is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 43, 02-08-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen voor de verdeling der resterende dollars.

De andere Europese landen hebben echter tegen een dergelijke bevoorrechting in Engeland en Frankrijk stevig weerstand geboden en zijn met een opzet voor de dag gekomen, die inderdaad onbevooroordeelder onderzocht, welke dollarcredieten voor Europa als geheel allereerst nodig zijn een behoorlijke voedselbasis en vernieuwing van de apparatuur voor het winnen van steenkool en electrische energie, het produceren van staal en kunstmest en een perfect vervoersapparaat en eerst daarna wat er dan nog ook weer met het oog op het Europees belang aan bijzondere wensen der afzonderlijke staten nog overschiet. Met name de Nederlander Hirschfeld, een oude rot in economische onderhandelingen, heeft zich in deze strijd enorm geweerd en hij heeft het succes bereikt van een compromis, dat belangrijk aan zijn wensen tegemoet gekomen is, maar voor een deel ook moeilijkheden naar de technische onderhandelingen verschoof. De tweede confereiitie moge de best geslaagde sedert de Duitse capitulatie zijn geweest, haar succes was de bereidheid tot compromis bij tegenstellingen met het ontbreken daarvan.

Brits-Franse ontmoeting.

Tezelfdertijd als de conferentie van de Zestien was in Parijs een ontmoeting georganiseerd van de georganiseerde voorstanders ener Europese Federatie uit het Britse en Franse parlement. Uit Engeland was een zeer representatieve groep van 9 Labourleden, 8 conservatieven en 5 liberalen gekomen, ouderen en jongeren, Engelsen en Schotten, uit Lager en Hogerhuis, (o.a. Lord Beveridge), een bisschep, een predikant, enkele vrouwen waaronder de voortreffelijk sprekende voorzitster der Liberale Partij, een dochter van Asquith; onder de conservatieven waren uit Churchills naaste omgeving Boothby en zijn schoonzoon Duncan Sandys meege'komen, onder de Labourmensen twee der „Keep Left” groep, o.a. een vakbondsman. Van de Franse kant stond daar een gelijkwaardige groep tegenover van Ka-Kamerleden en Senatoren (tegenwoordig „Conseillers de la République” geheten). Met Franse zwier werden de Britten ontvangen, met veel recepties en enige banketten, veel speeches en toasten; maar daarnaast waren er ook werkvergaderingen, die weliswaar niet alle even druk bezocht waren, maar die zich wel kenmerkten door even interessante als openhartige inleidingen en debatten.

Zo werd door een Engels conservatief bij de besprekingen over het Duitse vraagstuk volledig het officiële standpunt losgelaten en het failliet erkend van de afzonderlijke Britse bezettingsactiviteit op het terrein van de Ruhr en de „heropvoeding”; hij bepleitte daarom een terugkeer naar de SHAEF- samenwerking van USA, Engeland en Frankrijk; diepgaand ging bij de discussie ook de Franse gezant in Berlijn van voor 1933, Fr. Poncet op het probleem-Duitsland in.

Andere zittingen waren gewijd aan inleidingen van werkgevers en werknemerszij de, waarbij een behoefte aan coördinatie van loonpeil en andere arbeidsvoorwaarden, van belastingsystemen en sociale verzekering voorop stond, maar waar verder (behalve bij de Engelse vakbeweging) een groot wantrouwen tegen het staatsapparaat bleek naast een algemene sterk sociale gezindheid; en waarbij interessante gegevens over de teruggang der communistische invloed onder de Franse arbeiders werden versterkt.

Onze zonde en de hunne

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben Ruitenberg, twee Gereformeerde predikanten en ondergetekende kort geleden in een der bewaringskampen een open en langdurig gesprek gehad met een viertal voormalige N.5.8.-leiders, die mede de Schuldbelijdenis en Verklaring hebben ondertekend. Wij twijfelen niet aan de zuiverheid van dit alles. Daartoe waren de berichten, die ons inmiddels al hadden bereikt uit de kring van hen, die de besprekingen met deze groep hadden gevoerd, te duidelijk en te overtuigend. Wij gingen dus niet om te zien of te horen of het allemaal wel zo „goed” was als ons was meegedeeld. Vooreerst niet, omdat wij daartoe geen enkel recht zouden hebben, want wie heeft ons als rechters aangesteld over mede-zondaren? Vervolgens niet, omdat wij de schulderkenning reeds kenden en wij wisten, dat wij daartegenover slechts de afstand dienden te nemen, die een mens tegenover elk waarachtig schulbelijden past.

