is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 49, 13-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geweld, Gezag, Verantwoordelijkheid

I II

In de koloniale kwestie liggen de verhoudingen totaal anders Daar gaat het om de verhouding tussen twee volken. Het ene volk legt zijn wil op aan het andere en be' paalt zijn lot. Het vestigt in dat andere volk een voor dat volk vreemd machtscentrum, dat aanspraak maakt op gezag. Hier gelden de veronderstellingen van Rom. 13 slechts zolang als dit weldadig werkt en door het betrokken volk als een weldaad beleefd'wordt.

Toch is zulk een machtscentrum ifi strikte zin geen overheid en een kolonie is geen staat. In Rom. 13 gaat het om mensen, die vanwege hun christen zijn menen zover beven gewone mensen verheven tè zijn, dat ze menen zich niet meer te behoeven te storen aan een macht, die overigens op gronden van menselijkheid niet te bestrijden is. Pas op, zegt Paulus, dan krijg je met haar te doen! Dat zijn de grenzen van deze schriftplaats.

Heel anders komt de zaak te staan, wanneer in koloniale verhoudingen juist op gronden van menselijkheid een onderdrukt volk tegen het machtscentrum van het overheersende volk in yerzet komt, niet omdat men meent dat men met de macht als zodanig niets meer te maken heeft, maar omdat men deze vreemde macht niet erkent als de rechtmatige, de eigen menselijkheid dienende, beschermende en dus heilzame macht. M.a.w. in Rom. 13 gaat het tegen de anarchie. In de opstand van een onderdrukt volk om de rechte staat. Dat kan men vanuit Rom. 13 niet meer bijbels benaderen. Dat moet men van een heel andere kant doen. Men zou dat kunnen doen juist vanuit 1 Tim. 2:2. De koloniale status is wel allerminst geschikt om het overheerste volk een stil en gerust

leven te bezorgen. De aanwezigheid van een vreemd machtscentrum, dat in het volk, waarover het opgericht is, als vreemd wordt ervaren, kan zo humaan en democratisch zijn als mogelijk is, maar het werkt alleen reeds door het blote feit van zijn bestaan enerverend. Het oefent een psychische en geestelijke druk uit en houdt de mensen in oiirust; wekt een gevoel van minderwaardigheid, van achteruitzetting, van miskenning der menselijke waardigheid en schept daardoor een sfeer van wantrouwen, vreemdheid, schuwheid en zelfs van haat. Zulk een vreemd machtscentrum verwekt reeds door het blote feit van zijn bestaan, hoe bescheiden het zich ook laat gelden een latente wanorde in het leveri van een volk, die aan de dag treedt naarmate zich er het vreemde en dus onnatuurlijke ervan gaat realiseren en als ondragelijk gaat voelen. Een koloniale samenleving is vol van felle spanningen, al worden ze in kortzichtigheid door het overheersende volk meestal over het hoofd gezien. Men kan ze, als men enige gevoelige organen daarvoor heeft, als met de vingertoppen tasten. Geen macht is in staat aan de onder haar gestelden een stil en rustig leven te waarborgen, wanneer zij als vreemd wprdt aangevoeld, door het betreffende volk niet wordt geassimileerd en door het volksbesef niet wordt gedragen.

(Daarom gaat het argument van Van Walsum niet op, dat de verhouding overheerser en overheersten in Paulus’ dagen algemeen was. Wij kunnen moeilijk uitmaken in hoeverre het imperium romanum als vreemd gevoeld werd. Door de Hellenist Paulus zeker niet. En waarschijnlijk in het algemeen ook niet, omdat het zich dan

zeker niet zo lang had kunnen handhaven. Bovendien ook niet, omdat toen zoiets als het moderne nationaliteitsgevoel niet bestond. In elk geval, daar kunnen we zeker van zijn, ongelooflijk veel minder als onze macht door het Indonesische volk als vreemd gevoeld werd. Niemand zal wel beweren, dat onze macht door de Indonesische bevolking werkelijk geassimileerd is, omdat men er niet openlijk tegen in verzet kwam. Laat men toch niet zo kortzichtig zijn om te denken, dat we van de zijde der massa anders dan geduld werden. Een koloniale status is een status van onrust in permanentie, wortelend in een wel verborgen maar toch zeer reëel aanwezige onlust.

Daarom moeten we ook voorzichtig zijn met het motief der verantwoordelijkheid. Wie de macht heeft is inderdaad voor een en ander verantwoordelijk. Deze verantwoordelijkheid is de zedelijke rem, die de macht binnen de perken houdt. Dit te meer, wanneer, ondanks alle onrust en onlustgevoelens uit het onderworpen volk geen gezagsinstantie opkomt.

