is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 40, 05-07-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brek, bijna als een teken van technisch onvermogen!

Pijnlijk beseft men, hoe moeilijk het voor de dichter moet zijn, zijn nieuwe ervaringen van bekering, van schuldvergeving, van Gods genade en van dankbare, deemoedige levensaanvaarding uit te drukken met de middelen die hem ten dienste staan. Daar is enerzijds de vormenspraak der Christelijke overlevering, waarin „Damascus” iets betekent (om de bekering van Paulus) en „Jezus schreef in ’t zand” (vanwege de overspelige vrouw van Joh. 8); en anderzijds zijn eigen oude codetaal, die geschikt was om er „het letterslot naar haar dood mee te openen”, maar niet om er een menselijke mededeling mee te doen. Vreemde mengproducten zijn daarvan het gevolg. In „Code” wordt gesproken van „de figuratie: God te vinden met de letters g-o-d in deze volgorde, maar niet per se”.

het gedicht Mozaïek besluit met de uitspraak „Maar Hij deelt u voorgoed door 1”. Zulke dingen zijn griezelige curiosa, maar geen poëzie, ik wou dat dat nu eindelijk eens royaal werd uitgesproken. „Triniteit” vind ik om deze reden ook een mislukking, maar met de gemakkelijke vlotheid van „Pinksteren” zijn wij ook weer niet gediend. Zo blijven er tenslotte maar een paar verzen over waaruit men de nieuwe Achterberg kan aflezen, en nauwelijks een enkel dat geheel bevredigt. Heeft de dichter, in een begrijpelijk verlangen om van zijn hervonden geloof te getuigen, zich laten verleiden tot een voorbarige uitgave? Of is hij dupe van decadente bewonderaars zich niet bewust geweest hoezeer dit boekje ten achter blijft bij wat het zou m.óéten, en bij iemand van zijn gaven ook zou kunnen zijn?

M. H. V. d. ZEYDE.

Een Zwitserse stem

Professor Karl Barth heeft de geschriften die hij tussen de jaren 1938 en 1945 als even zovele stemmen liet uitgaan tot verschillende landen en in verschillende situaties, maar alle ten nauwste betrokken bij het schrikkelijk gebeuren dat nationaalsocialisme heette, thans gebundeld in een boek, getiteld „Eine Schweizer Stimme 1938 —1945”. Men kan nu rustig die stukken herlezen, die men destijds op zulk een vreemde wijze in handen kreeg en die, door zorgzame en moedige onbekende handen telkens weer opnieuw vermenigvuldigd, zeer welkom binnenvielen in de meest afgelegen streken van ons land. Een voordeel is verder, dat men alle stukken nu bij elkaar heeft en de nuances der stem kan vergelijken, zoals ze sprak tot de bezette landen, bemoedigend, troostend, uitzichtgevend, èn tot de in vrijheid strijdende volken van Engeland en Amerika, aansporend, tot verheldering der inzichten opwekkend. Zo is het boek een belangrijke bijdrage tot de bronnen, waaruit wij en die na ons komen, de kennis zullen kunnen putten omtrent dat wat toen is gebeurd. Maar dat is nog slechts de historische kant van de zaak, en dit boek werkt waarlijk nog te sterk in op ons heden dan dat men het als een zerk op het kerkhof der historie zou mogen leggen. Dat blijkt al uit de inhoud zelfr behalve de reeds genoemde stukken vindt men hierin uit de laatste oorlogsjaren en van vlak na de bevrijding andere bijdragen tot de discussie over het probleem Duitsland, en die is nu niet bepaald reeds tot een einde gekomen, misschien nauwelijks tot een eerste en al te trage begin.

Te midden van de chaos van de geest, waarin wij heden hebben te leven, te midden van het in alle cultuurvormen binnenbruisende nihilisme, te midden van de verwarrende stemmen van leidslieden allerwegen die geen leidslieden zijn temidden van dat alles begint zich, merendeels in de verborgenheid, toch zo iets te voltrekken als: bezinning op wö,t wij eigenlijk hebben doorgemaakt.

