is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 50, 20-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat goede manieren bij het elkaar internationaal zoveel mogelijk benadelen. Er is dus nog geen reden voor overdreven scepticisme, wanneer een internationaal jpiilieu blijkt partijdig of onzakelijk te reageren. Tenslotte heeft toch ook de behandeling in de Veiligheidsraad weer doen blijken, dat er grenzen zijn, waarbinnen de Veiligheidsraad krachtens zijn eigen reglementen moet blijven.

Het is trouwens opvallend, dat vaak zij, die het meest van teleursfeliing in de Verenigde Naties doen blijken, behoren tot degenen, die steeds het minst van internationale samenwerking hebben willen weten. Wie waarlijk de diepe noodzaak en plicht verstaat om ook internationaal tot samenwerking te komen en tevens weet, wat in de mens is, zal zich niet overmatig ongerust maken over de vaak onverkwikkelijke internationale gang van zaken, omdat hij meer realist is en meer weet wat hem op de lange baan te doen staat dan de sceptische mens, die öf in zijn jeugd te veel van platonische wijzen heeft gedroomd, öf nooit iets van internationale samenwerking heeft verwacht, omdat hij haar als een gevaar voor zijn belangen beschouwde.

Wij weten alleen, dat een volksvertegenwoordiging dikwijls onzakelijk, dikwijls langdradig, in vele opzichten een ~praathof” is, maar dat zij op gelangrijke ogenblikken telkens weer een onmisbaar forum zal blijken te zijn, waar het volk zich kan uitspreken over het beleid van zijn regering en waar het de Overheid, die alleen gelaten (zoals de dictaturen) onherroepelijk zou ontsporen, weer tot de orde kan terugroepen. De Verenigde Naties zijn een vertegenwoordiging van volken met alle fouten van een vertegenwoordigend lichaam, bovendien zonder traditie, ervaring en zonder veel samenbindende beginselen. Toch zal men acht moeten slaan op wat hen in grote lijnen beweegt.

Wanneer na ons gewapend optreden grote emoties blijken los te breken, niet alleen in de vroegere koloniale gebieden, maar ook daarbuiten, dan kunnen wij het ons niet veroorloven dit af te doen met de gedachte, dat men slecht geïnformeerd is, dat onze voorlichting heeft gefaald, dat wij toch in ons recht zijn en dat wij het vroeger ook altijd goed hebben gedaan, maar dienen wij ons ernstig de vraag te stellen, of het ook mogelijk is, dat wij de tijd niet meer begrijpen. Men zal zich deze vraag moeten stellen alleen reeds om niet internationaal in een onhoudbare positie te geraken. Het is merkwaardig, hoe argeloos in publicaties der rechtse partijen gespeeld wordt met de gedachte de Veiligheidsraad te laten voor wat hij is en kalm te doen, of hij niet bestaat. De schrijvers van deze artikelen zouden goed doen eens reisdeviezen aan te vragen om hun kennis van de wereld op te frissen.

Het moet ons echter ook te denken geven, dat in alle troebelheid en ressentiment, kleinheid en misverstand rondom de behandeling van het Indonesische vraagstuk in de Veiligheidsraad, toch de diepste beweegreden niet minderwaardig was. Men meende op te treden voor een geschonden grondrecht, het recht van een volk op zijn eigen bestaan. Daarom staat de Republiek sterk; het is aan ons, niet aan haar, om te bewijzen, dat recht en billijkheid aan onze zijde zijn.

Het behoort tot de wonderlijkheden van Nederland, dat men dit zo weinig ziet en zo velen geneigd zijn te menen, dat de Republiek als revolutionnaire macht eigenlijk het recht van spreken en handelen

VERVOLG PAGINA 8 ONDERAAN

Toverwoorden

Naar aanleiding van Het verloren schaap, door Han G. Hoekstra met plaatjes van piep Westendorp

Uitgeverij J. M. TAeulenhoff, Amsterdam 1947, 56 hlz. f 2,90

Een boek met kinderversjes van een bekend dichter, dat kon Vader niet laten liggen in de winkel. Triomfantelijk kwam hij er mee thuis. Ik was 'matig enthousiast: als 'je een moeder hebt gehad, die een onuitputtelijke voorraad versjes en liedjes uit het hoofd kende en als je ’t voorrecht hebt nu zelf als moeder die schat door te geven, dan heb je niet zo’n verlangen naar iets nieuws. Je ziet immers hoe de kleintjes het indrinken: „Op de biebelebonse berg” en „Heb je wel gehoord van die hollebollewagen” en „Toen zond baas Jochem Joosje uit om water te gaan halen.”

