is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 43, 02-08-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar nu?

Was het dom optimisme, dat wij tot het laatste ogenblik niet wilden geloven in een gewelduitbarsting op Java? Dat de soldaterij, is losgebroken, is juist het gevolg van het feit, dat én in Nederland én in Indonesië er zovelen waren, die wél in een gewelddadige oplossing van het conflict hebben geloofd. Het is als met elke zonde: wie er véél over spreekt, lokt haar aan. Wie het geweld als mogelijkheid tussen volken handhaaft, vervalt er vroeg of laat steeds toe.

Dit is een algemeene waarheid, en zij wordt thans weer bevestigd. Zij wordt bevestigd aan mensen, die de volstrekte wil hadden, ditmaal zeldzaam in de wereldgeschiedenis een conflict tussen volkeren zohder wapengeweld op te lossen. En daarom heeftProf.Logemann gelijk, als hij spreekt van een morele nederlaag. Daarom ook is het niet alleen begrijpelijk, maar ook noodzakelijk, dat er een diepe onvrede leeft in de rijen van de democratische socialisten over het besluit van de 20ste Juli.

Wie de ontwikkeling op de voet gevolgd heeft, kan niet aan de indruk ontkomen, dat het anders had gemoeten. Zeker, voor wie voornamelijk staatsrechtelijk denkt, ligt de zaak vrij eenvoudig. De Republiek, straks onderdeel van de Verenigde Staten van Indonesië, thans in feite (de facto) over Java en Sumatra gezag uitoefenend, had een verdrag met Nederland. Zijn gezag is afgeleid gezag. Want èn grondwettelijk én volkenrechtelijk werd het gezag over geheel Indonesië door Nederland uitgeoefend. In feite (de facto) functionneerde dat van de Republiek over Java en Sumatra, maar rechtens (de jure) lag het voor Nederlands verantwoordelijkheid. Dat is duidelijk voor ieder, die iets weet van staatsrecht en die in het klimaat van onze rechtsbegrippen is opgevoed. Deze figuur is echter niet duidelijk voor de gewone man, die altijd een stevige verdenking heeft tegen vreemde woorden; en zij is allerminst .duidelijk aan de vrijheidsstrijder in Indonesië, óók al hebben haar voormannen in Leiden of Batavia rechten gestudeerd.

Welnu, krachtens deze figuur kan men de Nederlandse Regering het recht niet ontzeggen op te treden, zoals zij thans doet. Let wel: krachtens deze figuur.

Maar deze figuur is wel zeer abstract. Zij is geen levende werkelijkheid noch voor de doorsnee Nederlander, nóch voor de Indonesiër. De leiding van de Indonesiërs denkt van de toestand uit, zoals deze straks zal zijn, de socialistische Nederlander heeft herinnering aan de vele, vele betogen tegen het koloniale imperialisme. En dit koloniale imperialisme heeft steeds gewerkt met gladde termen. Dat is de reden, waarom wij op zichzelf deze staatsrechtelijke rede-

nering moeilijk kunnen ontzenuwen, maar ze tóch geen doorslaggevende waarde kunnen toekennen. Wij hebben het gevoel: de reactie heeft het gewonnen; haar stoken heeft de Republiek geprikkeld; haar propageren van het geweld heeft het geweld opgeroepen. En nu moeten de mannen van de Partij van de Arbeid, draagster in Nederland van d.e wil tot progressiviteit, de kastanjes uit het vuur halen.

Wij hebben het gevoel, dat het anders had gekund. Waarom hebben wij nimmer een antwoord gehad op onze dringende eis om de huidige onderleiders door anderen te vervangen? Natuurlijk, er stak een storm van verontwaardiging in de Eerste Kamer op, toen Stufkens daarvoor pleitte. Want hij raakte toen aan een machtspositie. Maar hij had gelijk. Dat zien wij thans. En deze onderleiders, deze sprekers door de radio, deze „deskundigen”, misschien met vele jaren „Indische” ervaring, maar zónder kennis van de diepere beweegreden der leidende mannen, die waren èn zijn het gezicht van Nederland in Indonesië. Wil men een bewijs? Onze Regering spreekt consequent van Indonesië. Maar als generaal Kruis zijn woord spreekt op een bebeslissend uur, dan heeft hij het over Indië. Neen, het zit ’m niet in het woord, het zit ’m in de houding. En die houding nemen de Indonesiërs waar. Daar helpt geen de-facto-en-de-jure-redenering tegen. En verwondert men zich dan nog, dat het schieten niet ophoudt?

