is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 37, 14-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Misverstanden in eigen gemeente en elders. Bruins hield vol. Als enige predikant genoot hij het vertrouwen van deze anarcho-socialisten, die de drie k’s, kerk, kroeg en kapitaal, bestreden. Als Van der Zwaag verhinderd was, mocht hij begrafenissen van vrije socialisten leiden en was dan plaatsvervangend redacteur van Van der Zwaags krant De Klok! Zo werd steeds weer een brug geslagen naar een volksgroep, die voor de kerk en daarmee voor het Christendom verloren dreigde te gaan. Men heeft de Blijde JVereld-dominees er wel van beschuldigd, dat zij allereerst socialistische propa – gandisten waren en de kerk misbruikten voor de propaganda. Beter is het dan nog te zeggen, dat zij in de kerk van het socialisme spraken en in de beweging van de kerk. Maar in wezen had het kerkelijk getuigenis toch de centrale plaats. Dat de kerk te weinig kerk was, was door allerlei omstandigheden buiten hun wil bewerkt. De macht en partijstrijd in de kerk hebben zij niet begeerd. Het is wel opmerkelijk, dat de rooie emeritus-predikant een trouw kerkganger is en meestal bij de plaatselijke, orthodoxe dominee.

Vier jaren, van 1896—1900, stond Bruins te Terwispel. Toen volgde De Knijpe, vlak bij Heerenveen, een kleinere gemeente. Bruins kreeg het beroep, ondanks het feit, dat hij geheelonthouder was en zijn kansel, naar men zeide, stonk van de jenever. Hij kreeg nu de handen iets vrijer en begon in 1902 met de Blijde Wereld. De journalistiek, het populaire getuigenis, het eenvoudige zendingswerk, de dienst aan de volksvoorlichting, dat alles trok hem. Onberekenbaar groot is het succes geweest. Natuurlijk, hier spreekt de volksaard mee. De Fries wil een practische preek. De toepassing is alles. Laat hij dan individualist zijn, hij wil ook horen van de sociale consequenties. Hoevelen zijn er niet, die op de vraag: Wat is Christendom? slechts antwoorden: de barmhartige Samaritaan en die ook naar dat antwoord trachten te leven? Mee door Bruins, Winkel, De die spoedig naar Paramaribo vertrok, de kunstzinnige J. J. Meijer, de Bolswarder S. K. Bakker, straks ook door Van der Heide en Van der Hoeve, had op de duur het liberaal-vrijzinnige geluid in de kerk afgedaan. Een vrijzinnige dominee moest in Friesland later op zijn minst geheelonthouder zijn, socialist was ook goed, al begeerde men het liefst geen partijman.

Zeker, er zijn zwakheden aan te wijzen. De geest van zelfvoldane burgerlijkheid in de partij hadden zij, reeds voor Hendrik de Mans boek verscheen, geconstateerd, maar opgegroeid in de sfeer van het verdraagzame, al te relativistische vrijzinnigenèoni niet kunnen wegnemen. De kerk bleef ook in haar praktijk al te zeer de religieuze vereniging, waar God, deugd en onsterfelijkheid geleerd werden. Het t)rofetisch getuigenis was er wel, maar het bindend gezag, dat gemeentebesef en gemeentetucht had kunnen bewerkstelligen, leefde onvoldoende. Waren de Blijde Wereld-dominees te weinig theoloog en enkel maar strijders tot verheffing van het zedelijk volkspeil? Het is vrij zinloos dit achteraf te constateren. Het is bovendien onbillijk. Zij hebben bruggen, die dreigden ineen te storten, intact gehouden en als dit niet gebeurd was, zou de actie tot herkerstening niet die kansen hebben, die er nu altijd nog zijn. Dat zij de geest van de tijd niet hebben omgevormd, wie zal het hun durven verwijten? Wie zal niet dankbaar moeten erkennen, dat hier evangekisatiearbeid is verricht, waarvan het nakroost slechts profiteren kan?

Van 1906—1936 stond Bruins te Stiens in het oude dorp van Pieter Jelles. Dat Stiens

nog een van de meest kerkse vrijzinnige gemeenten is, is zeker mee te danken aan de grote volharding en toewijding, waarmee deze pastor gewerkt heeft. Aan de kerkelijke actie nam Bruins niet deel. Gemeenteen krantenwerk namen hem geheel in beslag. In Friesland kende men hem als de man van de Blijde Wereld, de Hoekjesman uit de Blauwe Vaan en als de Torenwachter uit verschillende plaatselijke bladen. Ook aan de Rotterdamse Voorwaarts, waarvan hij hoofdredacteur had kunnen worden, „maar dan was hij zijn vrijheid kwijt”, werkte Bruins jarenlang mee. De felle strijdlust van de eerste jaren scheen gedoofd, maar wie hem kende, wist, dat achter de milde Dickensiaanse humor de onverzettelijkheid gebleven was. In Stiens had hij in de beginjaren voorgesteld de verhuurde stoelen vrij te geven. in het huis des Heren paste dit huursysteem niet! maar de slag verloren. Toen stelde hij vier, vijf jaar achter elkaar voor een paar rijen niet te verhuren. Zo bereikte hij zijn doel ook. En altijd bleef de vraag: Wat heeft het

gewone volk nodig? Goed, de Blijde Wereld moest overgaan in Tijd en Taak, jongeren moesten de taak van de ouderen overnemen. Maar is het blad nu niet te zeer voor intellectuelen en is er dan soms geen behoefte aan een volksblad? Wat bereikt men, als het hart van het volk niet bereikt wordt?

