is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 1, 21-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan echter gezegd worden, dat de beloning in generlei verhouding tot de verrichte diensten staat. Nogmaals wijzen wij er op, dat het best mogelijk is, dat t.z.t. weer een hogere beloning op haar plaats zou zijn, omdat dan weer gepousseerd zal moeten worden en dat daarom nu ook een hogere beloning kan worden getolereerd. Maar het wordt toch langzamerhand tijd, dat de prijsbeheersing deze winstmarges aan een groridige revisie onderwerpt. Dan kan zij zich, wat ons betreft de energie van de uitgave van prijzenboekjes van 120 pagina’s besparen, want de huisvrouw, die daaruit wijs kan, laat zich nu toch. ook al niet „nemen”. Men vergete niet, dat een tolereren van hoge winstmarges („omdat alles nu eenmaal duurder is en deze mensen toch ook moeten leven”) een grove onbillijkheid betekent tegenover de arbeiders, die het maar met een zeer matige loonsverhoging moeten doen. Bovendien is het een doorbreking van de prijspolitiek der regering.

De vragen van in- en uitschakeling en van de effinciency van bepaalde personen zijn dus niet meer zonder meer te beant-

woorden. Duidelijk zal echter zijn, dat hier grote problemen liggen, welke de overheid aangaan. Zij zal er zich mede moeten bemoeien, indien zij althans serieus een geleide economie en een geordend sociaaleconomische rechtsorde voorstaat. Het is geen eenvoudige taak, waarvoor zij zich gesteld ziet, maar wel een ze*er urgente. Noodzakelijk voor de oplossing zijn twee dingen:

1. Een behoorlijk ambtenarencorps, dat kan werken in het besef van een publiek dienstbetoon. Daartoe zal nodig zijn een behoorlijke opleiding van sociologische en economische aard. Bestudering van de scholen voor ambtenaren in de V.S. van Amerika en Engeland zij hierbij aanbevolen. Een „school for public affairs” zou in een land, dat de kant op -wil van de blijvend gedirigeerde economie, geen weelde zijn.

2. Een geneigdheid in de kringen van het bedrijfsleven en de handel, om volle medewerking aan dit alles te verlenen. Op het moment is het zo, dat bedrijfsleven en

handel zeer argwanend staan tegenover alles wat de overheid gaat ondernemen. Dikwijls zeer terecht, laat ons dat vooral nimmer vergeten. Doch zodra de handel en het bedrijfsleven zullen zien, dat het de overheid ernst is met de geleide economie en dat zij daarbij gaarne de handel en het bedrijfsleven zal willen inschakelen, twijfelen wij er niet aan, of talloze bekwame, eerlijke deskundige lieden zullen volgaarne hun medewerking verlenen.

Pas als deze twee voorwaarden vervuld zijn, valt er voor de overheid met enig succes in te grijpen in het sociaal-economische leven, opdat ook daar de rechtsorde tot stand kome.

EEN LATE EN LAATSTE ZOMERGROET . FOTO M. KLEEREKOPER

J. G. V. d. PLOEG

De totalisator

Het hazardspel is in ons volksleven altijd een gevoelig punt geweest. De minister van Landbouw en Visserij heeft het onderwerp weder aan de orde gesteld door een wetsontwerp om de z.g.n. totalisator weder in te voeren. De totalisator biedt het publiek de gelegenheid om bij paardenrennen te wedden. Wie zijn geld ingezet heeft op het paard, dat wint, heeft gewonnen. Vóór het jaar 1911 was de totalisator toegelaten In dat jaar kwam artikel 254 bis van het Wetboek van Strafrecht tot stand, waarbij het hazardspel werd verboden. Gedurende de oorlog maakte de bezetter de totalisator weer mogelijk. Maar bij het einde van de oorlog viel dit besluit weer weg en herleefde het verbod automatisch.

Wat zijn nu de argumenten, waarmede het ontwerp het weder invoeren van de totalisator verdedigt? In hoofdzaak worden drie argumenten genoerftd.

Het eerste argument is, het verbod geheel verkeerd heeft gewerkt. Want het euvel van het wedden is niet verdwenen, maar wordt in het geheim voortgezet. Er verschenen „clandestien” talrijke bookmakers ten tonele, die schuil gingen tussen de duizenden bezoekers van renbanen, zodat de politie er niet in slaagde hen van de rennen te weren. Zodoende vond het wedden toch voortgang, thans echter op wel bijzonder ongewenste wijze en niet zelden was het optreden der bookmakers van die aard, dat van oplichting kan worgden gesproken”. Aldus de Memorie van Toelichting.

Aan dit principiële argument worden twee practische argumenten toegevoegd. De totalisator zal namelijk een financiële steun geven aan de paardenfokkerij. En voorts zal er een aardig bedrag aan belastingen mede dn de Staatskas vloeien. Ik ga thans niet verder in op deze practische argumenten, die mij bovendien niet erg sterk lijken, en beperk mij tot het principiële punt.

Wat moet hier de houding der Overheid zijn? Het standpunt van het ontwerp ten deze is duidelijk. De totalisator was bij de wet afgeschaft, maar dientengevolge ontstonden allerlei clandestiene misstanden. Daarom verdient het de voorkeur de totalisator onder controle toe te laten. Zoals de Memorie van Toelichting zegt: „Bedoeld als maatregel in het belang van de