is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 48, 06-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In gesprek met een tegenstander

Het is een goede gewoonte, om niet tegen een beoordeling van een boek in te gaan. Dat ik het ditmaal toch doe, komt ik hoop dat onze lezers dat van mij willen aannemen niet voort uit behoefte om mij tegen onjuiste en onbillijke critiek te verdedigen; maar de critiek die ik bedoel is een zo duidelijke-naief-duidelijke-illustratie van typisch burgerlijk misverstand, dat ik er gaarne de vinger bij leg. In het Handelsblad van 22 Augustus jl. bespreekt „Onze Sociale Medewerker” (kortheidshalve verder als O.S.M. aan te duiden) mijn boek „Het vraagstuk van de Arbeid”, tegelijk met het boek van ir Stoffel over „De massamens en zijn toekomst”. Merkwaardig: O.S.M. had mij een paar maanden geleden om datzelfde boek in een paar hoofdartikelen in hetzelfde Handelsblad al afgemaakt maar hij meent het nog eens dunnetjes te moeten overdoen. Ziehier zijn oordeel:

Twee schrijvers uit de sfeer van het Vrijzinnig christendom hebben zich in deze boeken bezig gehouden met het vraagstuk van de arbeidende mens. Prof. Banning met gemak en routine zijn stellingen neerschrijvend, ir Stoffel voorzichtig en moeizaam zijn visie en probleemstelling ontwikkelend. Beide boeken laten de lezer onbevredigend. Banning stelt teleur doordat hij toont van de wens tot synthese tussen de machten van kapitaal en arbeid te zijn teruggegleden tot de onverbloemde strijd tegen het kapitalisme; Stoffel omdat hij geen kans ziet na hoofdstukken van voortreffelijke beschouwingen de grote lijn te trekken, welke de toekomst van de arbeidende mens aftekent.

Genoemde werken vullen evenwel op merkwaardige wijze elkaar aan. Wat Banning in zijn schrifturen altijd voor heeft door zijn meeslepende stijl, zijn heldere betoogtrant en zijn preciese afbakening van het gestelde probleem, verliest hij door zijn „massa-productie” van boeken, welke dikwijls té haastig werk, té gemakkelijk citeren van schrijvers en té lichtvaardig heenglijden over moeilijke vraagstukken verraadt. Banning is theoloog. Hij blijft het ondanks zijn citaten uit boeken over arbeidsrecht, uit stukken betreffende de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen. Hierdoor maakt hij de bij de arbeidswetgeving betrokkenen wat kregelig. Men is geneigd te roepen: dominee, blijf bij uw bijbel en laat de krachttermen over de sociale betrekkingen in de huidige maatschappij maar over aan hen, die dagelijks hebben te zwoegen om de boel aan de gang te houden. Want wie durft nog ontkennen, dat momenteel de arbeidsverhoudingen dank zij het werk van de Stichting van de Arbeid heel behoorlijk en in een tijdsgewricht als het huidige nauwelijks voor verbetering vatbaar zijn? Rollende woorden over kapitalistische uitbuiting zeggen dan zo weinig, vooral omdat ook Banning nergens vermag aan te tonen, dat in een gesocialiseerde maatschappij de duistere driften van eigenbelang, winstzucht en egoïsme vanzelf oplossen in de serene sfeer van het „hebt uw naasten lief”.

Uit deze „critiek” neem ik twee punten.

die mij uiterst karakteristiek voorkomen. O.S.M. verwijt mij, dat ik teruggegleden ben in de onverbloemde strijd tegen het kapitalisme, krachttermen gebruik over de huidige maatschappij, blind ben voor het werk van de Stichting van de Arbeid, aan welke het te danken is dat momenteel de arbeidsverhoudingen in het huidige tijdsgewricht nauwelijks voor verbetering vatbaar zijn.

Hij heeft gelijk, en in zekere zin ben ik hem dankbaar voor dit verwijt: het illustreert nl. volkomen duidelijk het diepgaand verschil tussen degenen, die menen dat met de Stichting van de Arbeid het maximum bereikt is van wat op sociaal terrein te bereiken valt, en hen die op een verandering van de structuur der maatschappij aansturen. O.S.M. behoort tot de eerste groep en wordt kregelig, wanneer niet ieder het laatste woord wil overlaten aan de Stichting; ik behoor als socialist tot de laatste groep. Dat betekent allerminst, dat ik blind zou zijn voor het feit, dat in de Stichting werkgevers- en werknemersorganisaties samenwerken en belangrijk goed werk doen ik heb dat in mijn boek volledig erkend. Maar ik ben van mening, dat op de grondslag van de Stichting geen structuurverandering van de maatschappij tot stand komt, die ik noodzakelijk blijf achten ter wille van de mens in het arbeidsproces. O.S.M. beschuldigt mij van „krachttermen” ik handhaaf, dat de maatschappij en het arbeidsproces keihard en onbarmhartig zijn, én naar hun principiële structuur èn naar hun feitelijke situatie. Ik handhaaf, ondanks enorme verbetering in sociale toestanden, dat er schrijnende tegenstellingen door ons volk heengaan, dat er bij de arbeidersmassa gerechtvaardigde wrok bestaat tegen de heersende verhoudingen, dat de jongeren, b.v. de groep die tijdens oorlog en bezetting noodzakelijke scholing heeft gemist en thans voor militaire dienstplicht is opgeroepen, het maatschappelijk èn geestelijk’ ontzettend moeilijk

hebben, en dat er heel wat jonge gezinnen aan kapot gaan. Dat mag O.S.M. een „krachtterm” noemen het bewijst alleen dat hij het arbeidersleven niet kent.

