is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 45, 16-08-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een' mislukte bijeenkomst

Zaterdag 2 Aug. kwam de P. C. Werkgemeenschap bijeen om te beraadslagen over de Indonesische kwestie. Ondanks de overstelpende vacantiedrukte op de treinen en ondanks dat ik ’s Zondags tweemaal preken-moest, ben ik er uit mijn Friese achteraf dorpje heengegaan.

Laat ik maar direct zeggen, dat het eA gróte teleursteliing geworden is. En niet alleen voor mij. Hier had de P.C.W. nu eens kunnen tonen, wat zij is. Hier was een zeer brandend probleem, waarbij de diepste zpdelijke vragen betrokken zijn. Hier had zij nu eens kunnen gaan functionneren als een orgaan voor christelijk-politieke bezinning. Hier had zij kunnen tonen dat zij meer is dan alleen maar een kamertje in de P.v.d.A., anders geschilderd en behangen dan de andere kamers; waarin men als „gelijkgezinden” bij elkaar is, maar precies denkt en handelt als in de andere kamers. Daarvan is niets gebleken. Van een waarlijk christeiijke bezinning is geen sprake geweest.

Overigens was de opzet niet kwaad. Als ik het goed begrepen heb, dan was het deze, dat men eerst de feiteiijke situatie van het Indonesische probleem aan de orde zou stellen en dan tegen die achtergrond de principiële vragen, die er rondom oprijzen. Van dat laatste is niets terecht gekomen. De eigenlijke diepere achtergrondsvragien zijn ter nauwernood even aangetipt; tenzij aan het eind even door Stufkens.

Dat prof. Logemann uitnemend gedaan heeft, wat van hem gevraagd was, behoeft geen betoog. Misschien was het een tikje te eenzijdig. Toch was het wezenlijk niet anders, dan wat ik in Leeuwarden op een kadervergadering van Joekes gehoord had, en wat ik elke dag in het V.V. kan lezen: een apologie van de beslissing van regering en partij.

Toch zat er in de hele opzet van deze bijeenkomst reeds een principiële fout. Men zal mij eerst duidelijk moeten maken, datde regering'zich door heel haar Indonesische politiek niet in deze dwangpositie gebracht of zich heeft iaten brengen. Men zal mij verder duidelijk moeten maken, dat zij zich aan het gevoel van een vuist die haar tegen de keel gezet was, zoals prof. Logemann het voorstelde, niet had kunnen onttrekken door één, desnoods twee, desnoods drie stappen terug te doen. Men zal mij in de derde plaats vooral moeten duidelijk maken, dat het verkeren in zulk een onhoudbare positie voldoende grond is om nu maar het militair geweld te laten losbarsten. ,

Ik weiger eenvoudig het christelijke te gebruiken om het feitelijk bestand van de dingen te rechtvaardigen. Omdat de regering op 20 Juii, uitgaande van haar posities en van haar veronderstellingen in dit

conflict niet anders kon, daarom zouden wij, christenen, nu maar moeten zeggen,dat ze goed gedaan heeft. Dat is eenvoudig de doodsteek geven aan elke waarachtige christelijke en critische bezinning in deze zaak!

Men wil hardnekkig, ten koste van aiies aantonen, dat de regering niet anders kon. Elk betoog is epn apologie van de houding van regering en partij. Wat men echter niet wil, dat is de vraag onder ogen zien of in dit conflict, naar de aard en het wezen van de partijen die tegenover elkaar staan, militair geweld überhaupt te rechtvaardigen is.

Men gaat er eenvoudig, zonder nadere christelijke, critische en bijbelse bezinning toe over, alleen in rekening brengende de poiitieke, menselijke en psychologische noodzakelijkheden, die er toe dreven om een als onhoudbaar gevoelde positie met militair geweld op te heffen. Dat kan ik in de partij begrijpen. Dat kan ik in de P.C.W. niet begrijpen. Ik wil ook als christen in de politiek zakelijk zijn. Ik wil echter niet in, de politiek aan de ZAAK voorbijgaan. Ik wil eenvoudig dit gebruik van geweld in dit confiict, tussen deze partijen en tegen de achtergrond van de eeuwenoude geschiedenis, waaruit dit conflict resulteert, gerechtvaardigd zien van uit een christelijk bijbels, critische bezinning. Men vergeet eenvoudig dat een handeling nog niet rechtvaardig is, omdat ze begrijpelijk, politiek noodzakelijk en in een noodsituatie onvermijdeiijk was. Ik kan de beslissing der regering volkomen verstaan. Ik kan er in komen. Men zit in het nauw; de zaak wordt door de andere' partij getraineerd. Het wordt een „tawarren”, loven en bieden. Je hebt het gevoel: die anderen draaien er omheen, ze houden je aan het iijntje. Het duurt maar en düürt maar en ondertussen heb je het gevoei van iemand, die met zijn rug tegen de muur staat en de van de tegenstander onder je kin. Dat is waarachtig niet leuk! Je stikt bijna. Je wii lucht hebben. Je kan het niet langer verdragen. Waarachtig. Je hebt hier en nu toch je verantwoordelijkheid. Je kunt je mensen, die zich aan je vastgekiampt hebben, toch niet loslaten? Je meent in waarachtig goede trouw en eerlijkheid, dat de zaak nu toch zo klaar is als de dag. Het is toch alles goed afgesproken en overeengekomen. De weg die gegaan moet worden is toch duidelijk. De andere heeft dat toch erkend. Er is toch in voile vrijheid, na ernstige besprekingen een basis-óvereenkomsf tot stand gekomen. En toch heb je het gevoel, dat er ergens iets is, waar je niet tegen op kunt. Je hebt gemeend de andere toch als eerlijke mensen ontdekt te hebben. Toch kom je tot de ontdekking, dat ze de moed niet gehad hebben die gesioten overeenkomst aan hun eigen mensen in al haar

