is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 40, 05-07-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lectuur

OVER HET HUMANISME t

De discussie over de verhouding van christendom en humanisme en niet minder die over de verhouding van christenen en humanisten biyft op gang. Geen wonder ook. De situatie van Europa dwingt ons tot rekenschap, wy kunnen ons de weelde niet veroorloven, langs elkaar heen te leven in de overtuiging: christendom en humanisme sluiten elkander uit.

Eén van onze lezers vroeg ons een opgave van geschriften, die de laatste jaren in Nederland verschenen zyn en een bijdrage voor de discussie leveren. Wij voldoen gaarne aan dit verzoek, al zyn wy er reeds tevoren van overtuigd, dat onze opgave onvolledig is.

Voor alles vragen wy de aandacht voor „Geschonden Wereld” van'prof. J. Huizinga (Tjeenk Willink, Haarlem 1946) en „In bpdracht yan de Tijd” van prof. Jan Romein (Querido, Amsterdam, 1946). Prof. Huizinga en prof. Romein zyn twee edele representanten van het humanisme. Prof. Romein is humanist pur sang, prof. Huizinga is ook christen, al uit zijn chris-# telijk geloof zich in zijn boeken slechts terloops en uiterst ingetogen en bescheiden. Voor hem betekent humanisme in elk geval niet verwerping van het christelijk geloof, maar de uitdrukking van al datgene, wat de mens als mens het waardigst is. Hij vreest echter, dat de wereld van morgen niet rijp is voor een herleving van het christendom, te zeer verstrikt als zy is in een houding, die aan het christendom tegengesteld is. Hij stelt zyn verwachting op de herleving van de vier hoofddeugden: geestkracht, rechtvaardigheid, gematigdheid en voorzichtigheid.

Prof. Romein propageert een humanisme zonder enige supra empirische binding. De titel, die hy voor zijn tien gebundelde lezingen uitkoos is veel zeggend: In opdracht van de Tyd! Zoals ook dit éne zinnetje alles zegt: „Ik voor mij meen, dat de mens alleen staat op de wereld, alleen op de wereld zonder God met als enig kompas de rede, nu echter niet meer met een hoofdletter, als iets in de grond toch nog transcendents, maar met een kleine letter, of wilt u liever: met zijn verstand, en dat hij maar moet zien, hoe er het beste van te maken” (blz. 231). Van belang zijn vooral de opstellen over „De menselijke waardigheid” en „Eeuwigheidswaarden”. In dit boek vinden wij het a-religieuze humanisme op z’n best. De critiek zou moeten inzetten bij de titel.

Rasecht humanisme vonden wij ook in het Augustus-September-nummer van „Centaur” (1946), dat geheel aan Griekenland is gewijd. Philosophen, dichters en beeldhouwers bepalen hun standpunt tegenover Griekenland. De redactie getuigt: „Er kan van de Helleense cultuur weer een kracht uitgaan: zonder dat zy ons de normen zal kunnen hergeven, die verloren dreigen te gaan, vermag het beeld, dat zij telkens weer weet te verwekken, het bewustzyn

levend te houden aan een ideaal van harmonie en geesteiyke tucht in een wereld, waarin de mens niet ter wille van een hemels heil aan de plichten van de dag en de heeriykheden dezer aarde kan verzaken”. De redactie weet echter ook dit, dat deze verzameling niet alleen een huldebetuiging aan de oude cultuur van Griekenland is geworden, maar ook een beeld van de hedendaagse verscheurdheid in Europa en van de individuele noodtoestand waarin de meesten verkeren. A. Roland Holst, die een prachtig stuk schreef: „Van Erts tot Arend”, weet tenminste, dat na Golgotha het zich bewust worden van die duistere gebieden, waar het geluk van Hellas zich niet mee inliet, niet meer afgewend kan worden. Toen hij voor kort epn afbeeldsel van de Karyatiden van het Erechtheion bekeek en zich de gezegende wapenstilstand herinnerde, kwam hem een enkele regèl van een bevriend dichter in de gedachte: „Voorbij, voorby, o, en voor goed voorbij”. Het is veelzeggend, dat dit de laatste woorden van zijn essay zijn. Principieel wordt de vraag naar de verhouding van christendom en humanisme in enkele kleine geschriften aan de orde gesteld.

Verreweg het belangrijkste is „Kerk en Humanisme” van prof. N. Kraemer (Daamen, Den Haag, zonder jaartal). Het zeer grote principiële verschil wordt hier zeer duideiyk aangegeven. Toch is het een pleidooi voor samenwerking van christenen en humanisten. Prof. Kraemer ziet als principiële taak ter fundering van deze samenwerking de denkende en uitwerking der christeiyke humaniteit, die in de bijbelse openbaring gegeven i§, in gespreid met de algemene humaniteit, om zo te komen tot een meer bijbels verantwoorde anthropologie (mensbeschouwing), die voller recht doet aan het bijbelse theocentrisme (God in het middelpunt). Het zal z.i. een grondige gezamenlijke exegese moeten worden van Micha 6 : 8, principieel en practisch: „Hij heeft u bekend gemaakt, wat goed is; en wat eist de Heer van u dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God?”