Maar vader is al aan ’t voorlezen: „In het grote Paleis te Ede / woonde Honing Bram de Tibeede. / Er waren twintig kamers in. / In kamer 12 woonde de Koningin. / In kamer nummer 11 / woonde de Honing zelf. / In de kamer daarnaast, de tiende, / woonde ’s Honings bediende. / In kamer nummer 4 / woonde de kamenier. / In kamer nummer 8 / woonde de kamerwacht / en hoog in het Koninklijk gebouw, / waar het donker was en heel erg nauw, / in een kamertje, dat geen nummer had, woonde de Koninklijke kat. / ...”

Toen was het bedtijd voor de kleuter. Onder het uitkleden stond z’n mond niet stil over de kamers met de nummers en ik verwenste het vers, waarin het ging over „dingen, waar ’t kind nog geen benul van heeft”, alsof in die oude bakerrijmpjes geen onbegrijpelijke woorden voorkomen!

De volgende dag moest hij weten waar dat kamertje was, dat geen nummer had en vader moest ’t nog eens voorlezen. Toen kwam er een oom logeren, en die moest wel tien maal achter elkaar voorlezen van alle kamertjes en ook wat daarop volgt: „De Koninklijke kat heette Ferdinand, / hij woonde in een Koninklijke mand. / En in zeven kleine mandjes, / woonden zeven Ferdinandjes. / De kamenier, Jonkvrouw Van Dop, / klom elke dag de trappen op. / Ze bracht ze ’s morgens elk, een zilveren bordje met melk, / ze bracht ze kattenbrood, vlees en vis, / en alles wat lekker voor katten is. /Maar met of zonder reden: / de katten waren ontevreden Een paar dagen later mag het joch mee met vader op de fiets. Ze komen langs het paleis, dat hij kent als „het huis van de Koningin”. Even afstappen. Het is 1 September. Vlaggen en

muziek op de Dam. Heel ernstig staat z’n gezicht, als hij het grote gebouw bekijkt, tot hij zegt, wijzend naar de bovenste verdieping: „En wonen daar nu de Ferdinandjes?”

En onder het spelen hoor ik het hem dikwijls zeggen: „en boven in ’t gebouw, waar het donker is en nauw...” U zult het al wel begrepen hebben: ik ben niet meer onverschillig, maar ik ben blij met deze nieuwe versjes en ik hoop, dat het aardig uitgegeven boekje met de fleurige plaatjes veel kleine kinderen zal bereiken. Het is gebleken, dat er „Toverwoorden” inzitten én daarmee is bewezen, dat het een goed boekje is. Het is nü modern, het is immers pas uitgekomen. Zal het tot de klassieke kinderboeken gaan behoren?

Er zitten toverwoorden in, schreef ik. Begrijpt u wat ik daarmee zeggen wil? 'Wilt u andere toverwoorden? „Toen zond baas Jochem vuurvlam uit.” Het is zo’n geheimzinnig woord: vuurvlam. Het is een beetje bekend, want het is in het gasstel, maar het is ook in de vuurtoren bij de zee en het is ook in een lucifer. Wilt u er nog een? Uit het karretje op de zandweg, „hij komt niet meer thuis, die vrind”, en „En nog kon Gijs van de honger niet slapen.”

En nu is er hier een- kamertje, dat geen nummer had en er is de kamenier, Jonkvrouw Van Dop.

Laten we niet vergeten, dat we het hier hebben over een van de dertig versjes! We hebben de andere nog niet voorgelezen, omdat hij er niet om vraagt, maar vader verheugt zich al op het voorlezen van „De ballade van de haai” en „Bij den kapper” en „De eksterogen van Aartshertog Max” en hoe ze nog meer mogen heten. Maar onze jongen heeft voorlopig nog genoeg aan Honing Bram en de zijnen. Toverwoorden. Andere boeken mogen nog zo mooie platen hebben en nog zo rijk zijn uitgevoerd, en nog zulke zoete, brave tekst hebben, als ze de toverwoorden missen, zullen ze een kind niet blijvend kunnen boeien. Al krijgt hij er tien van dat soort, waarmee de winkels vol liggen, hij zal ze na een enkele keer bekijken, ongelezen laten en steeds weer grijpen naar het ene met de toverwoorden.

Toverwoorden, waar komen ze vandaan? Zou het niet het geheim zijn van de dichter, dat hij, maar dan ook hij alleen, ze vinden kan? R. B.—v. R.