is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 44, 09-08-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 9 AUGUSTUS 1947 No* 44

Aan den Heer behoort de aarde I en haar volheid. Psalm 24:1 I

Tijd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

ONDER REDACTIE VAN Prof. Dr. W. BANNING; Ds. J. J. BUSKES Jr. EN Ds. L. H. RUITENBERG. SECRETARIS DER REDACTIE: J. G. BOMHOFF, ROERSTRAAT 48111, AMSTERDAM (Z.), T-EL. 24386

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 45ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR ƒB.OO, HALFJAAR f 4.25, KWARTAAL f 2.30 PLUS ƒ0.15 INCASSO. LOSSE NUMMERS f 0.15 POSTGIRO 21876 GEMEENTE GIRO V 4500 ADMINISTRATIE: N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

Vacantie

Ik weet niet meer, wie boosaardig sprak over Indonesië. Was het In een scheersalon of op een trambalcon? In léder geval, het ging over de vraag, of de arbeiders zouden gaan staken wanneer de troepen zouden gaan marcheren. Toen viel de opmerking: wel neen, de arbeiders zullen niet staken, want het Is vlak vóór de vacantie. Bij staking krijgen ze hun vacantlegeld niet.

Ik wist niet, of Ik het als grap of als blijk van groot cynisme moest beschouwen. In leder geval: niemand ging erop In en de gesprekken golfden verder. Zoals ze van dag tot dag verder kabbelden In die gelegenheden, waar mensen praten, zonder zich bloot te geven.

Nu Is het niet mijn plan over deze vraag een discussie te ontlokken. De hemel beware mij voor brieven! Ik weet, dat het niet juist Is. Ik weet, dat er diepe verontrusting Is onder de arbeiders, en onder hen niet alleen. Ik weet, dat deze zich ontladen zou, wanneer de spanningen zouden stijgen boven het hete punt, waarop zij nu reeds verkeren, óók na het bevel van het staken van het vuren.

Deze zin over de hoge waardering der vacantie Is mij juist nu, nu wij allen omspoeld worden door vacantie, weer voor de geest gekomen, en Ik vraag mij wel af: wat Is dat toch met die vacantie?

Dan bedenken wij allereerst, dat het houden van vacantie een zegen Is van de moderne, tijd. Let wel: een zegen. Men js het er nu algemeen over eens, dat vacantie volstrekt noodzakelijk Is, en eisen haar zowel als wij nuchter zijn en van de mens vragen, dat hij zijn gehele arbeidskracht, d.w.z. zijn ziel op zijn werk gooit, en dus moet uitrusten, en als wij dieper boren en uit eerbeld voor de mens hem een pauze gunnen, een tijd, waarin hij afstand neemt van zijn dagelijks gedoe, zijn sleur, zijn tucht. In belde gevallen, zowel soclaal-economlsch als zedelijk moet vacantie hóóg gewaardeerd worden. In het eerste geval brengt het zijn geld op, In het tweede geval morele, geestelijke kracht. Dus: vacantie.

Toch Is er een vraag, die mij hindert. Ik durf dat pas te zeggen, nadat Ik het vorige heb neergeschreven.

Deze vraag: Is het wel helemaal In orde met de vacantie?

Laten wij opletten, wat er bij tienduizenden vacantiegangers, dus bij ons, gebeurt. Wij laten ons leiden van plaats tot plaats.

Wij vullen treinen en logeergelegenheden van allerlei rang en stand. Wij bevolken de wegen met zwetende fietsers en auto’s, die langszoemen als grote kinderwagens. Er is slechts één ding, dat fascineert, n.l. het andere. Van bos trekken wij naar zee, van het vlakke land naar de bergen. De man achter het loket tikt acht dagen tegen zijn glas om de ober te roepen, en de huisvrouw laat een ander haar bed opmaken. De vacantie keert de rollen om, schept een sfeer van gelijkheid en misschien neemt deze of gene zijn vacantie te baat om een weinig wraak te nemen op de levensomstandigheden, die hij slecht verdraagt. De vacantie waarvan wij gezegd hebben, dat zij een eerlijke en begerenswaardige zaak Is! Is een modern verschijnsel, dat het geheel van ons arbeidsproces raakt. De vacantie raakt onze levenspositie, ja meer, onze arbeidsethos. Eenvoudiger gezegd: de vacantie roept de vraag op, of onze arbeid zin heeft. Toont onze vacantie juist niet, hoe er een doem van driftig handelen over onze ganse samenleving ligt; een doem, die wij allen van tijd tot tijd moeten ontvluchten, willen wij het uit kunnen houden?