Bruins, wij mogen hier niet meer vragen oproepen. Wij wilden eigenlijk ook alleen maar zeggen, dat wij u zeer dankbaar zijn, De jongere generatie moge dan andere wegen gaan, dit staat vast: uw trouw en liefde, uw wil om te dienen en ook uw humor blijven nodig. Gij zijt geen predikant-inalgemene-dienst geweest, maar een eenvoudig dorpspastor. Gij hebt echter aan de kerk en aan het volk een algemene dienst bewezen, waardoor het in Nederland toch niet zo hopeloos is, als het soms mocht schijnen. J. J. KALMA.

(Buiten de schuld van de redactie is dit artikel een week te laat geplaatst).

DE STEMMING IS „om ...

Ik lees in „Trouw”, dat de Heer Bruins Slot, die met het Tweede Kamerlid Schouten enkele weken geleden in Indonesië is aangekomen, een bericht aan zijn blad heeft gezonden. Uit de verwarringen, die hij met eigen ogen heeft gezien en na de teleurstelling, die hij opdeed, komt toch één lichtpunt naar voren: Batavia is „om”. Er is gelukkig een andere stemming. Er is een kans op resultaat. Indonesië behoeft niet te worden afgeschreven. De stemming is om.

Wij weten niet of dit waar is. Het is mogelijk, dat de Heer Bruins Slot gelijk heeft. Het is even goed mogelijk van niet. Wanneer wij bedenken, dat er berichten zijn van personen in Indonesië, die een langer tropen-ervaring hebben dan de beide genoemde heren, en ook van de laatste tijd berichten, die luiden, dat het dikwerf zelfs voor ingewijden zeer moeilijk is, de juiste houding der verschillende in dit conflict betrokken partijen te peilen, dan zijn wij vooralsnog geneigd aan zulk ’n uitbundig bericht zekere twijfel te geven. Een twijfel, die wij er zeer bepaald ook op na willen houden. Want de zijde, van waar het kon\t, vervult ons met vrees en beven. Er dringen geruchten tot ons door. En een enkel dagblad heeft er reeds openlijk over geschreven, dat er dingen zouden zijn geschied, op Celebes, die, als zij waar zijn, ons tegenover de Indonesiërs opnieuw met schuld beladen. In deze geruchten wordt gesproken van het optreden van het K.N. 1.L., dat in zijn gevolgen ontzettend is gewast voor duizenden mensenlevens. Er zijn '(andere geruchten omtrent de wijze, waarop vluchtende Indonesiërs door Nederlandse militairen zouden zijn berecht ja, laten we het zo nog maar noemen die ons doen herinneren aan de „militaire” daden van hen, die onder ons en in Europa 5 jaar lang hebben huisgehouden. Als er ook maar iets van waar is, dan zijn wij reeds opnieuw met schuld beladen. En zeker zijn dat degenen, die alleen alle heil verwachten van een stemming, die „om” is,en die, rechtuit of verborgen, nu reeds

maanden lang zeggen en schrijven, dat alleen wapengeweld in staat is Indonesië voor ons te behouden. Zulk een inspiratie heeft haar uitwerking. En ontegenzeggelijk op troepen, die noodgedwongen en ver van huis zijn, misschien lang werkeloos moeten zijn, in een klimaat, waaraan zij niet gewend zijn en in omstandigheden, die hemelsbreed verschillen van Holland. Ontegenzeggelijk ook op diegenen onder hen, die reeds met de aangebrachte gedachte, dat alleen met geweld het Indonesische volk tot, rede en orde is te brengen, zijn weggegaan. Die bovendien, tijdens hun verblijf in de tropen, bij voorbaat voorzien zijn van lectuur, waarvan „Trouw” ons helaas dagelijks bedient ten opzichte van Indonesië.

Als ik een gereformeerd predikant tegenkom, nadat wij elkaar jaren niet gezien hebben en wij, uit oude schoolherinnering, altijd „goed” samen zijn geweest en na tien woorden blijkt, dat een gesprek niet mogelijk is, omdat „Linggadjati” ons scheidt en hij mij zegt, dat hij tot zijn laatste druppel bloed zal blijven strijden voor herstel van gezag in onze overzeese gebiedsdelen, dan begrijp ik, dat als de* kerkeraad van deze predikant een brief schrijft aan zijn jonge leden, die in Indonesië hun dienstplicht vervullen, daarin ook wel het een en ander zal staan, dat wijst in de richting van de stemming, die „om” moet.

Ik wil het in dit verband over de politiek heel niet hebben, Wij zijn op het punt gekomen en niet eerst vandaag dat christelijk en algemeen menselijk niet eens over geweld valt te praten. Christelijk niet. Zou men denken ooit nog één woord namens het Evangelie te kunnen zeggen in Indonesië, wanneer dat woord moest vallen nadat onze kanonnen gesproken hebben? En dat niet alleen. Zou men waarlijk de moed hebben dit als Kerk, als Zending nog te doen, nadat, zij het ‘dan op eigen verantwoording, Nederlanders de mitrailleur hebben gehanteerd tegen dit volk en met hun vliegtuigen over de steden

(vervolg op pagina 5)