is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 50, 20-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen. Het niet. Het leven, dat sommige goddeloze lieden zelfs met een hoofdletter schrijven. Luiheid, die werkt als de golven aan het strand. Je wordt opgetild en neergesmakt. Je bent deel van die grote zee en het is belachelijk om die zee met je handen te grijpen. Luiheid leert, dat het belachelijk is om het leven te willen grijpen. Luiheid is het goede deel van mensen, die zien, hoe diep het water is, en die terugdeinzen voor de sloot waar actievelingen met een stok over heen springen. Luiheid maakt, dat wij dicht, oog aan oog, staan tegenover de duivel,- die rondom ons regeert. Luiheid is niet des duivels oorkussen. Luiheid is het vergrootglas, waardoor de mens de duivel leert zien. Ijverige mensen, mensen, die hun werk op tijd doen, die pluimpjes krijgen van iedereen, en promotie van hun chefs, kennen de duivel niet. Zij kennen de weerbarstigheden van het leven niet. Zij zijn vorsten, die regeren. Voor hen is hej; leven een oefenplaats, een atelier, iraarin zij worstelen met de stof en zij glimlachen bescheiden-hoogmoedig, wanneer men hun producten komt bekijken in hun tentoonstellingszaal, die 'ingericht wordt na zoveel jaren trouwe dienstbetrekking. Maar ga met mij, luiaard, eens mee naar een bibliotheek. Ik ken geen groter martelkamer, dan een universiteitsbibliotheek. Alle banden zijn genummerd. Gecatalogiseerd. Al die boeken zijn geschreven door ijverige mensen. Maar zeg mij, welke boeken na vijf jaar niet verouderd zijn. Zeker, ze zijn nuttig geweest. Ze hebben de welvaart gediend. En straks komt er iemand, die er een citaat uithaalt en een nieuw boek schrijft. Kom, ga weer met mij mee. Want langer dan vij.f minuten kan ik het niet uithouden in zo’n zaal. Het is muf, ik krijg hóofdpijn en thuis staan nog tien, twintig boeken, die ik moet gelezen-hebben, voor ze verouderd zijn.

Een lui mens laat zich niet intimideren door zoveel ijver. Noch die van boekenschrijven, noch dfe van partijen stichten, hij kent de functie, die God hem in het leven gaf. Hij weet, dat hij door zijn luiheid mag waarschuwen tegen de schijnbaar vreugdevolle westerse levensaanvaarding, die er vanuit gaat, dat de mens kan doen wat hij wil, als hij maar ijverig is. Vlijtig, zegt de burgerman. De luiaard zet het sein op onveilig vo%r de actieve plannenmakers. Zijn aarzelingen en zijn remmingen bij het allergewoonste doen zien, dat er ook in de gewone dingen verborgen vijanden zitten.

Werkt een lui mens niet? Natuurlijk wel. Soms zelfs met pleizier. Maar dat werk wordt altijd omgeven door een schaduw. De schaduw van de zinloosheid. En hij betast zijn werk met een waakzame hand. Want ergens kon wel eens, een gevaar schuilen. Het gevaar, dat het ding, waarmee hij bezig is, hem te pakken krijgt. Vandaar, dat er bij al zijn werk een stil heimwee is naar het einde. Naar de rust Naar de avonduren. Vandaar dat hij, beter dan de ijverige ijveraar, iets zal begrijpen van wat de Kerk bedoelt met de voleinding en de eeuwige Sabbat, met het einde van alle tijd. Ja, als hij daar wat van is gaan begrijpen n.l. dat niet wij scheppen, maar volgen dan wordt zijn drang tot niets-doen, tot stil-aan de dingen laten gebeuren een bron van nieuwe, maar nu onschuldiger arbeidslust. Want hij kent de grenzen .en hij behoeft niet te werken, alsof alles van hém afhangt.

Ziet, lezer, daarom bemin ik de luiheid. Dit moet het einde zijn, want morgen wacht véél werk.

Zéér veel werk. L. H. RUITENBERG.

NADER BESCHEID

Een discussie, als tussen ds. Nieuwpoort en mij aan de gang, staat, zeker wanneei zij over een reeks nummers van blad wordt uitgebreid, bloot aan het gevaar, dat zij spoedig alleen de schrijvers, die haar voeren, nog maar interesseert. Toch geloof ik, dat het belang van de zaak, die daarbij aan de orde is, het rechtvaardigt, dat ik nog éénmaal inga op het nadere betoog van ds. Nieuwpoort, maar ik zal trachten hetgeen ik te zeggen heb, in het bestek van één artikel samen te vatten. Ik benader het hart van de kwestie misschien het beste door aan te knopen bij deze uitspraak van ds. Nieuwpoort: „De overheid regeért eiiS ordent niet met het zwaard. Het zwaard is geen herdersstaf, geen vaderlijke tuchtroede, zelfs geen scepter. Het zwaard is inderdaad ultissima ratio als er geen andere uitweg meer is dan de boosdoener uit te roeien, omdat hij het recht op het leven verspeeld heeft.” Hiertegenover stel ik dit: het regeren en ordenen door de Overheid is in laatste instantie alleen mogelijk doordat de Overheid het zwaard achter de hand heeft, doordat zij beschikt over dc machtsmiddelen om haar wil door te zetten. Ds. Nieuwpoort stelt het vraagstuk van het geweld te beperkt. Ook strafbedreiging en strafoplegging, hoe mild en zachtzinnig overigens, is een vorm van geweld,. Zelfs voor deze „tamme” vormen van gewelduitoefening is, naar mijn mening, de Bijbelse rechtvaardiging, dat zij zijn een afspiegeling van, een herinnering aan de wrekende gerechtigheid Gods.

