is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 38, 21-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' Dahlia en Reseda

De duisternis. De zwartfluweelen ndcht Rondom mij, inaar als ik mijn oogen sluit

Dan stroomt een droomfestijn van kleurenpracht Davrend naar binnen door de donkre ruit.

Koningen zie ’k in purpren vlamgewaad, Trompetters juichend in het zonnelicht.

Hun geborduurde buizen geel als. goud En meenge jonkvrouw fier van aangezicht

Sneeuwwitte straling om het schoongebouwd Smetteloos wezen, vorstelijk cieraad.

And’re in zacht rozerood aangedaan

En o die onbeschrijflijk overgang

Van helgeel naar roomblank. Puur koorgezang Van kleuren in harmonisch saniengaan.

Het dahliaperk! Dagelijksch kleurenfeest

Voor d’ oogen, en door d’ oogen voor den geest:

Schoone herinnering in winterdag Wekkend een echo van des zomers lach.

Maar als de zon zinkt aan den horizon Dan weet ik, dat ook gij te gronde gaat!

’t Is in den tuin of ge niet meer bestaat: Verdroogd schijnt heel uw rijke kleurenbron

O stralend leven, dood u overwon.

Alles ging onder in zijn zwart verraad.

HARMONIE DOOR NURA, modern Amerikaans schilder. „Zo droomt misschien een klein meisje over haar zelf, nadat ze moeder geholpen heeft met borden wassen en niemand, behalve zij zelf, weet, hoe goed ze is. Maar zij weet het. Ze is een engel, met zonnen in haar kroon, met vleugels en een mandoline op haar knie en drie vogeltjes om mee te zingen met het liedje”.

Maar wie wat verder loopt langs ’t smalle pad.

Dien treft een geur, zoo zuiver en zoo rein Dat hij niet vragen hoeft: „wat kan dat zijn”?

Van kind af aan heb ik u liefgehad. Stillen bescheiden reseda.

Aan dat kleine bloempje heeft God geschonken Geur, die niet maakt de zinnen dronken

Maar tot hen spreekt van Gods gena.

De geur\ der bloem is haar ziel en de kleine Bescheiden bloemen staan altijd bereid

Weg te schenken ’t schoonste van ’t eigen wezen

En de ziel van den mensch, door ’t leven ontwijd, Weer te verzuivren en te genezen.

Henr. Roland Holst—v. d. Schalk

Juli ’46

Vergeef onflze schulden, gelijk wiergeven...

Prof. Banning en ds. Strijd hebben in dit blad reeds enige malen geschreven over de schuld van het Duitse volk en de van ons gevraagde vergeving, die zich uiten moet in, daadwérkelijke hulp.

Mag ik in verband hiermee iets vertellen van de ervaringen die ik opdoe, nu ik plotseling geplaatst ben in een omgeving van merendeels Duitsers?

Toen ik van het Engelse Comité van de C.R.E. (Christian Reconstruction in Europe) het aanbod kreeg om als oorlogsslachtoffer een vacantietijd te gaan doorbrengen in een oecumenisch centrum in Engeland, bereidde ik me er op voor, daar Duitsers te zullen ontmoeten. Ik wist bovendien dat Wistow Centre (een oud kasteel, in een dal tussen de groene heuvels van Leicestershire gelegen) drie jaar lang een opleidingsinstituut was geweest voor Christenen, die zich geroepen voelden ohi na de oorlog naar Duitsland te gaan en daar mee te gaan werken aan de geestelijke opvoeding van het volk. Ik wist echter niet, dat er slechts enkele Engelsen zouden zijn, 1 Frangaise en 1 Spanjaard, en dat de gehele rest Duitsers zouden zijn. Weliswaar Duitsers uit verschillende landen, maar allen Duitsers. Een week voor mijn man gevangen genomen werd in 1942, vierde hij met zijn gemeente Avondmaal. Plotseling stapte heel schuchter een Duitse soldaat binnen en zette zich in een hoekje van de kerk. Mijn man vroeg hem of hij ook aan het Avondmaal wilde komen. En toen de soldaat bevestigend .antwoordde, plaatste hij hem aan zijn rechterhand en gaf hem het brood met de woorden: „In Christo sind wir allen Brüder.”

Deze overtuiging, dat een Duitser aan de Avondmaalstafel, een mede-Christen, onze broeder in God is, heeft mij in de oorlogsjaren en daarna nooit verlaten. Maar te weinig had ik mij reëel voorgesteld, dat de eerste ontmoeting met Duitsers na de oorlog niet aan een Avondmaalstafel zou zijn-En misschien zal het velen van u net zo gaan als mij, vranneer u het contact rae-i de Duitsers weer opneemt: dat u schrikt van de grote haat, die nog in uw eigoh hart leeft:

Het is niet zo moéilijk, om een medechristen te vergeven, wanneer deze Christen, als hij een Duitser is, overtuigd is van de schuld van zijn volk.

Veel moeilijker is het al, om een Duitse Christen te vergeven, als hij geen schuldgevoel heeft.

Het allermoeilijkst is het, om een Duitse nazi te vergeven, die hunkert naar een volgende kans om zijn land groot te maken-De gemeenschap van Duitsers, die WistoW Cjentre bevolkt, behoort half tot de eerste en half tot de tweede categorie. Onder de krijgsgévangenen, die hier regelmatig komen binnenlopen, vermoed ik de derde categorie.

