is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 39, 28-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Proza

met een belofte

J. J. Klant, De Geboorte van Jan Klaassen. De Bezige Bij, Amsterdam 1946. f 4.10.

Ik kan het wel begrijpen, dat men dit boekje heeft willen bekronen. Het zou, geloof ik, misplaatst zijn van een belangrijk debuut te spreken, daarvoor is het ondanks de schijn van een zekere excentriciteit te gewoon; maar juist die gezonde „gewoonheid” kan, althans wanneer zij gepaard gaat met een zeker schrijftalent, een belofte inhouden.

Talrijk zijn de laatste tijd alweer de nieuw verschenen boeken, zo van bekende als van tevoren weinig of niet bekende schrijvers; de étalages liggen vol. Keer op keer heb ik in de loop van dit jaar naar een nieuw boek gegrepen; soms met verwachting omdat schrijver, titel, recensie of wat-dan-ook iets scheen te beloven, soms zonder verwachting, alleen om op de hoogte te blijven en anderen op de hoogte te kunnen houden. Maar een „belangrijke ontmoeting” werd het vrijwel nooit. ,

Daar was een enkele oudere, die de indruk kon wekken door de gang der gebeurtenissen innerlijk verjongd te zijn; ik denk aan Gerard van Bekeren met zijn roman „De Paarden van Holst”. Maar af gezien van de prachtige, suggestieve titel blijkt het een ouderwets boek, het verhaal van een man die „zoveel sympathie voor de idealen van de moderne jeugd heeft”, maar daarom zelf niet minder gezapig en ouderwets blijft.

Er zijn de voor-oorlogse „bekende schrijvers”, de korte verhalen van Theun de Vries (De Laars, Eros in Hinderlaag) heb ik inderdaad gelezen, er zijn er enkele heel mooie bij; maar moet ik die dikke turf uit de Babylonische tijd gaan lezen, terwijl ik weet dat het werk van De Vries altijd beter is geweest naarmate zijn bestek beperkter was en hij dichter bij huis bleef? Den Doolaard met zijn roman van Walcheren? Maar ik heb een weerzin gekregen tegen die typische Den Doolaard-rhetoriek; het is niet onoprecht wat hij schrijft, maar men weet a.h.w. van tevoren al wat hij zeggen zal en hoe. Natuurlijk zullen daar op Walcheren stoere kerels onder vloeken en pruimen wat groots verricht hebben! Maar ik verwacht geen enkele verrassing, als het relaas daarvan mij, met loudspeaker-effecten, door Den Doolaard moet worden opgedist.

IGNAZ ( 1 77 2- 1 808)

Aan de rand van het bos (gekleurde pentekening)

Doen wij misschien auteurs onrecht, die zich min of meer buiten onze eigen kring bewegen? Als Rogier van Aerde dan zulke daverende oplagen bereikt, als „Stem in de Woestijn” al evenzeer een monumentaal epos schijnt te zijn als „Kain”, misschien zou ik dan toch naar de Roomse lofredenaars meer moeten luisteren.

Enfin, ik ben met „Stem in de Woestijn”, de levensroman van Johannes de Doper, eens rustig gaan zitten. Het was niet zó slecht als ik gedacht had, het was geen bombast (zoals de reclame en de pompeuze wijze van uitgeven wèl zijn), maar het was volmaakt onbelangrijk. De schrijver heeft alle moeite gedaan om de zaken „echt” en aanschouwelijk voor te stellen en is daar ook wel in geslaagd, maar nergens komt hij boven het niveau van „lectuur voor de tijpere jeugd uit, het blijft alles onpersoonlijk en onbeduidend. Geef mij maar een reisbeschrijving, geef mij een willekeurig boek

van zakelijke inhoud, dan heb ik meer kans om wakker en geïnteresseerd te blijven dan hier!

De jongeren? De tweede roman van de Vlaming Piet van Aken (na „Het Hart en de Klok”: „De Duivel vaart in ons”) is mij lelijk tegengevallen. Het is of men in de werkplaats van de schrijver komt, én daar het half bewerkte materiaal in het rond vindt liggen, waaruit hij dat dndere, gave kunstwerk had samengesteld.

Wat de Hollanders betreft, heb ik van Blijstra de proef genomen. Die man heeft een harde zakelijkheid, waar litterair gesproken wel iets in zit, maar hoewel hij niet meer tot de jongsten hoort, is zijn werk nog altijd wat onvolgroeid en onrijp. Het lükt hem nog niet helemaal.

Bepaald hinderlijk is de onvolgroeidheid in het proza van Jan Spierdijk; hij schrijft gevoelige en inderdaad wel „poëtische” verzen, maar och, wat een broekje, wanneer hij in proza zijn levenswijsheid luchten gaat! Ik ben ze vergeten, ik heb natuurlijk méér van die knapen gelezen. De voornaamste indruk die zij nalaten, of zij

nu „schrijven” kunnen of niet, is die van een geestelijke onvolwassenheid die zij, wat hun leeftijd betreft, allang ontgroeid moesten zijn, en die zij menen te compenseren door skeptische, wereldwijze ouweherenallures.

En juist dËiarom ik keer eindelijk tot mijn uitgangspunt terug! voel ik nu sympathie voor het boekje van Klant, en lijkt het mij redelijk daar enige verwachting op te bouwen. Het is werk dat de huidelijke sporen van jeugd draagt voor een romanschrijver is 32 jaar jong —, maar die jeugd is groeikrachtig, normaal en gezond. Het is het verhaal van iemand die uit een „andere” wereld plotseling onze 20eeeuwse menselijke samenleving binnenstapt; het verhaal hoe hij tracht zich aan te passen en niet op te vallen, hoe hij keer op keer opbotst tegen dit zinloze en onzinnige bestaan, klappen krijgt, en juist wanneer het lijkt of alles nu wel zo’n beetje lóópt, diep in zijn hart het pijnlijkst voelt waartoe hij is vervallen.

De vreemdeling uit de andere wereld is in dit geval Jan Klaassen van de poppenkast