergens zit de spin, de grote spin, maar wij zien haar niet.” De ontwikkeling der feiten, als boven geschetst, kan niet uit wat aan de zichtbare oppervlakte van het politieke leven gebeurt, verklaard worden. De reactie regeert mee. Er zijn mensen in Nederland, die tegen de officiële politieke koers van onze regering zijn. Zij zijn in de minderheid; deze minderheid is, als men tellen gaat, kl-ein, want dan moet men, in de kwestie van Indonesië (zelfbestuur of koloniaal bewind) ook de communisten meetellen, als te zijn op onze hand, doch deze minderheid bezit een reusachtige, feitelijke, onzichtbare macht. Niet dat ze de reclamezuilen bekladt met „Indië-innood”-pamfletten, niet dat ze het meest-gelezen weekblad Elsevier uitgeeft, is belangrijk, dat bewijst slechts, dat ze veel geld heeft, maar wel is bedenkelijk, dat zij over de meeste zendtijd beschikt (Avro en N.C.R.V.), maar wel is bedenkelijk, dat zij erin geslaagd is Amerika wijs te maken, dat de Republiek communistisch is (onze laatste troef was altijd; we kunnen in Indonesië niet vechten, want de Amerikanen en Eilgelsen willen het niet hebben!). En lees nu Elsevier (31 V). Bedenkelijker nog is, dat onze regering een apparaat bedient, dat haar bedoelingen doorkruist. (De voorgeschiedenis hiervan gaat tot Londen terug, immers, bent u er gerust op, dat Kruis en Spoor en Helfrich enthousiast de lijn van onze regering volgen? Heb u wel eens gelezen over de regeringsvoorlichtingsdienst, over de ambtenarij te Batavia en te Den Haag? Waar komen die geruchten vandaan over de nederlaag van Van Mook en Schermerhorn, de terugzetting van Jonkman en de a.s. benoeming I van Meynen «n Romme?

Nu kan men op hoge toon van onze rege! ringspartij vragen, dat zij haar rechter; vleugel in bedwang houdt daar ligt de invalspoort van de reactie! maar als ! deze weigert, wat dan? Men moet niet te veel verwachten van oppositie en staking, ) want op dat moment wordt onze partij op een hoop gegooid met de communisten en 3 Staat de reactie klaar met harde hand het