In dezelfde richting zoekt prof. H. de Vos in zijn inaugurele oratie „De christelijke idee der humaniteit” (Van Gorcum, Assen, 1947) een oplossing. Twee nog weer kleinere geschriften zijn „Christendom en Humanisme” van ds. A. C. J. V. d. Poel (Ten Have, Amsterdam, 1945), die elke samenwerking van christenen en humanisten afroept en „Christendom en Humanisme” van ds. C. B. Burger (Van Gorcum, Assen, 1945) die als oplossing propageert: humanistisch christendom, geen christelijk Humanisme. De redactie van „Wending”, het Maandblad voor Evangelie en Cultuur” (Boekencentrum, Den Haag) heeft het Juni-numimer (1947) van dit voortreffeiyke tyd-

schrift geheel aan het humanisme gewijd. Het is een boeiend nummer geworden, dat wy wel zeer aanbevelen. Wie wil weten, hoe in de kring van de Hervormde Kerk over humanisme en christendom gedacht wordt, kan hier terecht. Wij noemen enkele artikelen: prof. H. van Oyen „Humanisme en Christeiyk geloof”, prof. W. Banning „Het Humanistisch Verbond in Nederland”, dr. E. Smelik „Ishtar of Jehova” (een zeer instructief artikel over „De Poort van Ishtar” van Schmidt Degener), prof. G. v. * ■d. Leeuw „Christeiyk humanisme”. Het boeiende van dit nummer bestaat o.m. hierin, dat naast de principiële beschouwingen aandacht besteed wordt aan de mogeiykheden van samenwerking op politiek, sociaal en paedagogisch terrein (mr. dr. A. A. van Rhijn, mr. W. Verkade en prof. Ph. Kohnstamm), terwyi enkele portretten van humanisten worden getekend: Masaryk door prof. Th. J. G. Locher, Huizinga | door prof. H. A. Enno van Gelder en Albert Schweitzer door prof. G. v. d. Leeuw.

Onze cultuur stelt ons altyd opnieuw voor. de vraag naar de mogeiykheden van samenwerking. Wie op deze vraag in betrekking tot de cultuur nader wil ingaan, leze behalve dit nummer van Wending: „Balans van Nederland” (Paris, Amsterdam, 1945) eh „Nationale Cultuurtaak” (Daamen, Den Haag, 1947) van prof. G. v. d. Leeuw en „Personalistische Cultuurpolitiek” van dr. H. Brugmans (Daamen, Den Haag, 1946). Tenslotte vestigen wij de aandacht op enkele publicaties, die de verhouding van humanisme en socialisme aan de orde stellen.

Prof. H. R. Hoetink schreef voor de Ned. Volksbeweging in 1945 een opstel over „Humanisme en Socialisme”. Later schreef hij voor „De Nieuwe Stem” nog weer een essay onder dezelfde titel, dat ook afzonderlijk verscheen (Van Loghum Slaterus, Arnhem, 1946). Deze beide opstellen behoren tot het beste, dat van humanistische zijde de laatste jaren geschreven werd. Belangrijk is vooral wat prof. Hoetink over Marx en het socialisme zegt. Het optimistische humanisme van de vorige eeuw wijst hij radicaal af. Ook de volstrekte autonomie, die tot animalisme voert. Dit betekent, dat prof. Hoetink voor deze vraag komt te staan: hoe kan de humanist zinvol van „goed” spreken, als hy geen stem verneemt uit het transcendente? De mens kan geen doel van de zijn. Het humanisme moet de mens op een of andere wyze transcenderen. Prof. Hoetink erkent dus iets hogers dan de feitelijke mens. De aanvaarding van dit hogere leidt echter niet tot de gedachte van een eeuwig goed af absolute normen. Alleen in het concrete handelen en in het intuïtief oordeel wordt het zedelijk oordeel als absoluut ervaren. Door het denken is dit echter niet te vatten. Het is te hopen, dat van christeiyke zijde een antwoord op de uiteenzettingen van prof. Hoetink zal worden gegeven. J. C. Brandt Corstius schreef „De Humanist en het moderne socialisme” (Partij van de Arbeid, Amsterdam 1947), dat veel zwakker is dan „Humanisme en Socialisme” van prof. Hoetink en Jef Last publiceerde „Een Socialistische Renaissance”, (Brenghel, Amsterdam, 1945), typisch humanistisch religieus, van belang, om de gedachtenwereld van de Vlamgroep te leren kennen.

wy eindigen dit overzicht met een woord van prof. Banning: een humanisme, dat God loochent, is onmachtig, omdat het de mens niet ernstig genoeg neemt, het miskent de diepte-dimensies van de mens. J. J. BUSKES Jr.