Wij moeten deze dingen duidelijk zeggen. Wij moeten niet alleen spreken van onze schuld in het verleden (daartoe is zelfs Gerbrandy, zij het tussen véél heldhaftig geraas door, nog wel in staat), maar ook over onze tekortkomingen, dus van onze schuld in het jongste verleden. Over het gehele land worden nu vergaderingen gehouden binnen de Partij van de Arbeid. Deze honderden vergaderingen verlopen alle gelijk: woede, teleurstelling, boze woorden. Maar dan komt er een rustige uiteenzetting van een voorzitter, die tevoren even woedend, even teleurgesteld was als de vergadering, en hij gaat de dingen uiteenzetten. Wij keimen die uiteenzetting, en wij behoeven die hier niet te herhalen. En het gevolg is meestal, dat de felle motie niet wordt aangenomen, die een zéér principieel mens heeft opgesteld, en dat men stil, tegen middernacht, naar huis gaat. Beklemd en onbevredigd. De laatste troef was steeds dat onze leiders innerlijk niet veranderd zijn, maar dat zij, die alle feiten kenden, geen andere uitweg zagen. En zouden wij hen, die ons vertrouwen genoten, soms een kwart eeuw lang, de rug toekeren? Of zouden wij eisen willen, dat zij hun posten verlieten, om het aan Gerbrandy mogelijk te maken minister-president te worden en Welter minister van koloniën?

Ziet, dat zijn dan de overwegingen, waarmee men de vergadering verlaat. Het zijn de overwegingen van de tienduizenden, die, ondanks hun onbehagelijk gevoel, tóch zich verantwoordelijk blijven voelen voor de Partij, ja zelfs voor deze Regering. Wij aanvaarden deze houding. Want een andere mogelijkheid is er niet. Gemene zaak maken met de communisten is voor ons allen uitgesloten. Op dit ene punt een beslissing nemen ten aanzien van de Partij van de Arbeid is een teken van overgroot individualisme of politiek infantilisme. Maar wij zullen met klem de vraag moeten stellen: wat nu? Enerzijds is het een gevaarlijke vorm van democratie, als men. over de beslissingen van de leiders steeds allen tezamen zijn definitief woord wil spreken; maar anderzijds is het dodelijk

voor diezelfde democratie, als men, op grond van gevestigd vertrouwen, zijn leiders carte blanche geeft. Dat geven wij niet, wanneer wij met grote ernst en aandrang vragen: hoe denkt gij uit deze ellende weg te komen? Wat ziet gij hierna? Want gij gebruikt nu wel het uiterste middel, maar nè. dit uiterste middel komt er weer een tijd. Het kan misschien formalistische zielen bevredigen, als zij horen, dat de geest van Linggadjati zal worden gehandhaafd; als de beginselen van Linggadjati onverkort blijven gelden. Maar voor Linggadjati waren twee partijen nodig. En voor één van deze twee partijen is de „geest” verstoord. Dat is een voldongen feit.

Nu zullen wij twee dingen moeten doen. In de eerste plaats steeds zeggen, dat het inderdaad fout geweest is, dat wij Nederlanders het zover hebben laten komen. De fouten van Indonesische zijde zijn voor ons géén excuus. Onze fout is geweest, dat wij de mensen en de macht niet hebben geleverd, om het geestelijk klimaat te wekken, waardoor Linggadjati mogelijk zou worden. Daar moeten wij onze regeerders niet op aanzien. Omdat wij die houding kiezen, is voor ons een negatieve oppositie onmogelijk. Ónmogelijk is het ons, tot stakingen op te wekken, protestmoties te ondersteunen, met communisten in één schuitje te gaan zitten. Want dat moge ons geweten schijnbaar ontlasten, maar het onttrekt ons niet van onze solidariteit met ons volk, dat het, in zijn geheel, zo slecht er bij heeft laten zitten. Daarom, nogmaals, zal het onze taak zijn, als waakhonden wakker te zijn, en elke verdere overschrijding van de lijn naar een vreedzame oplossing te signaleren en de diepere oorzaken van de huidige situatie bloot te leggen.

En in de tweede plaats zullen wij van onze mensen moeten vragen, wat zij zich né, de „pacificatie” voorstellen. Hebben wij de mensen gereed, de goede mensen, om het zeer moeizame werk van contact, van wekken van vertrouwen aan te pakken? Zullen wij tegen de Nederlanders, die gefaald hebben, hard zijn, of zullen wij de ontluikende democratie dadr vermoorden door het hanteren van een formele democratie, waarbij wij vasthouden aan de fictie, dat een ambtenaar geen ziel heeft /en alleen maar heeft te doen, wat zijn superieuren hem bevelen. Kortom, hebben onze Regeerders een plan klaar?

Dit alles zal op korte termijn moeten blijken. Pas op die wijze zal, althans in Nederland, een nieuw vertrouwen gevestigd worden. Want een Regering, die leeft van het vertrouwen, dat men heeft in de persoon van de leiders, ondergraaft zichzelf .

Men ziet: wij toornen niet. Wij komen niet met principes. Wij zeggen niet, dat wat nu geschiedt, tegen het christendom en het socialisme is. Wij zouden dat wel kunnen zeggen, maar dan moesten wij èn christendom èn socialisme te ver van hun huidige gestalte verwijderd houden. Wèl zeggen wij, dat zowel in het christendom als in het socialisme de krachten liggen, zowel om de verwarring van het heden te boven te komen, als om het materiaal te leveren om straks opnieuw, op een zéér moeilijk punt, en ver van het oorspronkelijke uitgangspunt, te beginnen. Het moet onze opdracht zijn nu reeds te weten te komen, waar dat punt zal zijn. En wij, democratische socialisten, zullen bij dat punt moeten beginnen. En niemand anders.

Maar laten onze leiders dat punt dan aanwijzen. En wel zeer spoedig! L. H. RUITENBERG