Terecht zegt ds. Nieuwpoort dat het in Rom. 13 gaat tegen de anarchie. Daarom ligt de opvatting, die ik verdedig meer in de lijn van Rom. 13 dan die van ds. Nieuwpoort, aangezien deze de draagwijdte daarvan ongeoorloofd beperkt.

Men zou het betoog van ds. Nieuwpoort lezende de indruk kunnen krijgen, dat het mij te doen is om de handhaving van de koloniale verhouding. Ik behoef mij daartegen zeker niet te verdedigen. Ik kan mij wat dat aangaat beroepen op het getuigenis van Banning in het hoofdartikel in het vorige nummer, waarin hij als een van de oorzaken van de ondergang van „De Nieuwe Nederlander” noemt het feit, dat deze zich onvoorwaardelijk stelde achter de pogingen tot liquidatie van de koloniale verhoudingen.

Toch is de verantwoordelijkheid van Nederland tegenover Indonesië voor mij een realiteit. Ik kom daar niet zo gemakkelijk mee klaar als ds. Nieuwpoort. Ik weet heel goed, dat zich achter het beroep op die verantwoordelijkheid heel dikwijls verschuilt de onwil om het recht op vrijheid en zelfstandigheid van Indonesië te erkennen. Desondanks handhaaf ik de verantwoordelijkheid. Die blijft bestaan zo lang de boedelscheiding tussen Nederland

en Indonesië niet is voltooid. De fout van ds. Nieuwpoort is, dat hij redeneert of dat reeds het geval is. Bovendien kan en mag het ons niet onverschillig zijn In welke vorm die boedelscheiding tot stand komt. Meent ds. Nieuwpoort, dat wij ons bij een totalitair en imperialistisch Indonesië zouden moeten neerleggen, omdat gesteld dat dat zo was men het daar nu eenmaal zo wil?

Men behoeft mij niet te vertellen, dat wij niet alles hebben gedaan wat mogelijk was om de groei naar vrijheid en zelfstandigheid van Indonesië te bevorderen. Ik weet te goed, dat in een democratisch staatsbestel het gevoerde beleid dikwijls de resultante is van elkaar tegenwerkende of remmende krachten om dat niet te beseffen. Buskes schreef onlangs dat de grote fout van de P.v.d.A. is geweest, dat zij langzaam maar zeker in de vroegere ethische politiek is verzeild geraakt. Ik ontken dat. De werkelijkheid kan ao weerbarstig zijn, dat men moet aanvaardéh dat men die schijn op zich laadt, maar daarom is het nog niet zo. Als Buskes zegt, dat wij de |revolutie als zedelijk gerechtvaardigd principieel en practisch moeten erkennen, dan betekent dat een ontkenning, dat wij tegenover het republikeinse deel van Indonesië nog enige verantwoordelijk Meid hebben. Naar mijn mening brengt die verantwoordelijkheid juist met zich, dat wij de republiek moeten helpen uit de revolutionnaire in de evolutionnaire faze te komen. Dat was de betekenis van Linggadjati en daarom is het zo diep te betreuren dat dat is mislukt.

Kraemer noemt in zijn magistrale artikel in „Wending” de militaire actie fataal, omdat zij ingaat tegen de keuze der regering voor een radicale liquidatie der koloniale verhouding en geen bijdrage vormt tot de oplossing van het grote staatkundige vraagstuk: de vorm van vrijwillige .samenwerking en verbondenheid tussen Nederland en Indonesië tot stand te brengen. Hij gaat er dus vanuit, dat wij tegenover Indonesië nog verantwoordelijkheid hebben. Hij meent echter dat wij in die verantwoordelijkheid schromelijk zijn tekortgeschoten. Er is echter nog een andere mogelijkheid, die Kraemer niet noemt en die wij toch niet bij voorbaat mogen uitsluiten: het zou ook kunnen zijn, dat de ontwikkeling binnen de republiek zelf fataal was voor de bereiking van dat grote doel. Ik zeg niet dat het zo is, maar het zou kunnen zijn. Misschien wel voor een heel groot deel door onze schuld. Het benauwende in de huidige stand van het Indonesische probleem is dat wij daaromtrent geen zekerheid hebben. Maarsgesteld eens dat het zo was, gesteld eens dat het grote doel met de huidige machthebbers in de republiek niet te bereiken was en met andere niet minder oprechte nationalisten wel? Mogen wij voor deze kant van de zaak de ogen sluiten?

Maar ik keer terug tot het betoog van ds. Nieuwspoort: zolang wij tegenover Indonesië verantwoordelijkheid hebben, zolang een nieuwe rechtsverhouding tussen ons land en Indonesië niet is tot stand gekomen, zolang zijn wdj, of wij het willen of niet. Overheid met alles wat daaraan vast zit, Rom. 13 inbegrepen.

V. W.

Slechte omstandigheden maken de mensen slechter. De statistiek is hier eerlij- , ker dan de opvallende uitzondering. Heb \ je medemens lief, geldt dus ook op soci- \ aal gebied: behoed velen voor vallen, i door het algemene welvaartspeil zo hoog mogelijk te houden. H. R.