Een tweede punt: O.S.M. zegt: dominee blijf bij de bijbel, en laat ons, goedwillende deskundigen, de sociale problemen oplossen. Ik heb de opmerking meer gehoord. Zij kwam en komt uit de mond der vrijzinnige en orthodoxe burgerlijkheid, zodra iemand de vlammende eisen van de Bijbel gaat actualiseren, gaat toepassen op onze huidige sociale 'en economische werkelijkheid; zij kwam van de zijde van Hitler en de zijnen, wanneer de Kerk zich ging bemoeien met de politiek: de Kerk mocht over de hemel en het hiernamaals praten, eventueel het volk zoet houden. Godsdienst was immers goed voor de massa, om haar af te houden van de strijd ■—, de politiek was nu eenmaal het terrein, dat de heren voor hup deskundigheid reserveerden. Zo ook 0.5. M.: de overwinning der sociale mdeilijkheden is een kwestie van techniek, waarin hij en de zijnen deskundig zijn, daar moeten dominees af blij ven, daar blijft immers de Bijbel bok af... Ziedaar de onvergeeflijke zonde van alle burgerlijkheid volkomen duidelijk gedemonstreerd. Laat ik dan voor dit keer bij mijn theologie blijven en tegen O.S.M. zeggen: gij weet blijkbaar niet welk een sociaal gevaarlijk boek de Bijbel is. Juist omdat ik bij de Bijbel blijf, is voor ons de oplossing van het sociale vraagstuk geen technische, maar een ethische, en een godsdienstige kwestie; hoe dieper mensen met de Bijbel leven, des te feller wordt hun verzet tegen de huidige maatschappij...

Tenslotte: O.S.M. verwijt mij dat ik in-gebreke blijf om aan te tonen, dat in een gesocialiseerde maatschappij de duistere driften van eigenbelang, winstzucht en egoïsme vanzelf oplossen in de serene sfeer van het „hebt uw naasten iief” Inderdaad, ik toon dat niet aan in mijn boek, ik toon het niet aan in dit artikel, ik zal het niet aantonen in enig geschrift van mijn voortgezette productie. Want het is onzin. Als iemand zó weinig van ons socialisme verstaat, zó door vooroordelen tegenover het socialisme wordt geleid, en dan toch „0.5. M.” van het Handelsblad en de verlichte burgerij van Nederland kan zijn, dan blijkt alleen hoe diepe kloven nog steeds mensen in dit land van elkander scheiden... W. B.

Äá/Íí/Lî/Qäíîä 434

Ida G. M. Gerhardt, Buiten Schot. De Bezige Bij, Amsterdam 1947. ƒ 3.90 geb.

Van alles wat er sinds jaren in ons land aan literatuur verschenen is, is er géén boek, dat ik zo graag in veler handen zou zien als „Buiten Schot”. Betekent dit, dat ik Ida Gerhardt de rijkstbegaafde, de geniaalste acht van allen die op het ogenblik de pen' voeren? Neen, dat behoeft het niet te betekenen, en wellicht is dat ook helemaal niet het geval. Men leert echter, als men wat ouder wordt, de betrekkelijkheid zien van „genialiteit” en dit boek verenigt nu drie kwaPteiten, die men uiterst zelden in combinatie aantreft: een zeer zuiver poëtisch gehalte, een diepe menselijke waarde,, en een vorm, die het toegankelijk maakt voor een. veel ruimere kring. Hoe I

groot ook de onderlinge verschiilen zijn, in dat opzicht dringt zich aan mij telkens de vergelijking op met „Tusschen Tijd en Eeuwigheid” van mevr. Roland Holst.

Mag ik een herinnering ophalen? Toen Ida Gerhardt begon te schrijven, en haar eerste werk in „Tijd en Taak” publiceerde, heb ik mij in stilte vaak verwonderd dat zij toch religieus socialist als wij allen in haar verzen zo alléén-maar over de natuur sprak, en de mensenwereld met haar noden en conflicten scheen voorbij te zien.

Ik heb het nooit gewaagd die bedenking uit te spreken: met kunstenaars moet men voorzichtig zijn! Maar nu besef ik hoezeer de dichteres gelijk'heeft gehad met haar eigen weg te gaan. Het schrijven van een boek als „Buiten Schot”, in trouwe dienst