is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 1, 21-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zedelijkheid, bleek het verbod van de totalisatór de onzedelijkheid in de hand te werken.”

Het ontwerp maakt zich op deze wijze wel heel gemakkelijk van een principieel strijdpunt af. Het gaat er immers om of de Overheid een kwaad, dat moeilijk uit te roeien is, onder haar controle moet nemen. Want door dit te doen sanctionneert zij wat gebeurt. Nu is mijn bezwaar tegen de Memorie van Toelichting, dat zij ons zowpl omtrent de omvang van het misbruik van het clandestien wedden als omtrent de moeilijkheden, waardoor de controle vaii het verbod moest falen, maar heel weinig mededeelt. Wij moeten maar zo’n beetje op gezag van de Memorie van Toelichting • aannemen, dat het zo is. Hier is een diepgaand onderzoek nodig, om behoorlijk te kunnen oordelen.

Door te controleren sanctionneert de Overheid de totalisator. Eenzelfde bezwaar heeft bij de bestrijding der prostitutie ook steeds een belangrijke rol gespeeld. De voorstanders van controle wezen steeds op de gevaren voor de volksgezondheid, wanneer de prostitués haar beroep ongecontroieerd zouden uitoefenen. Volkomen terecht werd tegen deze reglementering door- de Overheid steeds weer aangevoerd, dat de Overheid daardoor een sanctie zou geven aan een schandelijke misstand.

Nu zou ik het kwaad van de prostitutie en het kwaad van-.het hazardspel niet gaarne met elkander gelijk willen stellen. Er zijn i,mmers allerlei vormen van hazardspel, die vrij onschuldig zijn. In bepaalde kringen van ons volk is men hier steeds geiieigd geweest tot een al te wettische houding. leder hazardspel, ook dat wat in kinderlijk genoegen of onder onschuldige vorm werd beoefend, viel daarmede onder de ban. Het hangt alles af van de omstandigheden, waaronder het hazardspel plaats vindt. Over de wijze waarop het bij het wedden op paardenrennen toegaat, is voldoende bekend, ook uit het buitenland, dat men moeilijk naar een officiële regeling door de Overheid kan verlangen. Het wedden aldaar betekent het opwekken van geldzucht en prikkelen der hartstoch-

ten. Ook uit sociale overwegingen is hier bezwaar. Het' socialisme heeft zich terecht altijd ernstig verzet tegen beursspeculaties die niet anders deden dan de goklust bevredigen. Zij betekenen een zeer ongewenste vorm van arbeidsloos inkomen. De inkomsten uit het wedden op de paardenrennen zijn dat evenzeer. Dat de Overheid door het heffen ener belasting daaruit nog financieel voordeel zal trekken, maakt de zaak nog onaantrekkelijker.

De Memorie van Toelichting verwijst ter verdediging van de wederinvoer van de totalisator nog naar de Loterijwet 1905: door het onbeperkte wedden tegen te gaan, zal naar analogie van de Loterijwet het ergste kwaad kunnen worden gekeerd. Het lijkt mij weinig juist de onschuldige loterijen, die onder deze wet plegen te vallen, met de totalisator gelijk te stellen. Wie zal er bezwaar maken tegen het nemen van een lot, waarop een automobiel of radio kan v/orden verkregen? Zelfs Dr. Kuyper, die ieder spelen om geld veroordeelt, heeft tegen ,een dergelijke loterij geen principieel bezwaar gemaakt, omdat het „oneerbare” daar niet aankleeft. (Ons program, 2e druk, pag. 256). Terecht beroept de Memorie van Toelichting zich niet op het bestaan der Staatsloterij. Want deze instelling is bepaald geen sieraad voor Nederland.

Ik kom tot mijn conclusie. Het nieuwe Program van de Partij van de Arbeid heeft onder het hoofdstuk „Cultuur” voortreffelijke desiderata, die voor het geestelijke en zedelijke leven van ons land van groot belang .zijn. In het licht van dit program vind ik het voorstel om de totalisator, die al ruim dertig jaren geleden is afgeschaft en door de bezetter tot nieuw leven is geroepen, niet aantrekkelijk. Het kan zijn, dat wegens de „hartigheid des harten” een stap in die richting moet worden gedaan. Maar dan moet eerst worden aangetoond, dat de bestaande misbruiken zó ernstig zijn en dat de controle daarop zó moeilijk is, dat de totalisator het geringste van twee kwaden is. Dit wordt in de Memorie van Toelichting evenwel niet aangetoond. A. A. VAN RHIJN.

Het plan-Marshall en de Europese Economie

Het plan-Marshall is één van de beste kansen, die Europa in 1947 nog geboden worden, en is misschien wel de laatste kans om uit de economische nesten te geraken. Een „plan” is het eigenlijk niet, want het is niet meer dan een aanbod, dat de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken in Juni bij een rede voor de Harvard-universiteit aan de Europese landen deel. Zijzelf zullen het plan moeten opstellen, een eerste noodverband om hun economische wonden leggen en in hun onderlinge samenwerking trachten tot een beter productiepeil en een betere verdeling van de in Europa beschikbare goederen te komen. Maar er is meer. Zij mogen als een soort sluitpost op deze economische begroting voor Europa een stukje Amerikaanse hulp opvoeren. Anders gezegd: zij mogen een verlanglijstje opstellen, dat door Uncle Sam met welwillende ogen zal worden bestudeerd.

