is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 49, 13-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Politiek Provincialisme

Al van ouds is het een bekende klacht in Nederland, dat wij van de internationale omstandigheden te weinig begrijpen. Een gedeelte van de Nederlanders is door onze economische betrekkingen met het buitenland tot aan het begin van de oorlog betrekkelijk Internationaal georiënteerd geweest, en ons land is ook door onze banden met Indië niet zo opzij van de internationale weg komen te liggen als bijvoorbeeld Denemarken. Toch was de toestand verre van bevredigend. Er werd in ons land veel gepraat over Indië, over de roemruchte tradities van Jan Pieterszoon Coen en andere helden uit het verleden, en over de economische betekenis, welke Indië voor onze volkswelvaart had. Men kan echter niet zeggen, dat de sleutel-betekenis van Indië voor onze welvaart en ons gehele volksbestaan in voldoende mate als volkszaak was gepropageerd. Ondanks de prijzenswaardige ijver, welke van verschil- zijden was aangewend om meer belangstelling voor Indië te verkrijgen, stond het grootste deel van onze bevolking onverschillig tegenover de grote pro-‘ welke de band met de overzeese gebieden meebracht, en beschouwde bijvoorbeeld een groot deel van de burgerklasse Indië alleen als een oord, waar men heen ging om zich een goed bestaan te verzekeren, en een groot deel van de arbeidersklasse Indië alleen als een middel om Deterding en zijn makkers rijk te maken.

Nog minder begrip dan voor de betekenis van Indië voor Nederland had men voor de internationale gevolgen, welke de band met zo belangrijke overzeese gewesten voor de hele positie van ons land meebracht. Onze buitenlandse politiek droeg traditioneel het stempel van een neutraliteits-, later genaamd zelfstandigheids-politiek. Wij hielden ons en niet zonder enig recht buiten de grote wereldverwikkelingen..., doch beseften maar al te weinig, dat wij ons daar op de duur niet buiten konden houden. Het is altijd als het ware een onbewuste veronderstelling van de Nederlandse politiek en de Nederlandse politici geweest, dat men in Nederland (en ook in het rijk buiten Europa) zijn eigen Nederlandse politiek kon maken en de eigen boontjes zelf kon doppen. Maar al te weinig heeft men beseft, dat omgekeerd, het internationale kader ook de nationale gebeurtenissen beheerst en dat de grote lijnen van onze politiek alleen kunnen worden vastgesteld binnen het raam, dat door de gebeurtenissen in de gehele wereld wordt getrokken. *

Ons politiek provincialisme is de tragedie geweest, die de achtergrond vormde van de laatste jaren ont-wikkeling van het Indonesische probleem. Een tragedie in twee opzichten. Slechts enkelen in Nederland hebben van het begin af aan tielder beseft, dat de nationalistische beweging in Indonesië geen geïsoleerd verschijnsel was, maar een onderdeel van het ontwakend nationalisme in geheel Oost-Azië. Wat men ook van de Republikeinse leiders zou mogen zeggen, men dient te erkennen, dat zij deze waarheid eerder en beter hebben ingezien dan de meeste verantwoordelijke mensen aan Nederlandse zijde. Helaas is de laatste maanden dit ruimere perspectief steeds meer op de achtergrond gedrongen, en ook van zijden, die zichzelf tot voor kort gaarne als progressief aanduidden, begint men

af 'te geven op het Republikeinse nationalisme op een wijze, waaruit duidelijk blijkt, dat men de wijde, over geheel Oost-Azië gaande strekking van dit nationalisme ten enen male miskent. Als wij de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken tot de Amerikaanse radio-luisteraars horen spreken over het Indonesische vraagstuk op een wijze, die niet beter is dan alle betogen, dat het Republikeinse nationalisme slechts een „Japanse tijdbom” zou zijn, denken wij ons met weemoed terugverzeild in de zomer van 1945, toen de revolutie in Indonesië voor de grote meerderheid van ons volk een vreemd, onverklaarbaar en niet te rechtvaardigen verschijnsel was. Daarbij verdient nog aantekening, dat toen althans de dienaars van de Kroon verstandiger taal spraken...

Nog in een tweede opzicht heeft het Indonesische probleem zijn internationale consequenties. Wij hebben de vorige maand reden te over gehad om ons dit te realiseren, toen Nederland bij de bespreking van de Veiligheidsraad in Lake Success een pover figuur sloeg.

Het is niet mijn bedoeling, de vertegenwoordigers van de mogendheden, die Nederland in Lake Success hardhandig ter verantwoording riepen, tot blanke engelen te verklaren. Er is op hun motieven heel wat aan te merken evenals trouwens op de motieven van landen als Frankrijk, die het Nederlandse standpunt steunden. Maar Nederland heeft, ook wanneer men weigert de verhoudingen uitsluitend in zwart-wit te tekenen, zijn prestige voor de Veiligheidsraad niet verbeterd, maar na de kwade indruk, welke de militaire actie van 20 Juli had gewekt, nog verder doen dalen. Dat is voor een groot deel veroorzaakt door de uiterst legalistische redenaties, waarmede Nederland gepoogd heeft, zijn standpunt in Lake Success te verdedigen. Er is van sommige zijden smalend gesproken over het argument van de Nederlandse souvereiniteit, omdat dit „juristerij” zou

zijn. Het komt mij voor, dat tegen een juridische argumentatie op zichzelf geen bezwaar bestaat. Maar... dan moet zij ook waterdicht zijn. Dat nu was het betoog over onze souvereiniteit in Indonesië (zo men wil Nederlands-Indië) allerminst.

Inderdaad was in de overeenkomst van Linggadjati vastgelegd, dat de Republiek Indonesia geen souvereiniteit heeft en die ook niet zal krijgen; souverein zouden immers alleen worden de toekomstige Staten van Indonesië, waarvan de Republiek één der deelstaten zou vormen. Wat dat betreft staat de Republikeinse aanspraak op souvereiniteit dus op een zeer zwakke basis. Aan de andere kant echter kan men moeilijk volhouden, dat na de ontwikkeling van het Indonesische nationalisme en na de erkenning, welke de Republiek de facto in de overeenkomst van Linggadjati heeft gevonden, de Nederlandse souvereiniteit niet in belangrijke mate is uitgehold. In het bijzonder getuigt daarvan artikel 17 van de overeenkomst van Linggadjati, dat voor geschillen tussen Nederland en de Republiek over uitlegging van de overeenkomst arbitrage van derden voorschrijft. Een duidelijk teken, dat Nederland niet meer de patriarchale souverein is, in welke rol nog maar al te velen in ons land het Nederlands-Indische gouvernement willen voorstellen!

De juridische argumentatie van Nederland voor de Veiligheidsraad was dus, naar mijn gevoel, verkeerd niet omdat zij juridisch was, maar omdat zij als zodanig onhoudbaar was. Misschien is nog bedenkelijker, dat Nederland, door zijn verdediging uitsluitend op deze zwakke basis te gronden, geen blijk heeft gegeven een bredere blik voor de oplossing van het Indonesische vraagstuk te bezitten. Wat was er b.v. tegen geweest, ais Nederland desnoods met formele handhaving van zijn aanspraak op juridische souvereiniteit niettemin zelf het initiatief had genomen om Sjahrir als waarnemei' aan de conferentietafel te doen plaatsnemen? In stede van zelf leiding te geven, heeft onze Regering zich stap voor stap laten dringen op een weg, die telkens een stuk prestigeverlies betekende voor een mogendheid, die door de militaire actie al heel wat prestige verloren had.

Onveilig! 17 SEPTEMBER 1944 – SPOORWEGSTAKING