In het eerste gesprek, dat ik met de tijdelijke directeur van het instituut had, vroeg hij me of ik de eerste ontmoeting met de Duitsers hier moeilijk had gevonden. Ik zei: „ja, heel erg moeilijk”. Hij keek ietwat verbaasd, had waarschijnlijk een ontkenning

verwacht. „Maar”, zo vroeg hij verder, „U als Christen zult ons toch wel niet haten. Men heeft ons verteld, dat de haat in Holland erg groot is.” Toen heb ik hem niets anders kunnen zeggen dan de waarheid, die ik die eerste nacht met ontsteltenis bij mezelf ontdekt had: „ich hasse sie alle.” Zijn reactie was de volgende: Er valt hier pp Wistow niets te haten, want wij zijn allema.al oorlogsslachtoffers, evenals u. Wij zijn allen in 1939 gevlucht uit Duitsland, hebben familieleden en bezittingen achter moeten laten en leven hier een armoedig, onzeker leven. Ook valt er niets te haten tegenover de Duitse Christenen in ’t algenieen. De kerken konden zich niet meer verzetten tegenover het Hitlerrégime dan ze al gedaan hebben, want dan zouden ze uitgemoord zijn. Wat ze gedaan hebben is al prachtig en prachtig. Tegenover het gehele Duitse volk valt er ook niets te haten, want dan doet u iets, wat Christus u verboden heeft.”

Dat was de eerste preek. De tweede kwam de volgende dag van een Duitse advocaat, die in de oorlogsjaren in Amerika zijn opleiding tot predikant heeft voltooid en nu in Engeland werkzaam is als predikant van de Congregatiën Church. Ook hij begon met de vraag, of het waar was, dat men in Holland Duitsland zo erg haatte. Op mijn bevestigend antwoord kreeg ik een verhandeling over het „Onze Vader” te horen, met de conclusie, dat wij in Holland dit niet meer mochten bidden, zolang wij het Duitse volk geen vergiffenis hadden geschonken.

dit tweede gesprek was het een verademing voor me, om even met een Engelse predikant te praten, die 2 jaar met het Engelse leger in Duitsland was geweest en juist was teruggekeerd. „Verwacht u geen schuldgevoel bij de Duitsers”, zei hij. „Onder al de predikanten, die ik in Duitsland heb gesproken in de verschillende steden en dorpen, waar ik doorkwam, heb ik er niet één ontmoet, die schuldgevoel had.” Een Duitse predikant uit een krijgsgevangenkamp kwam hier binnenlopen. „Bent u uit Holland? Ik houd veel van de Hollanders. Ik heb goede vrienden in Holland.” En lachend: „ik ben er 2 jaar geweest, en ik was er graag.”

..Welke jaren?” „1941 tot 1943”. Lachend. Een dominee, die het prettig vond in het bezettende leger in Holland te zijn.

Ik zpu door kunnen gaan met deze voorbeelden, maar ik zal het niet doen, omdat ze een zeer eenzijdig beeld geven van de stemming onder de Duitse Christenen. De bovengenoemde mannen waren allen boven de 40 jaar. Maar er zijn ook jonge mensen en vrouwen. En als Wistow Centre me geleerd heeft om weer vertrouwen te stellen in het Duitse volk, dan komt dat door de vrouwen en door de jeugd. De vrouw van de tijdelijke directeur zei tegen me, zonder dat ze iets, afwist van de woorden van haar uian: „Ik ben een Duitse, en dat zal ik ultijd blijven. Daarom voel ik me verantwoordelijk voor mijn volk. Ik weet, dat uw hian vermoord is door onze mensen. Ik

vraag u niet, om het ons, om het mij te vergeven. Ik vraag u alleen, of u hier proberen wilt ons te leren liefhebben.” •

De vrouw van de in Amerika opgeleide predikant zei, toen hij uitgesproken was over het Onze Vader: „Man, je hebt één ding vergeten te zeggen, en dat moet je zeggen: dat wij schuldig zijn. Vergeef het hem en mij, dat wij zó doordrenkt waren van de militaire en slaafse opvoeding, die we in Duitsland kregen, dat we het duivelse niet hebben herkend, toen het ons tegemoet kwam in het gezag, dat boven ons stond.” „Wij hebben alles verloren, ging ze verder, toen we vluchtten. Maar dat onze kinderen nu een Engelse opvoeding krijgen, een opvoeding in vrijheid, is dat offer waard.”

Precies ditzelfde hebben vele andere vrouwen me verteld. Hoe ze eerst met verbazing, later met blijdschap gadegeslagen hebben, hoe de Engelsen de kinderen leren in de vrijheid te staan. Het zijn deze kinderen, die nu, na 7 jaren Engelse opvoe-

ding, teruggaan naar Duitsland om daar de leiding te nemen fij de inwendige zending. Het zijn deze vrouwen, die van Wistow Centre een Engels huis hebben gemaakt, waar de Engelse geest van liefde en verdraagzaamheid, en eerbiediging van eikaars vrijheid heerst. Typerend voor deze geest is, dat de Duitse krijgsgevangenen hier vrij rondlopen. In Duitsland zouden ze achter prikkeldraad zitten.

Tenslotte nog één ding. U zult gemerkt hebben,* dat ik nog maar een leerling ben in de school van de schuldvergeving. Want het is natuurlijk niet waai-, dat wij de Duitsers pas behoeven te gaan vergeven, wannéér ze eerst schuld belijden. Men heeft mij hier reeds vele malen herinnerd aan Christus’ woorden: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Nu ben ik wel heel erg huiverig er voor, om goddelijke woorden tot de mijne te maken, Liever houd ik mij aan het Ónze Vader: