is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 39, 28-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nederland-Indonesië

Toespraak gehouden te Amsterdam, 18 Juni 1947, op de massameeting van de vereniging Tdederland-lndonesië

Het is waarlijk niet tot onze vreugde, dat wij vanavond tot een massademonstratie worden opgeroepen. Wij mogen er ons over verheugen, dat zovele Amsterdamse mannen en vrouwen blijk geven van een wezenlijke belangstelling in de toekomst van Nederland en Indonesië, het feit, dat wij opnieuw demonstreren, betekent, dat beide volken in een situatie verkeren, die, indien er niet spoedig verandering komt, slechts tot één resultaat kan leiden: de volstrekte mislukking van de politiek van vrede en samenwerking. Deze mislukking zou, nationaal en internationaal gewaardeerd, niet minder dan een ramp zijn. Wij willen uiting geven aan de verontrusting, die de laatste weken van dag tot dag groter werd, en aan het verlangen, dat in ons aller hart leeft, dat alles op alles wordt gezet, om deze ramp af te wenden. Verontrusting over de momentele situatie en verlangen naar afwending van een dreigende ramp, op deze wijze duid ik de geestelijke achtergrond van onze massademonstratie aan. Wij demonstreren waarachtig niet voor ons plezier of voor de aardigheid. Deze demonstratie is voor ons e,en zaak van bittere ernst en harde noodzakelijkheid.

Men heeft mij gevraagd: Waaraan ontleent ge het recht en waar haalt ge de moed vandaan? Wat weet gij en wat weten die duizenden in het R.A.1.-gebouw af van de politieke, sociale en economische vraagstukken, die in de nota’s van de Nederlandse Regering en de Republiek aan de orde komen en, gesteld dat dit wel het geval is, wat vermeet gij u, vraagstukken, die zelfs voor de vakmensen en de specialisten welhaast onoplosbaar zijn, te beoordelen? Ik ben geen politicus van professie en al evenmin een specialist. Zij, die mij mijn optreden vanavond verwijten, mogen gerust weten, dat ik, evenmin als gij, al de vraagstukken van de politieke, sociale en economische opbouw van Indonesië beoordelen kan. Wij denken er dan ook geen ogenblik over, een oordeel uit te spreken over de inhoud van de beide nota’s. Dat oordeel laten wij over aan de specialisten hier en in Indonesië.

Toch demonstreren wij en toch spreken wij en willen wij ten aanhoren van heel ons volk getuigen, waaraan wij het recht tot demonstreren ontlenen en waar wij de moed vandaan halen om te spreken. De zaak, die aan de orde is de verhouding van Nederland en Indonesië is niet uitsluitend en zelfs niet allereerst een zaak van onze Regering, ons Parlement en de Indische specialisten, zij is vopr alles een zaak van ons volk en daarom ook onze zaak. •

Wij weten waarschijnlijk heel weinig af van al de vraagstukken, die deze zaak met zich brengt, maar één ding weten wij heel goed, dat het gaat om de verhouding van onik volk en het volk van Indonesië, dat verhouding gedurende eeuwen een kmoniale verhouding is geweest, dat het onze roeping is, deze koloniale verhouding metterdaad te liquideren en dat het daarom een onuitwisbare schande is, wanneer

ons volk de Republiek met militair geweld vernietigt, om met datzelfde militaire geweld orde op zaken te stellen. En wij laten ons door geen macht ter wereld, het recht ontzeggen, nog veel minder ontnemen, als mannen en vrouwen, die hun vaderland geen streep minder liefhebben dan Gerbrandy, Welter en Gerretson, in een massademonstratie uiting te geven aan onze overtuiging, die wij tot uitdrukking brengen in deze simpele woorden: geen oorlog van volk tegen volk, maar vrijwillige samenwerking I

Wij zijn verontrust.

Wij mogen dan niet alle vragen kunnen beantwoorden, wij dragen even goed als Gerbrandy, Welter en Gerretson, verantwoordelijkheid voor de toekomst van Nederland en Indonesië. Wij hebben onze ogen niet in de zak. Wij weten niet veel, maar wij weten heel goed, dat de reactie, zich al meer breed maakt en een steeds sterker druk oefent op volk en regering, om het tot nog toe gevoerde beleid prijs te geven en het inderdaad brandende vraag-” stuk op te lossen mej het militaire apparaat, waarover wij als Westerse mogendheid beschikken. En wij hebben vanaf het eerste ogenblik beseft, dat onze troepenmacht, tegen de bedoeling van onze regering in, door de reactie zou worden gebruikt als een stuk in het politieke schaakspel, niet als pion of kasteel ter bescherming, maar als loper of paard tot de aanval. De reactie wil de progressieve politiek, die in Nederland een nieuw tijdperk opende, de nek omdraaièn. „Nederland”, zegt Bruins Slot in „Trouw”, „neme het recht, zijn recht, in eigen handen.” De reactie wil* niet langer onderhandelen, maar handelen. De reactie wil, welke mooie woorden zij ook gebruikt om een lelijke zaak te camoufleren „geen koloniale oorlog, maar een bevrijdingsstrijd” schieten. Wij laten ons niet misleiden door de mooie woorden, zeker niet, wanneer zij door bepaalde groepen van de reactie in de naam van God worden uitgesproken. Wij horen de mooie en christelijke woorden, maar wij zien de lelijke en goddeloze werkelijkheid en wij zeggen zó, dat heel ons volk en heel de wereld het horen moet: Wij willen niet schieten I