Die verantwoordelijkheid neemt echter af en vervalt op den duur geheel, waar dat wel het geval is en het van het onderworpen volk zo toegestemd wordt, dat het als eigen ervaren wordt en daarmede de onrust- en de onlustgevoelens wegvallen. Daar onstaat dan de situatie die door Rom. 13 verondersteld is en die de christenen in dat volk verplicht zich aan die gezagsinstantie met schuldige gehoorzaamheid te onderwerpen. Voor de Indonesische christenen in de republiek geldt Rom. 13 ten aanzien van de republikeinse regering. Zij mogen en moeten van die regering verwachten het stille en geruste

sociaal-economische verhandeling gehad, zo denkt zij. Nu zou ik mijn hand niet in het vuur willen steken voor de stelling, dat nooit één dominé daarbij over de schreef gegaan is. Niet allen hebben zoveel zelfbeheersing, zoveel kennis van de problemen ook, dat zij alle eenzijdigheden weten te vermijden. Dat geldt voor het gehele predikantencorps. En waarom niet voor hèn?

Maar er komt nog iets bij. Het is onjuist te menen, dat sociaal-politieke critiek alleen thans van de kansels wordt gehoord. En dat het een monopolie zou zijn van z.g. doorgebroken predikanten. Maar het feit, dat zulk een predikant dergelijke dingen zegt, geeft aan zijn woorden een bepaald accent. Zijn woorden worden onbedoeld, ja, van beide zijden meestal onbedoeld toch gehoord tegen de wand van politieke scheidingen. Daarom kan een on-politiek predikant veel meer zeggen, dan een politiek-georganiseerde, maar daardoor klinkt het ook vaak minder krachtig.

Is dit een troostwoord? Ja, indien het weten, dat een ander de moeilijkheden kent en er naast staat, inderdaad troost betekent. Een andere vraag is, of al deze collega’s zulk een woord nodig hebben. Ik meen van niet. Want ik ontmoet ze slechts met opgeheven hoofde, niet gaande met koppen, hangend als van een geslagen hond. Ik weet, dat sommigen de eenzaamheid, waarin zij verkeren, niet aangenaam

vinden. Maar ik hoorde nimmer een klacht. En ik begrijp dat. Want hun overtuiging is niet een zaak van kansberekening, maar van dieper inzicht.

En dieper inzicht verschaft hun de, zeker- ' heid, dat voor hèn deze stap onvermijdelijk was. Ieder christen weet, dat een verstoorde illusie een reden tot schaamte is. En een predikant mag dat nimmer vergeten. En als hij de illusie zou hebben gekoesterd, dat grote massaas van het kerkvolk deze nieuwe en bijbelser vorm van denken en staan -in-de-wereld zich spoedig zouden eigenmaken, dan zal hij zich over zijn eigen illusie thans verbazen. Maar dat doet geen centimeter af van zijn overtuiging, dat Nederland op dit ogenblik slechts gediend kan worden door een open, progressieve, socialistische politiek. Het doet hem niet wijken van de zekerheid, dat de gehoorzaamheid aan de Boodschap — Boodschap van belofte en oordeel — vraagt, dat men de veilige behuizingen verlaat. Want het Evangelie wordt niet gebracht door organisatievormen, door machtscomplexen, maar door levende mensen, die leven met het levende Woord. Hij weet dat, omdat'hij de Kerk ziet ineenschrompelen, omdat hij niet gelaten kan aanvaarden, dat straks, bij de uitslag van de volkstelling overduidelijk zal blijken, dat zoveel procent „niets” is. Hij weet dat ook, omdat hij, (anders dan de Gemeente, die nog in betrekkelijke afzondering leeft,) weet dat er in de oecumenische beweging een geestelijke worsteling over de ganse wereld

gaande is. In dit verband van de wereldkerk, waarin gespeurd wordt door grondkrachten, wordt de krampachtigheid, waarmee men hier vasthoudt aan de christelijke politiek, haast niet meer te dulden. Deze geestelijke worsteling wordt niet uitgestreden door zich te organiseren in christelijke machtsformaties. Dat gebeurt door Rome. wordt gestreden met de Gemeente-zelf. En de gemeente-zelf, de Kerk-zelf zal zich in deze worsteling moeten begeven. De vele organisaties, die christenmensen rondom de Kerk hebben heen gebouwd zijn als de maginot-linie, die de weerkracht verslapt en de gevaarlijke illusie van een veilige rust wekt.

Ziet, omdat zovelen onder de predikanten dit zien, daarom zijn ze lid of sympathisant van de Partij van de Arbeid. Het is geen gril, geen individuele expressie van een individuele emotie, het is geen geestelijke vernielzucht. Het is het gevolg hiervan, dat zij, in het licht van de Bijbel, enige grondlijnen in het maatschappelijk bestel en het wereldgebeuren hebben ontdekt.

Hij weet, dat die ontdekking méér is dan een wankel inzicht. Zij is een visie, die tot geloofsbeslissing dringt. En daarom zal hij de betrekkelijke eenzaamheid willen aanvaarden. Daarom zal hij glimlachen om de gemiste beroepskansen. Want hij weet: de weg, die ik gekozen heb, is noodzakelijk. En te weten, dat anderen dit weten, troost hem. En sterkt hem. L. H. RUITENBERG