is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 46, 23-08-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fivckíefiâosfí"

Ik ben bevorderd tot tijdelijk archivaris. Enige dagen geleden werd mij opgedragen, bepaalde formulieren, die gesorteerd waren, in pakken van vijfhonderd te binden, in de stellingen te planten, (op zolder), en ze te voorzien van toepasselijke onderschriften. Ik pruttelde tegen, eiste een stofjas, salarisherziening, en verdween.

Ik ben arbeidscontractant, en dit is niet de eerste keer, dat ik verhuizerswerk doe. Ik verdween met de stellige bedoeling, het „ze” betaald te zetten. Daar kwam niet veel van. Of het nu komt, dat men er op rekent, dat bij zulke karweitjes de „lijn getrokken” wordt, of dat men het bestaan van ’n archief en personeel aldaar veelvuldig' pleegt te vergeten, is me niet duidelijk geworden. Het laatste lijkt me, in verband met het feit, dat arbeidscontractanten altijd „vergeten” worden, het meest waarschijnlijk.

Ik werd zo weinig gestoord, dat elke prikkel om wat geks uit te voeren, verdween, bij gebrek aan toeschouwers.

Een feit is ook, dat ik mij niet wilde vervelen, een hekel heb aan lijntrekkerij, en dus, zij het ook langzaam, aan het werk ging. Bovendien vind ik dit gedoe/kinderachtig. Daarom nam ik niet, zoals ik sommige anderen wel heb zien doen, een boek mee(!), maar wel heb ik op de tafel dit papier gelegd, om m’n ervaringen op te schrijven. De tafel staat onder een van de weinige raampjés, die er hier zijn.

Soms ga ik op de tafel staan, en kijk uit het raam: het is een vreemd gezicht, want ons gebouw is hoog.

Ik vermoed dat ik, als ik jonger was, dadelijk fantaseren zou, dat ik in ’n vliegtuig zat. Nu bedenk ik, dat de tijd van spelen al een paar jaar achter me ligt, en dat ik met m’n fantasieën van de tafel zou kunnen vallen, door ’n duistere gang tussen de stellingen, totdat ik mezelf zou terugvinden op de grond, tussen stof en spinnewebben. Ik spring eraf, de tafel wankelt toch nog, en uit de inktpot vliegt een druppel op het papier.

Ik ben in het bezit van enkele kilometers touw, en een mes. Ik zal eerst de rommel opbergen, en dan eens vertellen wat ik van dat mes denk. Ik word moe en zal eens uitrusten.

Ik kijk zo eens rond, en ontdek dat er op de hele zolder geen enkel heel meubelstuk valt te bekennen. De stoel waarop ik zit, heeft een doorzakkende leuning. Daarom is-ie weggedaan door de adjunct-commies, die er vroeger op gezeten heeft. Hoe ik weet, dat het een adjunct-commies was? Ik zie het aan het kussen, en de stoffering van de rug. Een schrijver Ie klas moet op hout zitten, een adjunct-commies op een kussen. In de hogere rangen zoekt men het in een technische verfijning: ’n Commies heeft een draaistoel, en de directeur-generaal een auto. Meent u, dat ik zo maar wat vertel?

Het hierboven beschreven aardigheidje is waarheid, ik heb zelf lang genoeg op de houten 2e klasse-stoel gezeten, om met de finesses van het departementale meubilair en deszelfs eigenaardigheden op de hoogte te zijn. Ik heb zelfs een jaar gewerkt aan een houten tafel op schragen, die erg splinterde.

Het botte mes is achtergelaten door m’n voorganger, die het ook hier gevonden heeft. Het is een tafelmes geweest, het heft is voor de helft verdwenen, en de vrijkomende metalen pen schuurt langs je handen, als je ermee snijdt.

Eens‘heeft dit mes de tafel gesierd van een ambtenaar in vaste dienst, het werd gebruikt om het vlees te snijden, als dat er was. Want een vast ambtenaar eet weinig vlees, daarvoor is z’n salaris te klein. Zo was in ieder geval de toestand voor de oorlog. Nu is het wel een beetje veranderd, maar veel is het nog niet.

De vaste ambtenaar heeft er misschien mee getikt op de vingers van z’n zoontje, toen deze ’n lachbui had, tijdens de soep. En omdat hij daarna een mep gaf op de tafel: „Nou moet het uit wezen!” waarbij het heft spleet, en zoonlief dreigde te stikken, werd het onbruikbaar.

Het werd, via groentemes, vismes, en mes voor huishoudelijke prutskarweitjes, archiefmes.

Maar een ding vraag ik me af: Wie was de ambtenaar, die met zoveel dienstijver bezield was, dat hij ’n mes meenam voor het archief?

Ik zou beslist naar de chef gestapt zijn, de vertellingen van collega’s hebben me zo wijs gemaakt

Ik heb gesuft, ik moet werken. Ik zal de pakkeii in de stelling zetten, en zé nummeren.