En wanneer men mij vraagt, waaraan ik het recht ontleen en waar ik de moed vandaan haal, mee te demonstreren en mee te spreken, antwoord ik: ik ontleen dat recht aan het feit, dat ik Nederlander ben en mijn volk liefheb, dat ik samen met mijn volk op mijn wijze vijf jaar gestreden heb voor recht en vrijheid, dat ik dat recht en die vrijheid ook gun aan het volk van Indonesië en ik ontleen die moed aan mijn christelijk geloof. Ik geloof nu eenmaal in een God, die niet alleen de God van Nederland, maar ook de God van Indonesië is, niet een nationale God, maar de Schepper van hemel en aarde en ik kan als christen er alleen maar van gruwen, wanneer men ons in de naam van Jezus Christus oproept, om op het volk van Indonesië te schieten. Uit onze verontrusting over de tegenwoordige situatie en ons verlangen naar een

oplossing zonder militair geweld wordt geboren ons protest tegen de actie in wezen de reactie van de groepen, die ons volk in een koloniale oorlog willen storten, een oorlog, waarin het bloed van duizenden Nederlanders en Indonesiërs vloeien zal en die op niets anders kan uitlopen, of men het wil of niet wil, dan op een herstel van de koloniale verhouding en ieder overleg voor jaren onmogelijk zal maken.

Daarom getuigen wij: geen oorlog en geen militair geweld, maar _ overleg! Daarom doen wij een beroep op de regering van Nederland en de mannen van de Republiek, om bereid te zijn tot een uiterste inspanning, om een catastrophe te voorkomen. Daarom vragen wij om een vermindering van de troepenmacht. Laten de pionnen en het kasteel en vooral de koningin met haar verklaring van 1942 blijven, maar laten de loper en het paard van het schaakbord verdwijnen. Wij willen uitsluitend een troepenmacht, die voor een defensief doel en nooit voor een offensief doel kan worden gebruikt. Een eerste voorwaarde voor een oplossing zonder militair geweld is het verdwijnen van het wantrouwen, dat door de reactie met alle haar ten dienste staande middelen wordt aangewakkerd,. dat de verhoudingen radicaal bederft en alle vruchtbaar overleg onmogelijk maakt. Hier heeft ons volk een even grote verantwoordelijkheid als het volk van Indonesië. Wij werken niet met een zwart-wit schema, zoals de reactie het doet, die de gedachte propageert, dat de Republiek alleen uit wolven en ons volk alleen uit lammeren bestaat. Aan beide kanten zijn er extremisten, die een progressieve politiek bedreigen. Aan beide kanten zijn er echter ook die een wezenlijk progressieve politiek zien als de enige uitkomst.

Eli waar het officiële christendom in ons vaderland ik denk aan de protestants christelijke partijen al zijn kracht inzet tegen deze progressieve politiek en voor de toepassing van militair geweld, dat wil zeggen; voor een koloniale oorlog en de reactie is het mij in al het verdriet om deze christelijke reactie een vreugde, u te mogen zeggen, dat de zending, zowel de Rooms Katholieke als de Protestantse slechts één verlangen kent, het verlangen dat ons hier samenbracht: Geen oorlog van volk tegen volk, maar vrijwillige samenwerking, omdat de zending er van overtuigd is, dat een oplossing met militair geweld niet alleen voor Nederland en Indonesië, maar ook voor de toekomst van het christendom in Indonesië en nu*zou ik willen, dat heel christelijk Nederland luisterde naar de mannen van de zending, die waarachtig geen communisten zijn niet anders dan voor jaren een ontzettende ramp kan betekenen.

Wij bevinden ons in een crisis. Deze crisis is een vertrouwenscrisis; aan beide zijden, veroorzaakt door misdragingen aan beide zijden. Wat wij verlangen, is dat het vertrouwen daden van beide zijden wordt hersteld. Het gaat tenslotte niet om Nederland en niet om Indonesië, nog veel min-I der om Nederlands en Indonesisch nationalisme. Het gaat om de opbouw van een nieuwe rechtsorde tussen twee volken op de grondslag van recht en vrijheid. Daar-I toe is van beide zijden nodig een nieuwe – gezindheid, voor ons allen samen een wezenlijke socialistische en voor hen, die zich • christenen noemen, daar achter en daar I boven uit een wezenlijke christelijke ge-L zindheid.

Deze demonstratie, nog eenmaal, is voor ons een zaak van bittere ernst *en harde noodzakelijkheid. 1 Wij demonstreren niet voor ons plezier of