is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 39, 28-06-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, -m De resolutie van de Partijraad ’

Het is al vele malen gezegd, dat de kwestie Indonesië een toetssteen is voor het morele van het Nederlandse volk. Als dat • waar is, dan mag nü wel gezegd worden, dat men dit volk, om der gerechtigheid wille, vanwege zijn morele kwaliteiten niet mag liefhebben!

Voor de F. v. d. A. is de kwestie Indonesië evenwel ook zulk een toetssteen van haar morele kwaliteiten. Ze wordt er thans wel heel ernstig door op de proef gesteld. Dat haar weg tot dusver niet over rozen ging is wel vooral aan dit probleem te wijten.

Geen wonder ook. Het koloniale sentiment blijkt dieper ingevreten te hebben in de ziel van dit volk, dan we voor 1940 ooit hadden kunnen vermoeden. De belevenissen van de oorlogstijd en het gevoel medeoverwinnaar te zijn in de gigantische wereldstrijd hebben dat waarschijnlijk 'nog verhevigd. Wat we nooit hadden gedacht, blijkt nu een feit: het Nederlandse volk kan nog „imperiaal” voelen. Het uit zich momenteel in het besef: we willen Indië houden.

Het ergste is, dat dit ook leeft in brede lagen van de aanhang van de P. v. d. A. Men moet maar eens onder de mensen luisteren. Dan staat men er stom verbaasd over, wat men daarvan uit de mond van partijgenoten hoort!

De P. V. d. A. is wel in een lelijke impasse gekomen! In de resolutie van de partijraad zie ik ook een wanhopige poging oin zich uit deze tragische situatie te bevrijden. Of ze inderdaad wel zo bevrijdend is als b.v. het V.V. ons aanstonds wilde suggereren is de vraag nog. Het zal nog moeten blijken.

Ze begint gelukkig met te constateren, dat beide partijen de overeenkomst van Linggadjati als de vaste grondslag van hun betrekkingen aanvaarden. Dat klinkt iets anders dan wat het V.V. in het nummer van 14 Juni schreef: „De Republiek heeft zich met haar eisen losgemaakt van het accoord van Linggadjati”. Wie heeft er<nu gelijk: de partijraad of het V.V.?

punt 3 van de resolutie spreekt de teleurstelling van de partijraad uit, dat er zodanige verschillen van interpretatie van Linggadjati naar voren gekomen zijn, als niet mochten worden verwacht na de vóór de ondertekening der overeenkomst tussen beide partijen gevoerde correspondentie, waardoor de Republiek Indonesia van de Nederlandse interpretatie volledig op d,e hoogte was.

Hier worden twee dingen in één adem ge-

noemd, die wel uit elkaar gehouden moesten worden. De correspondentie. Die is inderdaad door de Republiek, voor het tekenen der overeenkomst aanvaard. Het zal echter duidelijk gemaakt moeten worden, dat, wat de Republiek in haar antwoordnota schrijft, met deze correspondentie in strijd is.

Het andere punt is de Nederlandse interpretatie. Daar heeft de Republiek zich niet aan gebonden. Zeer terecht. Dat wist men van tevpren. Teleurstellingen over de principiële verschillen zijn dus op deze grond onnodig. Het blijkt duidelijk, dat er dus wel twee „Linggadjati’s” zijn. Voor de P. V. d. A. is het moeilijke, dat ze ook aan de Nederlandse, d.i. aan de interpretatie Romme—Goes van Naters gebonden is. Men wist toch, dat deze verschillende interpretatie tot zeer diepgaande principiële verschillen aanleiding moest geven, vooral toen Nederland, op grond van zijn interpretatie rustig en lustig begon en dóórzette met zijn „staten”-vorming buiten Java en Sumatra, zonder de Republiek daarin te kennen? Met voor haar geen enkele garantie, dat dat werkelijk de democratische, vrije uitdrukking was van de betrokken bevolkingen?

Thans verwijt men de Republiek gebrekaan wil tot samenwerking. Is die wil tot royale en eerlijke samenwerking van Nederlandse zijde zo overduidelijk getoond, sinds de ondertekening?

In dit verband had punt 9 van de resolutie wel wat concreter mogen zijn. Daar had op z’n minst duidelijk in moeten staan een aanwijzing van al die dingen, waarin van Nederlandse zijde de wil tot samenwerking blijkbaar ontbroken heeft. Daarnaast de punten, waarop de Republiek ten deze te kort geschoten is. Misschien had de balans een merkwaardig beeld vertoond!

Uit de antwoord-nota van de Republiek blijkt wel één ding: zij heeft thans geen haast! Ze wil eerst op zeer aangelegen punten, die voor de toekomst van het grootste belang zijn, zekerheid hebben. Ze wil niet onder de leuze, dat het alles voorlopig is, tot uitwerking van de overeenkomst van Linggadjati, in een situatie komen ten aanzien van Nederland, die een hier op de loer liggende koloniale reactie weleens zou kunnen gebruiken als een fuik, die later dicht gehaald wordt om de gladde aal te vangen! Te begrijpen! Waarom is er nu opeens aan onze kant zo’n haast. De wereldsituatie? De wereldvoedselnood? En men heeft ons altijd verteld, dat het in die Republiek één grote chaos was van gebrek en honger en verwarring? Of is het omdat de, Nederlandse

positie achter de demarcatielijn niet erg

Wat denkt men, dat het beroep dat deze resolutie doet o.a. op de Republiek, zal uitwerken, zolang de P. v. d. A. niet overduidelijk af keurt alles, waarin men van Nederlandse 'zijde bij de uitvoering van Linggadjati is te kort geschoten.

