is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 50, 20-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ben gesprek ab teken

In de tweede helft van Augustus zo hebben de bladen in hun ,„Kort” of „Korter” meegedeeid heeft in Detmold (Duitsland) een eigenaardige ontmoeting plaats gehad: Schumacher, de leider der sociaaldemocratie, en Grimme, de minister van Onderwijs in Nedersaksen, hebben „een diepgaand gesprek” gevoerd met bisschop Lilje en ds. Niemöller van de Evangelische Kerk over hun onderlinge verhouding. Er is immers een en ander veranderd in de laatste jaren; de protestantse kerken zijn van hun anti-socialistische houding en hun gebondenheid aan de Staat bevrijd; bij de socialisten is, door de ervaringen van Nazi-regiem en'bezetting in toenemende mate een behoefte aan bezinning op geestelijke vraagstukken ontstaan; groepen kerkelijken, door de oorlog bezitloos geworden, zien het'socialisme als de enige weg voor een rechtvaardige verdeling der armoede. Mijn bericht zegt erbij; een moeilijkheid is, dat de enige radicale traditie, die de S.P.D. kent de orthodox-marxistische is, en zij bij de huidige nood onmiskenbaar radicaler moet zijn dan onder de Republiek van Weimar. Of het gesprek enig resultaat heeft gehad vermeldt mijn bron niet dit soort gesore'kken kan nu eenmaal niet eindigen met accoord of motie.

Wat is hier van uit ons gezichtspunt aan de hand? Er zou aanleiding genoeg zijn, om bekende liedjes nog eens weer te zingen; van de rampzaiige onbewustheid der Protestantse kerken vroeger en nu ten opzichte van het sociale en politieke leven, van de vlucht voor de werkelijkheid in theologie en

persoonlijke vroomheid; van de even rampzalige geborneerdheid der oude socialistische ideologie en haar anti-godsdienstigheid wat baat het, dat lied nog eens voor te zingen? Laat ons ook de verleiding weerstaan om een vergelijking te treffen met Nederland, ons zelf op de borst te slaan en uit te jubelen, hoever wij het dan wel hebben gebracht...

Ik breng liever iets anders in herinnering, Hoevelen onzer weten het nog: Oostenrijk, Wenen 1934, de politieke moord op de toenmalige rijkskanselier Dolfuss. Zo diep was Oostenrijk toen verscheurd, dat de nazi’s meenden ongestraft hun onwelgevallige poiitieke leiders te kunnen vermoorden, (Gaat Tsjechoslowakije dezelfde kant op, nu, 1947? al zijn het niet de nazi’s die nu moordaanslagen plegen...) Er werd, na de dood van Dollfuss, een plechtige mis opgedragen in de Sint Stephens Kathedraal in de kerk langs het pad voor de overheidspersonen bestemd, een dubbele rij zwaar gewapende mannen, en in elke hoek machinegeweren

Bedwing, waarde lezer, even uw verontwaardiging om de machinegeweren en gewapende troepen in de kerk, die zich naar Christus noemt... Maar zie in dat feit van toen een teken, niet alleen voor Wenen en Oostenrijk, maar voor geheel Europa en onze Westerse wereld; dat in het bewustzijn der volkeren God dood en C/irisfMs uifgeworpen is. Daarom kon het nationaalsocialisme opkomen als een nieuwe, brutale en niets ontziende, en volk volstrekt in beslag nemende religie, als een nieuw

heidendom, dat de oude geestelijke waarden radicaal onder de voet zou lopen.

Alg nu Schumacher en Grimme enerzijds en bisschep Lil je en ds. Niemöller anderzijds, als nu sociaaldemocratie en Protestantisme elkaar eerlijk in de ogen zien, dan is het met elk achter zich de bittere en smartelijke ervaring van enkele tientallen jaren bruutheid en onmenselijkheid. De vraag móet in zulke gesprekken rijzen: hoe heeft het ooit zó ver kunnen komen? Ik neem aan, dat als het gesprek werkelijk naar de diepte gaat, men niet blijft staan bij de politieke gebeurtenissen of de economische feiten, maar men doorstoot naar de geestelijke oorzaken, naar het feit, dat Europa geen samenbindende en bezielende wereld van geestelijk gezag meer kent, die aan het loven zin en heilige opdracht geeft. In dit licht gezien is het gesprek in Detmold gevoerd, een teken, een symbool, naar zijn wezenlijke strekking belangrijker dan de Amerikaanse dollars al kunnen we die niet missen.

Ik kijk nog eens weer mijn bericht aan: „er zijn groepen kerkelijken, door de oorlog bezitloos geworden, die het socialisme als de enige weg zien voor een rechtvaardige verdeling der armoede.” Ach ja, het zal wel zo zijn, en veel bezwaar heb ik er ook niet tegen. Maar ... Christenen moeten blijkbaar nog heel wat leren, eer zij het socialisme zien als de verwerkelijking van barmhartigheid en gerechtigheid voor ieder .. Wat is het een goed ding, als wij losgeslagen worden van het hangen aan eigen bezit...