Er moet gearbeid worden. De ministers zeggen het en de domlné’s zeggen het ook. Wij glimlachen om de Neapolltaan, aan wie, ’s middags om twee uur, gevraagd werd, of hij een koffer wilde dragen. Maaibij weigerde, want hij had die morgen al zoveel verdiend, dat hij voor die dag genoeg eten kon kopen. En wij horen nog wel eens „deskundigen” uit Indonesië zeggen, dat de Inlander zo lui Is. Dat zijn de lieden, die hem hebben willen op voeden tot onze westerse arbeldsopvattlngen en de genietingen daarvan: een flets, een radio, misschien wel een auto. Wij, In het Westen hebben het vér gebracht met onze arbeid. Het Oosten Is er door aan het werken gegaan en In Rusland werken ze nu ook In ons tempo. En, natuurlijk, ook In Rusland zijn thans de vacantles wettelljk geregeld. Maar Is dat loswoelen der arbeidskracht zonder meer nu waarlijk een zegen?

Wie kan eigenlijk, als hij de vacantie tegen deze achtergronden ziet, nog met smaak vacantie houden? Als men ziet, dat de vacantie een uitvloeisel Is van ons moderne leven het leven van voortbrengen, behoeften scheppen, macht ontwikkelen dan vraagt men, of er niet een crltlsche toon op zijn plaats Is. Neen, niet alleen tegen de platvloerse wijze van vacantle-

houden. Die critiek komt meestal van hooghartigen, van cultureel goed-gesltueerden, die daarin hun meerderwaardigheid willen uitstralen. Die crltlek Is te ondervangen door met grote energie de vormen van het vacantlehouden te verbeteren. Op dat puiil 10, ei’ waailljk vooruitgang, niet In het minst door de culturele werkzaamheid der arbeidersbeweging. De crltlsche toon moet onszelf vermaken. Moet ons dieper doen zien, dat onze houding tegenover het leven en zijn voortbrengselen noodzakelijk Is. Moet ons doen beseffen, dat de vacantie pas geen probleem meer Is, als het aardrijk en zijn mensdom veranderd zijn.

Daardoor lelden onze gedachten naar wat het geloof over deze dingen te zeggen heeft. Merkwaardig, de Bijbel, voeder van ons geloof, heeft het nimmer over ónze vacantie. Natuurlijk niét, want de arbeid, In onze vorm, bestond toen niet. Maar de Bijbel spreekt ons wél over vacantie In een andere zin. En wel In drie opzichten.

In de eerste plaats staat daar het woord over het gedenken van de sabbat. Onze wereld Is zo dorstig naar vacantie, omdat hij de sabbat Is vergeten. Want sabbat betekent, dat de mens zijn werk heeft stil te leggen, niet om weer op adem te komen, maar om te gedenken, dat niet hij, maar God de schepper Is. De voortbrenger. Sabbat Is de rem op de menselijke werkdrift. Sabbat leert, dat alle arbeid voorlopig Is; dat alle arbeid Ingebed Is tussen aanbidding en aanbidding. Maar wie weet nog, dat ook wij moderne mensen leven van vacantie tot vacantie, d.w.z. van sabbat tot sabbat.

In de tweede plaats weten wij uit de Bijbel van het terugtrekken In de eenzaamheid. De profeten deden het: Van Jezus wordt het verteld. Van de groten uit de kerkgeschiedenis weten wij het. Terwijl onze vacantie juist Is het zoeken van elkaar om te zien en gezien te worden, was die vacantie het zoeken van de Ander. Terwijl onze vacantie het complement Is van de moderne arbeldsactlvltelt, Is die „vacantie” de meest wezenlijke crltlek op onze vacantie. Het Is daarom ook niet voor niets, dat thans ook In Nederland bewegingen gaande zijn, die vorm willen geven aan het verlangen naar Retraite, d.w.z. naar de ware rust-ln-onrust, naar de stllte-voor-het-gesprek.

In de derde plaats spreekt de Bijbel In zijn laatste boek over de Grote Vacantie, als er geen nacht meer zal zijn en niemand meer dicht van een lamp of licht der zon van node heeft, want de Here God zal het Licht zijn en die voor zijn troon staan zullen konlngen zijn tot In alle eeuwigheid (Op. 22).

Zlet, die Vacantie Is niet de noodzake-