Toen is in het betrokken kamp eerst nog eens de achtergrond van het tot stand komen der betreffende documenten was meegedeeld de Gereformeerde predikanten kenden die nog niet in die mate als wij en zij hadden ook van de inhoud der stukken nog geen nota kunnen nemen viel er in ons gezelschap een stilte, tenslotte verbroken door Dr. P. Prins en aangevuld later door Dr. N. J. Hommes, die beiden zeiden: hiervan zijn wij ten diepste onder de indruk. En dat niet alleen: dit ontroert ons in hoge mate. En behalve dat: het vervult ons met een diepe vreugd, dat mensen teruggekomen zijn uit hun verblinding, omdat de Heilige Geest hun inzicht, mond en wijsheid heeft gegeven. Wij zwijgen hier, hebben hierover niets te zeg-

Voor de niet tot beide landen behorende waarnemers uit het bestuur der Unie van Europese Federalisten, was het het af en toe opvallend, dat ook op deze niet-regerings-bijeenkomsten met name bij de conservatieve Fransen en Britten de neiging was waar te nemen, om maar alles voor de andere West- en Zuid-Europese landen te bedisselen; zo als de SHAEFsamenwerking voor het Ruhrgebied ook reeds de directe belangen van Nederland en België bij dit economisch centrum! zou miskennen.

Of het samenvallen van beide conferenties in deze wel geheel toeval was? Het speelde in ieder geval wel in de kaart van een dergelijke neiging, zoals de publicatie van een Frans Churchill-comité onder presidium van Herriot de conservatieven in beide kampen in de kaart speelde.

Het is te hopen; dat een spoedige vorming van gelijksoortige federalistische groepen in de parlementen van Nederland en België de gelegenheid zal bieden, het „ongelijk der afweringen” om te zetten in een even goed georganiseerde ontvangst in de Lage Landen. W. VERKADE,

gen dan alleen, dat wij nu de mogelijkheid zien om de verderfelijke kloof, die in ons volk de politieke delinquenten scheidt van de rest, te verkleinen en te overbruggen. Daarna begon ons gesprek met de betrokkenen. Het is gevoerd binnen de muren van een kamer in het kamp. In alle vrijheid, want er was niemand bij van toezicht of bewaking. leder kon zeggen, wat hij op het hart had. En dat is dan ook gebeurd. Er is gezegd, dat wij niet begrepen hebben, hoe het mogelijk is geweest, dat alle woorden der Kerk, in de oorlogsjaren gesproken ter Waarschuwing en vermaan, de N.5.8.- ers niet hebben bereikt, zo dat reeds toen hun oog en oor geopend moest worden voor het fatale, het anti-godsdienstige en anti-christelijke van de ideologie, die zij steunden. Wij wisten reeds lang vóór de oorlog van concentratiekampen en Jodenvervolging. Zij niet? Waren zij zó verblind, bezeten, gevangen in hun overtuiging. Moet daórop die geslotenheid aan dié kant geschreven worden? Eén onzer bracht dit duidelijk naar voren als zonde, als ongehoorzaamheid aan Bijbel en gebod. „Dat is liw zonde geweest”. Maar, er werd onmiddellijk aan toegevoegd, dat ook ónze zonde er is. En dat, al heeft de Kerk in het algemeen dan hierin niet gefaald, ons leven, ook als mensen-van-de-Kerk, verzondigd is en dat het Gods zaak is, of het ongeloof in Hem aan onze kant en op andere punten, ernstiger is dan dat van de N.5.8.-ers. Wij derven immers allen de heerlijkheid Gods?

Zo stonden wij daar naóst elkaar. Zo ook dienden wij elkaar de hand te geven. En als één dezer mensen zegt: wij wisten niet, dat wij de ene duivel uitbanden of althans meenden zulks te doen, terwijl achter onze rug ook door onze schuld zeven andere werden binnengehaald, erger misschien wel dan de eerste; als dit gezegd wordt zonder enige ophef en uit het klaarblijkelijk diep besef van schuld, dan alweer kon het niet anders of wij moesten wel weten, dat hier mensen tegenover ons zaten, die door de zwartste schaduwen zijn heengegaan om met zichzelf in het reine te komen. Tegenover God en mensen, land en volk, alvorens het licht van Hém weer in deze levens zichtbaar kon gaan schijnen. Nu dat zo was, moésten zij het zeggen. Zonder de bevrijding daarvan konden en kunnen zij niet verder leven. En dat zij het aan ons volk wilden zeggen via de Kerken, kan een verder bewijs zijn voor het feit, dat de prediking der Kerk, in de geestelijke verzorging van het kamp tot hen gekomen, met een eigen en nieuw geluid is gaan spreken.

Onze zonde en de hunne. Wij hebben het er eerlijk en klaar over gehad, dat aan onze kant óók een sluiten der ogen is geweest. Maar dan vooral nè, de bevrijding. Toen onder de eerste bewakingen, dikwerf samengesteld uit lieden, die alleen marar een ander pak aan hadden, doch overigens weinig of niet verschilden van hen, die in de oorlog mensen martelden en vernederden, doodden en voorgoed beschadigden naar ziel en lichaam, in ónze kampen dingen zijn geschied, waarvoor de uitdrukking dat zij het daglicht niet kunnen verdragen, veel te slap en te vergoelijkend is. Het is ónze zonde, dat niet met klem daartegen is geprotesteerd; dat de Kerken niet onmiddellijk, op welke wijze dan ook, hebben ingegrepen. Zoals het alweer onze zonde is, dat wij met elkaar tolereren, dat de practijk van de bijzondere rechtsspraak op menig punt allesbehalve het recht geeft te spreken van het herstel van de rechtsstaat. Nochtans... deze mensen zijn gaan zien, dat alleen de waarde van een beleefd