Over de uitwerking hier in Nederland make men zich ook geen al te grote illusies. Het is nu nog te vroeg om er iets van te zeggen, maar de tijd zal het moeten leren. Het is nu eenmaal zo, dat deze resolutie veelszins het gebaar is van een gebondene en daar hecht men nu eenmaal niet veel waarde aan in de politiek, waar het om machtsverhoudingen gaat. Want de P. V. d. A. is in deze kwestie gebonden, véél te gebonden. Gebonden aan Rommel Ja, maar ook gebonden aan wat ik boven het koloniale sentiment van het Nederlandse volk noemde, dat ook in haar aanhang er zo diep in zit. Bewijs daarvan is m.i. de slappe, weifelachtige houding, die het V.V. van meet af aan in deze kwestie heeft aangenomen.

Anderzijds is het de vraag of het van de Republiek Indonesia en de krachten die in haar stuwen niet dom is, dat zij zo weinig rekening houden met de politieke machtsverhoudingen, zoals die hier in Nederland nu eenmaal liggen.

Men krijgt de indruk, dat er aan die zijde te weinig realiteitszin is in deze. Zelfs de vier-jarige breuk tussen Nederland en Indonesië, ja zelfs de revolutie, hebben het feit niet ongedaan kunnen maken, dat beide volken nu eenmaal met elkaar verbonden zijn en van elkaar afhankelijk zijn. Indonesië is ondanks alles, ook mede door de uitslag van de .oorlog, nog steeds afhankelijk, in feite afhankelijk van de Nederlandse politieke verhoudingen..

Dat de stuwende krachten in de Republiek dat blijkbaar niet voldoende inzien, is ook alweer een gevolg van het ellendige koloniale systeem. Het kwam nooit in de kraam van dat systeem te pas om het Indonesische volk een duidelijk inzicht in de verhouding en die afhankelijkheid te geven, door het er direct bij te betrekken. Dan had men het zelf democratisch moeten leren denken en voelen en dat zou al te veel bijgedragen hebben tot de politieke scholing en dus politieke ontvoogding. Ondertussen: de P. v. d. A. zit wel in de impasse! Of deze resolutie er haar uit zal helpen is de vraag.

Dat zal waarschijnlijk alleen kunnen door een wat „potiger” houding te gaan aannemen. Daar zitten risico’s aan. Dat zou de breuk met Romme kunnen betekenen en de overwinning van de koloniale reactie en dus: oorlog in Indonesië!

Jawel, maar een kind kan zien, dat we daar nu, met de P. v. d. A. ook heendrijven! Het is de vraag of ze zich er op het laatste moment van zal kunnen bevrijden. Met behulp van de P. v. d. A. heeft immers Nederland een machtsapparaat in Indonesië opgebouwd. Dat een leger er niet is om muskieten te vangen, weet iedereen.

Koloniale oorlog door de koloniale reactie ontketend! Goed, maar dan zou de Partij van de Arbeid er in elk geval met vrijmoedigheid tegen kunnen opkomen. Dan had ze ook nog wel over machtsmiddelen te beschikken, die indruk kunnen maken. Ik denk aan de algemene werkstaking waarvan weleens sprake geweest is. Wie daarvan nu nog iets verwacht, is een dwaas. We drijven naar de koloniale oorlog. De P. V. d. A. is als een kinderhand gewordeii, die geen lawine kan tegenhouden! ,

L. NIEUWPOORT.

op de Dam, die mens is geworden. Bij Henriëtte van Eyk’s „Gabriël” was het een op aarde gestrande zonnestraal. Maar is ieder iong mens die de wereld binnentreedt en in wie zich enig persoonlijk leven heeft gevormd, niet in dezelfde positie? Rechtvaardigheidszin, zedelijke normen, dromen van persoonlijk geluk, voorstellingen van wat een menswaardig leven is, zij zijn bU de jonge mens nog onbeproefd, zij zijn misschien romantisch en onreëel. Maar welk een afschuwelijk mechanisme zou onze samenleving zijn als die botsing van de groeiende persoonlijkheid met de zielloze collectiviteit er niet meer was! Met juist zelfinzicht noemt deze Jan Klaassen zich een „dichter”. Om zijn onverbe-

terlijke, onmaatschappelijke dichterlijkheid zou ik er zelfs iets voor hem Pierrot te noemen in plaats van Jan Klaassen. En tóch wil dat in de grond met zeggen dat hij een uitzonderingsmens is; zijn moeilijkheden zijn de moeilijkheden van ieder jong mens in we wat omgaat strijd is de strijd vari ons allen. Het boekje is wat te nadrukkelijk en e vee ui ge sponnen; het is ook lang zo geestig met als Henriette van Eyk was. Met zyn hulpeloze Pierrot-glimlach en zijn roerende Pierroernst is het'eigenlijk nauwelijks „grappig , al wil men ons dat doen plovep. Maar het is nrenselijk, het is en in zijn betekenis niet uitsluitend individueel, M. H. v. d. ZEYUJi.