is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 40, 05-07-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Üis^aak

ZATERDAG 5 JULI 1947 — No. 40

Aan den Heer behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

ONDER REDACTIE VAN Prof. Dr. W. BANNING; Ds. J. J. BUSKES Jr. EN Ds. L. H. RUITENBERG. SECRETARIS DER REDACTIE: J. G. BOMHOFF, ROERSTRAAT 48111, AMSTERDAM (Z.), TEL 24386

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 45ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR ƒB.OO, HALFJAAR ƒ4.25, KWARTAAL ƒ 2.30 PLUS ƒ0.15 INCASSO. LOSSE NUMMERS ƒ0.15 POSTGIRO 21876 GEMEENTE GIRO V 4500 ADMINISTRATIE; N.V. DE ARBEIDERSPERS, MERELVELD 15, AMS^ERDAM-CENTRUM

Het moeizame gesprek

Neen, ditmaal niet over het z.g. kerkelijke gesprek tussen verschillende richtingen, al gaat ook dat moeizaam genoeg. Ik wilde ditmaal aandacht vragen voor het gesprek tussen ons en de humanisten van het Humanistisch Verbond. Onlangs heb ik, naar aanleiding van een T. en T. artikel, een onbevredigend schermutselingetje gehad met dr. Brandt Corstius. Nu treft mij in „Mens en Wereld” van 14 Juni j.l. een artikel van H. Ploeg, waarin eenzelfde op – vatting naar voren komt... ik waag een poging om de discussie tussen ons zo duidelijk mogelijk te doen plaats vinden. Ploeg en andere humanisten achten zich te kort gedaan, wanneer van Christelijke zijde de stelling wordt geponeerd dat „als de mens Grod in zijn leven niet erkent, hij vroeg of laat tot beestachtigheid vervalt”. Zo heeft Ploeg het weer eens gehoord uit de mond van een christelijk medewerker, hij heeft zich geërgerd en gegriefd gevoeld, en vraagt nu, uit een gepast gevoel van eigenwaarde, dat men de humanisten ongemoeid late.

Voorop mijnerzijds nogmaals de reeds tot Vervelens toe herhaalde stelling, dat de noodsituatie onzer beschaving ons Christenen en humanisten dwingt tot samenwerking overal waar die maar enigzins niogelijk is. Terwille van die samenwerking Wordt ook dit artikeltje geschreven, al kan het voor sommigen de schijn van het tegendeel hebben. Om het maar direct te 2eggen:de wezenlijke zin van de door Ploeg gewraakte uitdrukking blijven wij juist al is het noch iemands bedoeling de strekking van de uitspraak zelf om ®en ander te grieven. M.a.w. ik vind de uitspraak naar haar strekking juist en ontken he gerechtvaardigdheid van de gevoelens Van gegriefdheid en ergenis. Hoe zit dat?

Laat ik het proberen, de overbodige en schadelijke gevoeligheden uit te schakelen, en eerst een andere stelling in het geding brengen: b.v. de vraag naar zelfkennis. Ik mag geen ogenblik ontkennen, dat óók de humanisten, atheïsten, niet-Christenen eerlijk en ernstig met zichzelf omgaan, eerlijk en ernstige zelfcritiek uitoefenen. Ik wil zelfs gaarne en dankbaar erkennen, dat wij Christenen, veel te danken hebben op dit terrein aan b.v. de moderne zielkunde, die voor een belangrijk deel door niet gelovigen is geschapen. En toch ben ik diep overtuigd, en zal dat ook uitspreken met de nodige duidelijkheid en kracht, dat ware zelfkennis niet mogelijk is zonder kennis van God. Wanneer nu iemand zich daardoor geërgerd en gegriefd zou voelen, dan zeg ik rustig: gij maakt een denkfout. heb het n.l. niet over u, meneer A. of B. of C; gij hebt het wellicht in de practische en wetenschappelijke zelfkennis stukken verder gebracht dan ik. Het enige, dat ik beweer natuurlijk: op grond van mijn geloof, dat voor u geen enkele geldigheid behoeft te hebben is: de mens is schepsel Gods, enkele mis- of ontkenning van dit fundamentele feit belet de mens tot kennis van zijn ware wezen te komen.

Wij denken over de chaos en de verwijdering van deze tijd, en zoeken naar oorzaken. Dan zal de econoom, de socioloog, de filosoof daarover allerlei te berde brengen, dat wij geen van allen kunnen missen. Ik wil dankbaar erkennen, dat b.v. Marx en wie in zijn lijn verder hebben gewerkt, ons veel meer over de maatschappij hebben geleerd dan alle Christelijke dogmatieken der 19e eeuw samen. Maar als het gaat om de meest fundamentele oorzaak der maatschappelijke en geestelijke crisis, dan

moeten wij zeggen: ware gemeenschap is niet mogelijk zonder gehoorzaamheid aan God. Wanneer nu een humanist daarop reageert met de geërgerde opmerking, „o, wij weten dus weer niets van de ware gemeenschap”, dan is mijn antwoord: u maakt opnieuw een denkfout. Ik oordeel n.l. niet over uw persoon best mogelijk, dat gij tienmaal nobeler gemeenschapsmens zijt dan ik, dat ik alles van u te leren heb. Ik oordeel evenmin over uw idealen en de betekenis daarvan voor deze tijd. Ik spreek alleen mijn geloof uit: dat heel deze wereld van God is, en dat Zijn wil op aarde moet geschieden als in de hemel. Elke poging om de ziekte onzer beschaving te overwinnen zonder terugkeer tot de fundamentele gehoorzaamheid moet mislukken, en voert al dieper in de beestachtigheid. Wie daarop reageert met de opmerking: „o, dus wij werken weer de beestachtigheid in de hand”, toont wel hoe gevoelig hij is, maar niet dat hij redelijk denkt.

Hier zou ik gevoeglijk kunnen eindigen. Maar ik herinner mij dat H. Ploeg Jr. lange jaren heeft vooraangestaan in de blauwe N.V. Als hij de stelling verdedigde, dat matigheid het alcoholisme in stand houdt, heeft hij nimmer bedoeld te zeggen, dat b.v. zijn socialistische makkers, die wel eens een glas bier drinken, zedelijk minderwaardige individuen zijn. Hij poneerde alleen: geheelonthouding is radicaler bestrijding, ja de enig radicale bestrijding van het alcoholisme. Zo beweren wij: een radicale bestrijding van het sociale en culturele verderf vraagt erkenning van de realiteit Gods. Is het te veel gevraagd, om al te subjectieve gevoeligheden wat opzij te zetten, waar het gaat om objectieve beginselen? W. B.