Wat er in de Verenigde Staten zelf van het plan van Marshall terecht zal komen weten wij uiteraard nog niet. De bedoeling

is, dat de Europese voorstellen zo mogelijk nog in 1947 aan het Amerikaanse Congres ter aanvulling en ondersteuning zullen worden voorgelegd. Er' is echter eerst nog een belangrijke taak te verrichten om het Amerikaanse publiek en de Amerikaa'nse senatoren en Congres-vertegenwoordigers ervan te overtuigen, dat financiële en economische hulp aan Europa niet is „een goed geld naar kwaad geld gooien”. Over deze ontwikkeling en beïnvloeding van de Amerikaanse openbare mening kan men lange beschouwingen schrijven. Een deel ervan onttrekt zich echter duidelijk aan elke mogelijkheid tot voorspelling.

Van de Europese zijde mag men echter zeker niet zeggen, dat de ontwikkeling tot op dit moment ongunstig is geweest. Zeker, de in Parijs vergaderde Europese naties zijn nog lang niet op alle punten tot overeenstemming gekomen. Maar zij hebben althans de duidelijke wens gedemonstreerd om op allerlei punten overeenstemming te bereiken. Gelogenstraft is voor hen het cynische mopje in één van de Amerikaanse

bladen: „Big Three fail to disagreè”. De Europese landen, die aan de Conferentie van Parijs deelnemen (het zijn er 16 van de 22) werken samen wij mogen dit als Nederlanders niet zonder trots zeggen als de staten van Benelux, d.w.z. dat zij het niet over alle onderwerpen eens zijn, en over bepaalde zaken zelfs stevig oneens, maar dat men over en weer bereid is, naar argumenten te luisteren en, zo enigszins nlogelijk, tot een verstandig compromis te komen. Dat is al heel wat. De ervaring met internationale conferenties van de laatste twee of drie jaren heeft wel eens andere dingen te zien gegeven.

De Russische kwestie wordt, naarmate het Marshall-plan betere kansen maakt, ook meer acuut. Rusland is reeds bezig, de staten van Oost-Europa op soortgelijke wijze economisch aan zich te binden als Amerika dat naar alle waarschijnlijkheid met de West- en Middeneuropese landen zal doen. Amerika heeft ook duidelijk te kennen gegeven, dat het niet van plan is, door te gaan met hulpverlening aan staten, die als Russische satelliet-staten moeten worden beschouwd.

Men vraagt zich van tijd tot tijd wel eens af, of de Amerikaanse tactiek daarbij volledig geslaagd is. Men kan zich na de ervaringen, welke Amerika heeft opgedaan met graahleveranties aan Roemenië, die voor een groot deel werden doorgeleverd naar.de Sovjet-Unie, heel goed voorstellen, dat Amerika weinig zin heeft in soortgelijke leveranties aan Polen. Maar is het 'verstandig, deze leveranties dan botweg af te zeggen, waarbij men voor de wereldopinie toch altijd de indruk maakt zijn politieke geschillen op de rug van hongerige vrouwen en kinderen uit te vechten? Men zou leveranties als deze evengoed kunnen binden aan de voorwaarde, dat Amerikaanse waarnemers voor de juiste en nuttige besteding ervan mogen waken. Als een dergelijke voorwaarde niet wordt geaccepteerd, ligt de schuld duidelijk niet aan de Amerikaanse zijde. ''

Overigens is de „scheiding der geesten”, die tussen Amerika en Rusland, en daarmede dus tussen West-Europa en Oost-Eurppa, plaats vindt, eenvoudig een feit. Men kan * het Marshall-plan slechts beschouwen als de katalisator, die dit proces verhaast. Zekere onaangename verschijnselen gaan daarmede gepaard, maar de situatie wordt er niet anders om. En afgezien daarvan is het Marshall-plan zozeer een laatste kans voor Europa, dat wij het eenvoudig niet zouden kunnen missen, ook al zou men een zekere verscherping in de diplomatieke positie met Rusland vrezen. Het plan-Marshall is niet alleen een Amerikaans en welkom geschenk, het is voor Europa ook een duidelijk teken aan de wand. Zonder Amerikaanse hulp gaat het niet meer, ook niet in Nederland. De Engelse financiële crisis, die in Augustus haar voorlopig hoogtepunt bereikte, is een duidelijk teken van de wanhopige positie, waarin bijna alle Europese landen verkeren. Hun productie-apparaat is achterlijk, hun mensen zijn nog moe en werken niet op 100 pet. van hun kracht, en zij ont-

leder volk is op zijn tijd wel eens hij- \ zonder slecht. Wie veel geschiedenis leest, kijkt er tégen geen enkel meer op noch veracht er één. Hij weet: over 25 i jaar is misschien het mijne een harba- i renstaat. Hij leerde, dat zowel de mens i als de mensen veranderlijk zijn en hoopt | voor zichzelf het heste. \

H. R: