is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 48, 06-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en geduldige toewijding, is zéker zozeer een socialistische daad als het overhoop-halen van allerlei maatschappelijke problemen; en er is strenger verantwoordelijkheidszin nodig en dieper mensenliefde om een zo zuiver geschenk aan zijn volk te geven, dan om te klagen óver en te protesteren tégen sociale misstanden.

De bundel van Ida Gerhardt vult in onze literatuur een leegte een leegte zo vreemd, dat men zich' van haar bestaan pas bewust v/ordt terwijl men deze reeks van Verzen leest. „Buiten Schot” bestaat voor het grootste deël uit liefdespoëzie. Geen genre is algemener, en is door alle eeuwen heen algemener geweest. Vrolijke, onproblematische verliefdheid, dwepende bewondering, verlangen naar wederliefde, verrukking om een gevonden geluk de spanning van conflict en misverstand, het leed der vervreemding, de smart om een onherstelbaar verlies, zij hebben door alle tijden de dichters geïnspireerd. Maar zou men zodoende niet de indruk krijgen, dat liefde een fase is in het leven van jonge, en in het bijzonder van lichtbewogen en hartstochtelijk aangelegde jonge mensen, maar in het algemeen vrij gauw een einde vindt, hetzij door sleur en gewenning, hetzij door scheiding of dood?

In „Buiten Schot” ontbreekt die typisch „jonge” liefdelyriek niet: men leze het verrukkelijk overmoedige Wintersch Rondeel, of het tedere „Als een rozeruiker zoet...” Maar overheersend is, dat ik zou willen noemen, de poëzie der blijvende verbondenheid, de liefde die de vuurproef doorstaan heeft, en met de jaren waarschijnlijk alleen rijker en ruimer wordt. Ik durf niet beoordelen hoe het in het léven gesteld is • dit blijft het geheim van de naamlozen, die er niet over spreken of schrijven maar in de literatuur is in elk geval dit verschijnsel zeer zeldzaam.

Ik herinner mij een paar verzen van Verwey, een enkel van Van der Leeuw, maar verder zie ik eigenlijk van dit soort poëzie geen voorgangers, en ik geloof dat de schrijfster hiermee, zij het in zekere zin onbedoeld, iets zeer belangrijks heeft verricht voor het geestelijk leven in ons volk. Hoe moet ik nu deze poëzie karakteriseren? Zij heeft enerzijds zoiets simpels en vanzelfsprekends waarom zou men niet gelukkig zijn, schijnen de verzen te zeggen —, maar anderzijds is zij doordrenkt van het besef van wonder en onverdiende gave; ook waar er niet met woorden over gesproken wordt, is deze kunst in wezen religieus. En nog een tweede schijnbare tegenstelling is er, waar ik op wijzen moet: mij frappeert in deze verzen een grote openheid naar de kant van de lezer, en anderzijds een terughouding, die niet minder wezenlijk is. Ik bedoel het zo: van menig lyrisch dichter krijgt men de indruk, dat hij op al te egocentrische wijze met zijn particuliere zaken bezig is, maar daarbij een schuin oog heeft op .de lezer, wat die er wel van denken zal. Een vers van ïda Gerhardt heeft het particuliere en voor anderen onbelangrijke a.h.w. achter zich gelaten en richt zich voluit en direct, open en rustig tot de lezer. Maar dit sluit terughouding niet uit. Het is een weldaad, ook in onze rommelige, stijlloze tijd nog eens poëzie te ontmoeten, die vrij is van de bekende erotische openhartigheden en toespelingen, en niet meent de „werkelijkheid” nader te komen door het leven van zijn geheim te ontdoen.

Misschien moet men niet meer zo heel jong zijn om dit te kunnen; niet meer zo jong, maar zonder dat de liefde met de

(Vervolg op pag. 5)

AAN DE STROOM

De gang der statige rivier die door de groene landen gaat.

de gang der statige dagen hier in ’t huis dat aan het water staat.

van arbeid, van gestadigheid en liefdes begenadigdheid

zoo overzwaar en hoorbaar, dóór der wateren maat.

te' nacht het levend hart God, laat ons bij elkaar! IDA G. M. GERHARDT

Uit; Buiten Schot

HET ERFGOED

Voor ons geluk is duizend jaar gestreden:

veel ploegen braken op dit lage land, veel levens braken, eer onaangerand

wij beiden rijpten tot dit heerlijk heden.

Waar liefde groeit, wordt liefdes pijn geleden,

, en eeuwen werden in ons tot oogsten, want om dit geluk is duizend jaar gestreden

hier, waar de hemel ’t laagland overspant. Gedenk, mijn lief, die d’arbeid vóór ons deden.

• hun stugge trouw, hun woordelooze trant nu ons verbond, hun eenvoud diep verwant.

ZOO sterk komt op het vrije erf getreden. Voor dit geluk is duizend jaar gestreden.

IDA G. M. GERHARDT Uit: Buiten Schot '