is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 37, 14-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar ook de leek kan er zijn nut mee doen. Het is helder, het berust op een grote kennis van bijbel en vergelijkende godsdienstwetenschap en het is overtuigend, maar... mij althans voldeed het niet.

De'onsterfelijkheid der ziel, zo leert prof. V. d. Leeuw, is een Grieks idee. De bijbel kent de dood niet als overgang naar een geestelijk leven, maar als zondestraf. Het sterven is algeheel. Echter de dood wordt overwonnen in het geloof aan de opstanding. U moet dit boekje zelf eens lezen en u laten overtuigen door het geharnast en soepel beteog van prof. v. d. Leeuw, maar dan nodig ik u uit ook deze vragen te overdenken: a. hoe wordt de identiteit van wie gestorven is met die daar opstaat, anders gegarandeerd dan door een zichzelf gelijkblijvend geestelijk element, dat we dan het recht hebben: ziel te noemen? b. hoe moet

de Bijbelgelovige de verschijning van Mozes en Elia op de berg ThabOr verstaan? c. welke zin heeft Jezus’ woord tot de goede moordenaar: „Heden nog zult gij met mij in het paradijs zijn.” d. hoe komt het, dat de vroegere Christenheid nimmer zo scherp het contrast gevoeld heeft tussen de (gezuiverde) Griekse leer èn het Evangelie?

Voor de mensen van vandaag is de vraag naar de zin van de dood niet opgeiost met een aansporing om goed te leven. Als het Christendom faalt hierin een duidelijk antwoord te geven, zal het ook om deze reden weer terrein verliezen, zowel aan de teleurgestelden, die in een uitzichtloos materialisme de vragen van hun wanhopige hart verstikken, als aan de goedgelovigen, die in s])iritistische seances een troost zoeken, welke het Christendom hun niet bieden

kon. In een wijsgerig geschrift van Aldoas Huxley: „The pftrennial philosophy” (Londen 1946), waarvan „Time must have a stóp” een commentaar in romanvorm is, wijst Huxley erop, hoe Oost en West, Christendom ep Vedanta-filosofie hierin overeenstemmen, dat ze geloven in een vorm van onsterfelijkheid, d.i. een deelhebben in het eeuwig-nu van de Godheid en hij biedt ter overweging twee teksten aan, één uit een Indisch heilig boek en één uit het Anglicaans gebedenboek. Ik leg ze u beide voor: „Tot Hem alleen opziende, stijgt de mens boven de dood uit. Er is geen andere weg.” Svetasvatara Upanishad en „God, in Wiens kennis ons eeuwig leven bestaat”. (Book of Common Prayer).

J. G. BOMHOFP.

(VERVOLG VAN PAGINA 3

WILLIAM BLAKE (1757—1827) DE ENGEL VAN HET LAATSTE 00[RDEEL

en kampongs dood en verderf hebben gezaaid 0m... rust en orde te krijgen? En algemeen menselijk niet. Tenzij drie eeuwen tijd tussen Coen en neem Van Heutsz als tussenstation nog steeds hebben laten staan, dat een kleurling een minderwaardig individu is. Alleen geschikt, als hij met zweepslagen er toe apngezet wordt, om een ongetelde schakel te zijn in het vullen van eigen brandkast.

En in de derde plaats: wie zou ons daartoe enig recht geven? Onze bekwaamheid, onze historie, onze superioriteit?

Het kan zijn, dat wij als volk economisch te gronde gaan, als wij Indië „niet meer hebben”. Ik wil het zelfs wel geloven. Maar het zal mij er nooit toe brengen om ten koste van alles een gezag te herstellen, dat innerlijk tegenpver de Indonesiërs nooit heeft bestaan, omdat het niet uitging van de gelijkwaardigheid der partijen. En waar het ónze schuld is, dat deze gevolgen er nu zijn, hebben wij maar twee dingen te doen. Voor vergroting dier schuid nimmer meer aanleiding te geven en zodanig te handelen, dat er een mogelijkheid geschapen wordt, dat de Indonesiër die schuld vergeeft en vergeet.

Ik beluister de laatste tijd klanken bij hen, die tot nu toe er evenzo over dachten, die er op wijzen, dat de vermoeidheid van en in dit alles, doet zeggen: het moet nu maar eens uit zijn. het moét ook uit zijn. Dat zal bij de Republikeinse leiding dan moeten voortkomen uit het besef, dat men ons niet langer op sleeptouw mag houden. Er zal daar een zedelijk overwicht moeten komen, in eigen midden, dat tot deze houding komt. En het moet bij ons uit zijn, dat er geruchten gaan, die altijd tenminste een kern van waarheid bevatten, die aan de andere zijde het wantrouwen laten bestaan, dat er machten en krachten zijn, buiten ons volk, ofschoon uit ons volk, die toch niét willen, wat ons volk in brede lagen beslist wèi wil: zonder wapengeweld met het Indonesische volk tot een vreedzame en vruchtbare samenwerking komen.

Wie meent, dat ons volk in grote hoofdzaak inderdaad te wachten zit op „de stemming is om”, met alle mogelijk onheilzame gevolgen daarvan, vergist zich. Het zou te laat zijn om het te ontdekken, indien werkelijk besloten werd, dat de mitrailleurs moesten gaan spreken.

N. G. J. V. S.