Zo gaat dat steeds. Het bekende „lm Westen nichts Neues” veri|cheen en had zijn ongekende succes tien jaren na het einde van de vorige oorlog. De uitwerking is slechts ten dele uit het boek zelf te verklaren tevoren reeds waren er niet minder goede oorlogsboeken verschenen —, maar het vond blijkbaar de geest zover

gevorderd in diens verborgen overleggingen, dat het gemakkelijk aansluiting kreeg aan dit stadium van zijn worsteling. De discussie van heden over Duitsland verraadt telkens weer, welke /stemmen men ook beluistert, dat allerlei krampen, bijgeluiden, weerstanden en misverstanden voortkomen uit dit ene: dat wij nog niet er mee klaar zijn wUt we zelf hebben beleefd. Daarom weten we de weg voor heden en morgen niet. Vandaar de kortsluitingen in de discussies, de vrees-reacties, het opbreken van vooralsnog onverteerti leed in de vorm van haat. Ik meen dat Barths bijdragen tot de strijd die achter ons ligt, ons kunnen helpen om heden verder te kunnen.

Wat was het wezen van het nationaalsocialisme? Hoe funcjiionneert sinds de laatste honderd jaar de enkeling in de staat? Welke is de plaats en de roeping der kerk in Europa en elders? Deze, en andere hier behandelde, vragen mogen een weinig abstract en theoretisch schijnen juist de vorm echter van de thans achteraf tot dit boek gehandelde bijdragen, de vorm der meest actuele en weldadige handreiking van de ene strijder aan de ander in diens ogenblikkelijke nood en verdrukking, zal voor ieder lezer het ingaan daarop gemakkelijk maken en tot een hoogst persoonlijke en practische aangelegenheid. Men leest het bijna als een roman. Het verschil is dat we er allemaal zelf bij zijn geweest. Zoals we er nög bij zijn! Want: het is nog niet afgelopen!

Een aankondiging van dit boek voor Nederiandse lezers zou op een laakbare wijze onvolledig zijn, indien zij verzuimde de naam te noemen van haar, aan wier heidhaftigheid het te danken was, dat in de oorlogsjaren enkele der voor Nederland bestemde stukken ons toen ook bereikten; ik bedoel mejuffrouw Hebeiotte Kohlbrugge, die sinds het ailereerste begin in 1940, met een naar binnen geslagen fanatisme, zoals dat alleen een mens die geheel en al heeft geschouwd wat de werkelijke situatie is en waar het heen gaat, niet aarzelde zich met lijf en leven in dienst te stellen van alles wat dienstig kon zijn om een aarzelend en onwetend volk als het onze toen was, die ene stem in het oor te brengen die hier kon wekken tot het gaan van de enig mogeiijke weg: de stem van het Evangelie.

F. R. A. HENKELS.

een stem uit friesland

Bij de verschijning van Fedde Schurers Simson (Bigot en V. Rossum, A’dam-De Tsjerne, Ljouwert) Voor de niet-Friezen, blijft de Friese beweging met haar nationalisme 4en moeilijk vraagstuk. De tijd is voorbij, dat het Friese geluid als enkel chauvinisme, als meerwaardigheidsvertoon van met een minderwaardigheidscomplex behepte lieden, werd afgedaan. Er is reeds voor de oorlog een groeiende aandacht voor het gewestelijk leven gekomen, een terugverlangen naar de culturele verscheidenheid en naar de landelijke eigenheid. De oorlog heeft deze tendenz versterkt en daarbij ook het vraagstuk van de decentralisatie op politiek en economisch gebied meer in het centrum van de aandacht gesteld. Het gevolg is geweest, dat er in het hart van het land nu een welwillende belangstelling voor de vragen van de randgewesten bestaat en dat deze randgewesten elkaar ook meer hebben gevonden. Bij sommigen ging dat zelfs zover, dat men het verlossend woord uit de meer natuurlijk levende gewesten venrachtte. Ook al is dit practisch niet aanwijsbaar, een zekere hang naar het platteland leeft hier en daar sterk. Noem het romantiek alleszins verklaarbaar na de harde realiteit van de oorlogsjaren noem het moeheidsverschijnsel wie wilde er niet graag uit? tegelijk is er de bewondering voor het simpele, onproblematische leven, voor het echte en zuivere, dat in de oorlogsjaren gebleken was. Dit. laatste vooral heeft gemaakt, dat de meer negatieve houding van voor de porlog vervangen is door een positieve. Verwachtte men vroeger niets, nu is er meer dan alleen belangstelling.

