is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 43, 02-08-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

christendom hen uit het moeras hunner verdwazing jj;an redden. Aan ons nu het woord om te zorgen, dat hun pogen in hun belijden, niet verstuift, „omdat we er toch niets van geloven”. Behalve dat zulks een nieuwe schuld zou. zijn, verhindert het wat deze ondertekenaars óók bedoelen: dat de weg naar een geordend en begrijpend maatschappelijk verkeer, over en weer, ook daarmede voor een deel zal kunnen worden gebaand.

Op de Zondag, dat de Boodschap werd afgekondigd zei de predikant bij wie ik kerkte : het is goed, dat dit gedaan wordt. Maar het is twee jaar te laat. Niet de belijdenis van schuld komt twee jaar te laat. Het moment ddarvoor wordt door mensen niet bepaald en men kan het, ook als Kerken, psychologisch niet kiezen. Maar wel komt er een te laat woord, wanneer wij nu reeds lang weten hoe behandeling en mishandeling onzerzijds, en wat dan berechting heet, niet het woord der Kerk hebben opgeroepen en misschien éérder velen achter het prikkeldraad had doen verstaan, dat daarbuiten niet geleefd wordt in haat en wrok. Haat een wrok, die naar weerskanten vergroot wordt en gekoesterd blijft, als de krant de zittingen der tribunalen verslaat, zoals zij doet menigmaal. Als heel het volk, mogelijk onbewust, maar daarom niet minder effectief, wordt opgezet tegen het deel, dat inderdaad zich buiten de volksgemeenschap heeft geplaatst, wanneer b.v. manoeuvres op de Veluwe worden beschreven in een strijd tegen een imaginaire „zwarte bende S.S.-ers”. Als in die toon wordt voortgegaan, dan moet God een tweede wonder doen en ondanks dit toch deze schulderkenning de mogelijkheid geven, die zij biedt. En waarom zou God dat niet doen, nu Hij het gedaan heeft in het wonder van de omkering dezer mensen? Waarom zal God niet telkens dat wonder doen, als wij allen, delinquenten in optima forma. Zijn Geest van node hebben om tot het inzicht te komen van onze schuld?

N. G. J. V. SCHOUWENBURG.

Indonesië

en de dieren van Colijn

Hanen, vliegen, mieren

1907 ets van Kathe Kollwitz.

slagveld.

Het beeld Dit is het verrassende van een beeld: het wezen van de werkelijkheid vangen we er sneller en vaak juister in, dan in een betoog. Wij zien iets en dat doet dikwijls meer dan dat we alleen maar iets horen.

Zo gaat het ook met de vragen rond Indonesië. Ik kan dikke boeken lezen over de geest, die velen in de jaren vóór 1940 in Indonesië bezielde Maar in één raak en scherp beeld kan mij die hele geest en daarmee ook die hele werkelijkheid! benauwend-duidelijk dichtbij komen.

Dit laatste bemerkte ik bij het lezen van het boek van H. Colijn „Koloniale vraagstukken van heden en morgen”, in 1928 verschenen. Dit boek is tot op dit ogenblik toe nog actueel. „Trouw” leeft uit dezelfde geest. En vele Nederlanders, liberalen en christelijken (a.r.- en c.h.-stemmers) ademen in deze Colijnse sfeer, als het gaat over Indonesië. Daarom is het van belang, dit boek te herlezen, ongeveer 20 jaren na de verschijning.

Mij zijn drie beelden bij-gebleven merkwaardigerwijze stammen ze alle uit het dierenrijk: ’t gaat over hanen, vliegen en mieren.

Scherper dan in een lang betoog wordt in deze beelden het wezen van de koloniale werkelijkheid uitgedrukt. En vergeten we niet: als door deze beelden inderdaad het officiële verleden van veel (ik zeg niet: van alle, maar wel: van veel) Nederlands bestuur en beheer wordt getypeerd dan is het geen wonder, dat op dat verleden dit heden moest volgen.

De hanen

Colijn spreekt op blz. 32 over wat hij noemt „de inlandse beweging”. Bedoeld is de nationalistische beweging in Indonesië, die, naar wezen en bedoeling, ais een eis van recht en billijkheid op ons toetreedt. Colijn hoopt, „dat de Indische regering ook in de toekomst tegenover de revoiutionnair gezinde elementen een vastberaden houding blijft aannemen en zij zich door de luidruchtigheid van hanen, die menen, dat zij door hun gekraai de zonsopgang veroorzaken, niet van de wijs iaat brengen”.

Ja, zó werd in ’2B door zeer, zeer velen in Indonesië èn in Nederland, geoordeeld over de nationalistische beweging. Zó werd gespot met hen, die de opheffing van de koloniale overheersing als punt één op hun programma hadden, omdat door deze koloniale overheersing het volk in zijn ontwikkeling op allerlei wijze wordt geremd. Hanen, die kraaien! Dadrom deelde minister Welter in 1938, naar aanleiding van de petitie Soetardjo mee, dat hij het tijdstip voor verdere staatkundige hervormingen nog niet gekomen achtte.

En daarom schrijven Trouw en Eisevier, zoals ze schrijven.

De vliegen

Even later, op blz. 53, komen de vliegen. Sprekend over „de invloed van de destructieve nationalisten [andere schijnt Colijn niet te kennen I ] in de Volksraad, komt hij tot de conclusie, dat „een paar agitatoren van de richting, die door P.N.I. (is Perserikantan Nasional Indonesia) en P.S.I. (is: Partij Sarekat Islam) wordt voorgestaan, in de Volksraad zijn als de vliegen, die de zalf des apothekers bederven.”

Ook dit beeld tekent de houding van tallozen ten opzichte van het Indonesische nationalisme scherper dan een uitvoerig en diepzinnig betoog.

Bederf-brengende vliegen! En die sla je dood: Natuurlijk wat zou je er anders mee?

En daarom schrijft „Trouw” (16-7-’47) ronduit over de gebeurtenissen op Celebes: „de harde klappen waren noodzakelijk”. De „situatie was onhoudbaar door terreur van extremistische benden” (dat zijn de „destructieve nationalisten” uit 1928). „Trouw” noemt een aantal van 600 slachtoffers. Maar het kunnen er ook wel 3000 zijn. Wat doet het er toe? De „zalf” moet worden gered de bederf-brengende ■ vliegen moeten dood.,

De mieren

In het hoofdstuk „Financiële en oeconomische opmerkingen” komt Colijn tot de conclusie (blz. 124): „Indië wordt het meest gebaat, wanneer niet alleen Nederlanders, maar ook anderen het blijven beschouwen zoals mieren de suikerpot doen.” Het beeld is even eerlijk als verbluffend. Moeten wij er ons over verwonderen, dat de Republiek vol wantrouwen staat tegenover ons, die in politieke aangelegenheden over de Indonesiërs als hanen en vliegen spreken, en die in oeconomische zaken onszelf als mieren durven typeren? En moeten we niet met een enorm wantrouwen staan tegenover alle opmerkingen, die „het belang van de Indonesiërs” zo sterk accentueren en die door volgelingen van het Colijnse systeem worden geuit? Vergeet de dieren van Colijn niet, ais ge met anderen over de Indonesische

quaestie praat.

Hanen, vliegen, mieren.

Neen, het is heus geen wonder, dat we

zó in moeilijkheden zijn geraakt.

KR. STRIJD