Het is vreemd, dat men alleen op ’n zolder, met ’n hoop onnutte papier#n, toch in regelmatig tempo doorwerkt: touwtjes vastknoopt, pakken oplicht, of ze met een zwaai in de stelling zet, en velletjes papier plakt. Zelfs geen blik naar het afgewerkte pak, alleen maar touwtjes, het mes, een pak, hoekig en onhandelbaar, en het velletje. En stofwolken. M’n handen worden ruw en m’n pakken veelhoekig. Soms til ik er te veel gelijk op, en als ik dan naar de deur loop, hijg ik, en dat lijkt me onvoordelig, met die stofmassa.

Ik word dorstig en besluit, beneden te gaan drinken, en een praatje te maken. Straks: eerst die pakken. M’n stofjas ziet zwart, en de pakken lijken wel zwaarder te worden.

Op de tweede plank kom ik een spinnewebmet-spin tegen. Ik besluit» even te rusten. De,stoel kraakt, en ik soes ’n beetje, ik heb me te druk gemaakt. Is stom van me, er is niemand, die zich afvraagt, wanneer ik klaar zal zijn

Alle mensen! Ik grijp een pak, en een touwtje: de trap kraakt. De deurknop beweegt; twee jongens brengen nieuwe voorraad. „Gooi maar neer!” zeg ik, een beetje onverschillig. Ze merken aan mijn manier van .doen, aan die onverschilligheid, dat ik gestoord werd in m’n slaapje. Ze grijnzen, maar zeggen niets; ze zijn wat dat betreft, geen haar beter dan ik, en de chef kan rare uitvallen doen, als-ie zoiets merkt.

Over een paar uur zal ik klaar zijn. Wanneer precies weet ik nog niet. Mij interesseert iets anders: waarom doe ik dit werk? ’n Archief, dat niet op volgorde ligt, is geen archief, sorteren is dus noodzakelijk, als tenminste het bewaren noodzakelijk is. Bij belangrijke gegevens is het wettelijk voorgeschreven. Deze rommel gaat over twee j aar naar de papiermolen: het is niet noodzakelijk, maar makkelijk, als er voor een enkele keer nog eens teruggegrepen kan worden op oude gegevens.

Waarom gebruiken ze voor dit werk ’n kantoorman? Ik ben evenals anderen als krullenjongen, als „jongste bediende” begonnen.

Toentertijd had ik beter werk dan nu! Later werd ik door omstandigheden fabrieksarbeider, en ik benijd iedere fabrieksarbeider, omdat hij productief werk doet. Er zijn wel belangrijker dingen te doen, als oud vuil op te bergen op Rijkskantoren.

Het ergste is, dat men hiervoor mensen gebruikt, die grotere capaciteiten hebben. Soortgelijk werk wordt dikwijls verricht door mensen, die uit financiële oorzaak hun studie moesten Het merendeel van de collega’s, waarmee ik dit werk heb verricht, was onderwijzer of kwekeling met acte.

Waarom doe ik dit werk? Omdat ik mijn brood moet verdienen.

Ik ben gelukkig, dat ik nu op een ander Rijkskantoor zit, een kantoor waar dergelijke onzinnige werkjes tot de uitzonderingen behoren.

Het hierboven geschetste tafereeltje is juist; ik weet alleen dat het filet overal zo erg is. Het bureau, waar dergelijke dingen gebeuren is in ambtenaarskringen berucht, wat betreft de datum, het gebeurde niet voor de oorlog. Integendeel; in 1945.

C. MILOT

Landarbeiders staakten

Gedurende tien dagen, vlak voor de ergste oogstdrukte, staakten in een groot deel van Oost-Groningen de landarbeiders. Er is wéinig ophef van deze staking gemaakt. Een bekende Groningse krant achtte de zaak van zó weinig belang, dat zij er practisch geen aandacht aan schonk.

In. het Oldambt denkt men daar echter anders over. In vele dorpen lag het landwerk hier geheel stil. Alleen de boeren probeerden te redden, wat te redden viel, hier en daar bijgestaan door N.5.8.-geïnterneerden en militairen. Zo was het vooral in de communistische centra Beerta en Finsterwolde, maar ook in plaatsen als

Nieuwe-Schans, Noordbroek, Westerlee, Meeden. in andere plaatsen werd slechts gedeeltelijk gestaakt.'

Een plaatselijk communistisch relletje, dat men maar het kan doodzwijgen? Ik geloof, dat men met dit standpunt in te nemen, de ernst van de toestand onderschat.

Twee dingen moeten hier met nadruk gezegd worden:

le. De looneisen van de landarbeiders zijn volkomen billijk. De landarbeiders verdienen ƒ 0.64 per uur. Het vorige jaar werd toegestaan, dat de boeren in practisch geheel Groningen ƒ 0.70 uitbetaalden. Maar