Toch kunnen wij ook steeds weer teleurstelling bespeuren. De randgewesten, ook Friesland, zeggen dan wel, dat zij zelf iets hebben, iets kunnen. Maar hoe weinig komt er uit. „Verlos ons van Den Haag”, dat klinkt wel aardig. Maar wat betekent het practisch? Leeft er ook in Friesland meer dan overigens verklaarbare ontevredenheid? En dan wijst men op de onaanzienlijke krantjes, de niet zo erg belangrijke en vaak ook nog slecht verzorgde boeken en • – ja, wat is er eigeniijk nog meer te noemen?

Verklaring, geen verdediging.

Dat de verwachting vrij hoog gespannen is, is op zichzelf verheugend. Er mag echter niet vergeten worden, dat b.v. het Friese volk slechts enkele honderdduizenden omvat en dat de Friezen heel lang door school en pers, door de Houding van het officieuze en de culturele hegemonie van „Holland” in een afhankelijke positie hebben verkeerd. Het Friese voik geloofde niet meer in eigen vermogens. Het fungeerde mee als krachtenreservoir voor de grote steden, maar dat het zelf ook iets was, durfde de massa niet te geloven. De massa kreeg ook weinig leiding bij de culturele en economische vormgeving. Zij, die iets meer vermochten, trokken immers reeds spoedig uit Friesland vandaan en zochten hun geluk elders. De economische nood dwong hen ook daartoe. Zij, die achter bleven en zich welbewust gaven aan de verheffing van het volksleven, waren weinig in aantal en stuitten op vele weerstanden. Hun idealisme was groot, maar kreeg in de strijd van het leven vaak een overspannen karakter. Zij kenden datzelfde wat in elke nationale minderheidsbeweging opvalt en de buitenstaanders beurtelings ergert en verrukt.

Wanneer de situatie zo bekeken wordt en dc billijkheid eist dit dan mogen wij constateren, dat zelfs in de tijd van voorbereiding van de positieve actie en terwijl er op vele fronten gestreden moest worden, veel is tot stand gebracht. Zelfs dat beperkte taalgebied telt enkele litteraire hoogtepmiten, waarop elk volk trots kan zijn. De dichter D. A. Tamminga heeft werk geleverd, dat, ware het in het Nederlands geschreven, allang bekioond was geworden. De vertaling van enkele toneelstukken van Shakespeare door wijlen de schoolmeester T. Holtrop, wordt terecht gepiezen. De grote novelle van N. van Houten: „De sünde fan Haitse Holwerda” geniet een grote populariteit. Maar niet alleen op litterair gebied is iets gewrocht. Een componist als Paulus Polkertsma, een schilder als Cor Reisma hebben werk van betekenis gebracht. De stelling is niet te gewaagd, dat Friesland in verhouding tot de beperktheid van het cultuurgebied reeds veel moois biedt. Laat dan het verlossende woord ook hier niet opklmken Friesland heeft die pretentie ook nimmer gehad in ieder geval is het bewijs geleverd, dat er in dit buitengewest latente krachten schuilen. De Friese beweging beschouwt het als haar taak deze mee tot ontwikkeling te brengen en zodoende het eigen volk en ook het Nederlandse geheel te dienen.

Schurers Simson.

De man, die al jaren lang daarbij mee leiding geeft, is de dichter Fedde Schurer. Op zijn naam staan o.a. enkele van de meest populaire strijdzangen, die op elke Friese samenkomst gezongen worden. Hij heeft prachtige psalm- en gezangvertalingen gegeven, die terecht boven vele „Hollandse” gesteld worden. Nu onlangs heeft hij het Friese volk verblijd met zijn toneelstuk Simson. Dit bijbels drama