In dit licht blijven wij onze strijd ook na de tweede wereldoorlog zien: nationaal-socialisme en fascisme mogen verslagen zijn, misschien vernietigd, maar de gapende leegte, die in ’34 in Wenen in de Sint Stephens Kathedraal openbaar werd, is niet gevuld; de geestelijke armoede die tot onmenselijkheid voerde, is niet overwonnen. Daartoe behoren socialisten en zij die naar het Evangelie willen leven, alle krachten in te spannen. W. B.

De lof der luiheid

Het is Zondagavond. Ik ga mijn artikel schrijven voor „Tijd en Taak”. In de loop der week moeten mijn gedachten zich gevormd hebben rondom een probleem, een gebeuren dat mij trof. Zo ontstaat een stuk, en als ik het overlees, heb ik er voldoening over of ik heb er geen voldoening over. Deze week zijn er verschillende onderwerpen, die ik omsponnen heb met opmerkingen. Opmerkingen, die om ordening vragen. Waar zal ik nu op in-schieten? Op het geval van de odd man Oud, die een nieuwe partij wil oprichten, en met zijn plan kolommen in dagbladen ontlokt? Ach, wat zou ik daarover moeten schrijven? ledere lezer van „Tijd en Taak” kan het zelf wel bedenken. Het is niet prettig, zich te moeten begeven in zoveel fantasieloosheid, in zoveel nutteloze en egocentrische dadendrang. In de Partij van de Arbeid windt niemand zich er over op, daarbuiten zijn het de progressieve liberalen, die met hem wat aarzelenden willen weglokken uit de sfeer van het democratisch-socialisme. En ter rechterzijde ziet men scherp toe, of het wat wordt. Misschien is dat nu eindelijk een zichtbaar teken van de langgewenste ontbinding der verwenste Partij,

die volgens de christelijke principendienstregeling nooit had mogen gaan rijden en dus zo spoedig mogelijk dient te stoppen. '*

Of moet ik schrijven over de ziekte van minister Jonkman? Een ziekte, die een nieuwe minister heeft opgeleverd, en nu op dit geschiedeniswendend ogenblik het beleid over Indonesië in handen legt van een niet-socialist. De vragen, die dit doet rijzen, durft men haast niet uit te spreken. Want ze zijn lastig en vormen het onderwerp van gesprek in ministerraad en fractie. Gesprekken, waar niemand anders bij is. Maar die het lot van ons volk bepalen. Zou ik moeten schrijven over de Joden? Zeg mij, lezer, wat ik schrijven moet! Het is eenvoudig, om op Engeland te schelden. Het is eenvoudig, om de Joodse terroristen de schuld te geven. Het iè eenvoudig, om de waanzin van de debarkatie in Duitsland aan te wijzen; en de domheid van hen, die zich maar niet storen willen aan de internationale machtsverhoudingen. Maar niet eenvoudig is het, om de werkelijke oorzaken bloot te leggen en om een wijde en toch realistische visie te geven. Wie haar geven, hebben geen macht. En wie de macht hebben, geven haar niet. Joden noch Engelsen. Noch de UNO, noch wij.

U ziet wel, stof genoeg. Maar toch wil het niet komen. Want ik ben lui. Principieel' lui. Ik schaam mij die luiheid niet. Ik wil er openlijk voor uit komen. Ja, ik wil mijn

minachting, brutaal-weg mijn minachting tonen voor mensen, die niet lui durven zijn.

.Luiheid is de innerlijke gesteldheid van de mens, die zulke remmingen voelt, dat hij de dingen niet aankan. Burgemeester Oud bijvoorbeeld is niet lui. Volstrekt niet. Hij kan over de partij, waar hij lid van werd, onvriendelijke dingen zeggen, en in zijn vrije tijd kan hij ook leider van een nieuwe partij worden. Wij wensen hem slechts 'méér luiheid toe.

Nu moet gij u niet bedriegen, lezer. Ik geloof, dat er veel meer mensen lui zijn, dan zij zich zelf durven bekennen. Er is ook een bezigheid van de vroege morgen tot de late avond die slechts camouflage is voor luiheid. Vlucht voor arbeid. Ik heb menig mens ontmoet, die aan niets kon doen, omdat hij het zo druk had. Zo iemand kon zich niet met de Kerk bemoeien, noch met zijn gezin. En helemaal niet met de politiek. Want hij heeft dan een baan onder handen, een prachtbaan, waarin hij veilig ingesponnen is, die hem voortzweept, prettig af jakkert van uur tot uur. Zo iemand kan zéér lui zijn. Maar hij is zó lui, dat hij het niet weten wil. Daarom werkt hij. Beter: daarom heeft hij zijn verdoemde bezigheid. En nij merkt van niets.

Neen, wat wij nodig hebben, is: méér luiheid. Meer mensen, die domweg gaan zitten kijken in een stoel, omdat zij er een besef van hebben, dat ze het niet aan-