consequenties duidelijk te maken. Je twijfelt aan hun moed, hun inzicht, hun vermogen en hun goede trouw. Je krijgt het gevoel, dat je bij de neus genomen wordt en dat is voor je prestige waarachtig niet prettig. Je stelt regelingen voor en ze zeggen „ja” maar doen alsof ze „neen” gezegd hebben.

Dat je dan razend wordt begrijp ik. En ook, dat je dan op een ogenblik er geen gat meer in ziet en dan er maar op los slaat. Juist omdat ik dit,zo uitnemend kan begrijpen, is het zo dringend nodig om dé vraag te stellen: Hebben we ons van meetaf niet veel te enghartig gesteld in onze positie en veel te weinig rekening gehouden met de positie waarvan de andere partij uitging. M.a.w. zijn we niet veel te enghartig blijven staan op het standpunt van onze ongerepte souvereiniteitsrechten en van de grondwetteiijk bestaande, maar in werkelijkheid fictieve eenheid van Nederland en Indonesië, terwijl we feitelijk geen rekening gehouden hebben, dat de andere partij uitging van het feit, dat zij een revolution- ' naire daad gesteld had?

En dan is er nog iets. Is in de beslissing om geweid te gebruiken wel verdisconteerd het eigenaardige verschil in mentaiiteit tussen de beide partijen, dat „vreemde”, dat in allerlei aspecten felkens weer tefugkeert en waardoor wij allicht geneigd zijn bij de anderen gebrek aan goede trouw, onbekwaamheid, onwii, halfsiachtigheid, gebrek aan moed e.d. kwaliteiten te veronderstelien. Je staat als westerling zo stevig geheid in j'e poiitieke en mercantiële moraal. Bij hen ontbreekt dat. Je bent doorwinterd in alle vormen jen knepen van het parlementaire en diplomatieke debat. Zij zijn er nauwelijks aan toe. Je hebt je codices van eerlijkheid, behoorlijkheid enz. ook in het politiek verkeer. Diq zijn oud en welbevestigd. Zij beginnen er pas het ABC van te leren. Je hebt met je ingeboren aanleg om de dingen abstract, logisch schematisch, constructief, ik zou bijna zeggen technisch te denken, zeer duidelijke voorstellingen van de weg die afgelegd moet worden. Hij staat toch zo duidelijk uitgestippeld in „Linggadjati”! In de regeringsverklaring is hij nog concreter uitgewerkt. De anderen echter, meer comtemplatief dan wij, minder uit eigen aard geneigd tot schematisch, abstract, technisch en constructief denken, zien ook wel iets van die weg, maar toch niet met die duidelijkheid als wij. Het ligt hun ook veel minder om de punten van de basisovereenkomst tot een geheel van klare lijnen, in abstracte voorstellingen uit te werken, en zij schijnen daarom ook minder geneigd tot consequente realisering van wat ze even gezién hebben. Werkelijk, dat alles in aanmerking genorhen, kan ik de besiissing van 20 Juli volkomen begrijpen.

Maar juist daarom vraag ik: hoe komt het dan dat ik door alle apologie van Logemann, van Joekes, van H.V.V. en van wie ook nog nietf overtuigd ben? Ben ik dan zo eigengereid, zo dom, zo kortzichtig, dat ik niet overtuigd wii worden? Waarom behoor ik toch tot die lieden, van wie prof. Logemann ietwat kieinerend sprak, dat hij tegenover hen*geen argumenten meer had?

Omdat de dingen wezenlijk op een totaal ander vlak liggen, dan waarop ze ook in de P.C.W. besproken zijn. Een vlak dat ik dan nu maar zai aanduiden als „het geweten”. Wat er in de P.C.W.-bijeenkomst had moeten gebeuren dat men zich er rekenschap van had moeten geven, wat bijbels-christelijk en critisch bezonnen het wezen van het militair geweld is, om dan pas te vragen, of het in dit conflict, tussen deze partijen en tegen deze achtergronden van dit con-